thumb|Het schilderij Kinderspelen (1560) van Pieter Bruegel de Oude toont 80 spelletjes, o.a.: hoepelen, bikkelen, boomklimmen, de berg is mijn, hoedjes maken, stokpaardje rijden, tollen met een zweep, enz. thumb|Kinderspelen op een centsprent van ca. 1840; o.a. soldaatje spelen, met poppen spelen, hoepelen, kegelen, vliegeren, schommelen, knikkeren, touwtje springen, tollen en dansen. thumb|In Verlustiging voor brave jongens (1854) zijn o.a. afgebeeld: koten, stenen werpen, vangertje, wippen, haasje-over en hier vliegeren. thumb|Twee jonge kinderen spelen dat ze een hobbelpaard voeren (ca. 1935). thumb|Twee kleine kinderen spelen met een kar (ca. 1955). thumb|Middeleeuwse miniatuur met drie kinderen die onder meer met een tol en zweep spelen en vlinders vangen (14e eeuw). Kinderspel is het spelen van kinderen en het kenmerkende spel dat kinderen spelen in de leeftijd van ongeveer 1,5 tot ongeveