De Orde der Cisterciënzers is een rooms-katholieke kloosterorde, waarvan de monniken en monialen leven volgens de regel van Benedictus. De orde werd in 1098 door de Bourgondische edelman Robert van Molesme opgericht in de Franse nederzetting Cîteaux ten zuiden van Dijon. Hier bouwde men de beroemd geworden abdij van Citeaux. Naar Cistercium, de Latijnse vorm van deze plaatsnaam, wordt de orde aangeduid als cisterciënzers. Alle abdijen zijn onderverdeeld in congregaties en staan onder gezag van een abt-generaal. Drie congregaties van de Strikte Observantie werden in 1892 samengevoegd tot een eigen orde, beter bekend als de trappisten.
Cisterciënzers mogen de aanduiding O.Cist achter hun naam zetten. De kovel die zij tijdens het officie dragen is wit, terwijl die van Benedictijnen zwart is.
Geschiedenis De cisterciënzers vinden hun oorsprong in 1098, toen Robert van Molesme, een Bourgondische edelman en abt in Molesme, het benedictijnenklooster verliet om samen met twaalf monniken een nieuw klooster te stichten in Cîteaux. De nieuwe orde was een reactie op slechte naleving van de regel van Benedictus in de Franse benedictijnenkloosters, vooral in de Abdij van Cluny.
De orde had een bloeiperiode dankzij het incorporeren en erkennen van nieuwe kloosters. Deze konden slechts toetreden na akkoord van het generaal kapittel van de orde. Een van de dochterkloosters van Cîteaux was Clairvaux, waar in 1115 de jonge Bourgondische edelman Bernardus van Fontaines tot abt werd gekozen. Hij was drie jaar tevoren met een groep jonge familieleden ingetreden en werd als Bernard van Clairvaux een toonaangevende geestelijke. De cisterciënzers worden dan ook soms bernardijnen genoemd, en de cisterciënzerinnen bernardinnen.
Ook in Italië kwam de orde snel tot groei. De Abdij van La Ferté deed haar eerste stichting daar in 1120, Morimond in 1136, Clairvaux in 1135. Daarnaast werden bestaande kloosters hervormd, onder meer Casamari en het huidige Tre Fontane, beide in 1140. In korte tijd verspreidden de cisterciënzers zich over heel Italië. Aan het einde van de middeleeuwen telde Italië 88 mannenkloosters en minstens zoveel vrouwenkloosters.
Bij de dood van Bernard van Clairvaux in 1153 telde de orde al meer dan driehonderd kloosters, die meestal waren gevestigd in onherbergzame streken, waar men leefde onder grote ontberingen. Deze geweldige expansie was met name ook ingegeven door machtspolitiek van de Rooms-Katholieke Kerk en borg ook de kiem van verval in zich. Na 1300 kwam een moeilijke tijd waarbij de vrouwen de fakkel overnamen. De 13e eeuw werd de gouden eeuw van de monialen, ofwel vrouwelijke ordeleden.
De Abdij van Herkenrode was de eerste en mettertijd de grootste voor vrouwelijke cisterciënzers. Terwijl in hun kloosters het innerlijk leven en de mystiek bloeiden, kwamen de mannenabdijen tot rijkdom, vooral bestaande uit grondeigendom ten gevolge van landontginning. Monniken van de Abdij Onze-Lieve-Vrouw Ten Duinen in Koksijde en de Abdij van Boudelo in Klein-Sinaai hebben bijvoorbeeld grote delen van het Land van Hulst in Zeeuws-Vlaanderen ingepolderd. In Rotselaar bevond zich de Abdij Vrouwenpark, waar de Beatrijslegende wordt gesitueerd.
Aan het einde van de 12e eeuw vonden de eerste stichtingen van cisterciënzerkloosters in Nederland plaats. Rond 1160 werd het klooster Klaarkamp bij Rinsumageest gesticht en omstreeks 1188 kwam er een dochterklooster bij Bolsward, het latere Bloemkamp. Later volgde Aduard (1192).
In 1140 werd in het Castiliaanse Fitero het eerste Spaanse cisterciënzerklooster gesticht, spoedig gevolgd door andere stichtingen in het op de Moren veroverde gebied, vooral in Centraal-Spanje. Vanaf omstreeks 1170 kregen de cisterciënzers een snel groeiend aandeel in de kolonisatie van de dunbevolkte Slavische gebieden. Hiervoor werden immigranten uit de Nederlanden aangetrokken.
Toen de economie in West-Europa opbloeide, nam de praalzucht steeds grotere vormen aan. Omdat Jezus, volgens Matteüs 10:9, over vrijwillige armoede van zijn apostelen had gesproken, ontstond tegen deze toestand protest dat leidde tot hervormingsbewegingen binnen de orde. Deze richtten zich onder andere tegen het verschijnsel dat in plaats van gekozen abten zogenoemde commendataire abten aan het hoofd van het klooster kwamen. Dergelijke abten hadden abdijen gekocht en kwamen vrijwel nooit in het klooster. Dat leidde tot geestelijk verval, bijvoorbeeld omdat door het ontbreken van een abt de tucht veel te wensen overliet.
Trappisten Een aanzienlijke groep bleef bij de Strikte Observantie van de leefregels; naar een van die regels, het afzien van vlees, werden zij abstinenten genoemd. De tegenstellingen leidden tot een afscheuring van een nieuwe groep, die zich trappisten noemde en uiteindelijk erkend werd als nieuwe orde. In 1892 heeft paus Leo XIII een laatste vergeefse poging gedaan om cisterciënzers en trappisten weer in één orde te verenigen, maar uiteindelijk besloot hij tot splitsing. De benaming trappisten is afgeleid van de Franse abdij Notre-Dame de la Grande Trappe, waar abt Jean de Rancé in 1664 strenge regels instelde die elders veel navolging kregen.
In de Lage Landen hebben de trappisten de cisterciënzers overvleugeld.
Structuur Hiërarchie van de kloosters Men spreekt in het vakjargon van een moederabdij, met dochterabdijen of zusterabdijen. De abdij van Cîteaux wordt beschouwd als de moederabdij van alle cisterciënzerabdijen, en de abt ervan als de eerste in rang. In de periode 1110 tot 1115 ontstonden de eerste dochterabdijen van Cîteaux: La Ferté (1113), Pontigny (1114) en Clairvaux (1115). Vanuit deze drie abdijen en Cîteaux ontstond een stamboom van abdijen.
In de Summa Cartae Caritates – een soort grondwet van de orde, ontstaan onder de abt Stephanus – staat in het derde en vierde hoofdstuk het getrapte systeem van de filialen: de vier grote abdijen doen nieuwe stichtingen – de dochterabdijen – die op hun beurt filialen kunnen stichten. Zo stichtte Clairvaux in 1135 de abdij van Eberbach, die zelf de abdij van Val-Dieu stichtte.
Structuur en organisatie miniatuur|Vader Benedictus, met raaf (Zwarte kovel) en Vader Bernardus (Witte kovel), verzameling Abdij te Bornem miniatuur|Claudius Vaussin, Abt generaal der orde. De orde kent een verticale structuur, met als gezagsdragers:Guido Hendrix: Roger De Ganck O.C.S.O. (o1908- ), historicus van Cîteaux in de Zuidelijke Nederlanden, gebundeld.- Leuven: KUL Bibliotheek van de faculteit der godgeleerdheid. de vicaris-generaal van de orde de abt-generaal van de orde als hoogste gezagsdrager; traditioneel was dit de abt van Cîteaux. een abt-visitator, aangesteld door het generaal kapittel voor onderzoek van de tucht. Er zijn verschillende abten-visitators aangesteld door het generaal kapittel.
Generaal kapittel Er bleef controle van de moederabdij op hun dochterabdijen. Elke abdij had een eigen inspraak, maar door het generaal kapittel – een jaarlijkse algemene vergadering – was er wel een sterk centralistisch systeem. Hierdoor vallen alle kloosters en abdijen onder de absolute obediëntie van het generaal kapittel, dat als hoogste gezag fungeert en controle uitvoert. Het kapittel heeft de macht om kloosters te incorporeren en abten te erkennen. Het kan ook disciplinaire tuchtmaatregelen uitvaardigen. Van zodra een monnik of moniaal zijn eeuwige geloften heeft uitgesproken, aanvaardt die het gezag van het kapittel.
Abbatiale waardigheid Het wijden van de abt is een voorrecht van de plaatselijke bisschop, waarbij getuigen aanwezig zijn. Het toekennen van een mijter aan een abt is een pauselijk privilege dat de meeste abdijen bezaten.
Regel De monniken moeten niet zelf instaan voor het bewerken van de gronden: ‘Ad haec exercenda, nutrienda, conservanda, seu prope seu longe grangias habere possumus per conversos custodiendas et pocurandas.’ (Hiertoe kunnen we boerderijen in de buurt of verder weg hebben, die door bekeerlingen worden onderhouden en verzorgd.) De orde kent met andere woorden een speciaal systeem van grangia (ook wel uithoven: grote kloosterboerderijen of abdijhoeves) waar lekenbroeders te werk gesteld worden. Deze grangia (enkelvoud: grangium) zijn sterk gebaseerd op het systeem van dominantie en overheersing; soms werden gewoon hele dorpen – die eigendom werden van de cisterciënzers door schenkingen – gedwongen zich naar de cisterciënzers te schikken, een soort van verplichte conversie. Naast de conversen werden ook vaak seizoenarbeiders aangetrokken.
Het systeem van lekenbroeders was er nog niet bij de eerste abdijen. Het systeem van de grangia duikt voor het eerst op in de elfde eeuw, in de Italiaanse cisterciënzerkloosters. Het fenomeen ontstaat ook vlug in Frankrijk en Engeland – het tweede land waar de cisterciënzers zich wisten te vestigen na Italië. Er zijn echter veel regionale verschillen op te merken. De lekenbroeders van Cîteaux waren bijvoorbeeld legaal onderworpen aan de abt van Cîteaux, terwijl in Grandmontines de lekenbroeders controle hadden over de eigendommen. In Oost-Europa zien we meer een systeem van lijfeigenen ontstaan.
Lekenbroeders kwamen – net zoals de cisterciënzermonniken – pas op latere leeftijd in een klooster terecht. Na de initiatie tot lekenbroeder konden de lekenbroeders geen monnik meer worden. Dit staat ook zo in hun Capitula vermeld: ‘Ut de converso non fiat monachus’. (Zodat de ander geen monnik wordt.)
De afgelegenheid van veel grangia kan door de monniken als een reden ingeroepen worden om er niet vaak aanwezig te hoeven zijn. De Capitula schrijven namelijk voor dat de monniken binnen het kloosterhuis moesten leven; ze mochten wel zo vaak als nodig naar de grangia gestuurd worden, maar er nooit lang verblijven. Dezelfde Capitula wijzen er ook op dat de monniken geen contact met wereldlijke lieden mogen hebben in verband met de landbouw en de veeteelt, maar dit over moeten laten aan de lekenbroeders. Er wordt voor deze taakopdeling ook verwezen naar het Bijbelverhaal van Martha en Maria, waarbij Maria – die vereerd werd door de cisterciënzers – symbool staat voor de monniken en de werkende Martha voor de lekenbroeders.
In de Usus Conversorum, uit de 12e eeuw, is veel te lezen over deze conversen en wordt het contrast met de monniken nog duidelijker. Hier blijft het niet alleen beperkt tot afspraken over woning en kledij. De conversen hadden – in tegenstelling tot de monniken – slechts een beperkte religieuze plicht. Tevens vernemen we dat de conversen ook geen geestelijke arbeid zoals lezen mogen doen. De kloof tussen literatus en illiteratus wordt hiermee aangescherpt.
In de 14e eeuw verandert het systeem van lekenbroeders radicaal: de conversen zijn alleen nog een kleine groep van experten, de gronden worden in pacht uitgegeven en men doet een extra beroep op gehuurde arbeid.
Deze terugval van de conversen heeft zowel interne als externe oorzaken. De bevolking krimpt, er komen andere vormen van vroomheid naar voren en de steden winnen invloed en aanzien ten opzichte van het platteland, dat de economische basis van de abdijen vormt. Intern wordt de exploitatie op een nieuwe leest geschoeid, maar de vraag blijft of dit de oorzaak is van het kleinere aantal conversen of juist een gevolg ervan. In tegenstelling tot voordien zien we ook mensen uit de gegoede burgerij conversen worden; ze schenken hun eigendommen in ruil voor belangrijke functies als opzichter. De positie van lekenbroeder kreeg dankzij de uitdijende economie dan ook een belangrijke maatschappelijke status.
Monastieke tucht Monniken werden geacht, net zoals heremieten, hun geloften strikt na te leven; lichamelijke kastijdingen, zelftucht en vrijwillige armoede waren dan ook geen abnormale oefeningen in vele abdijen.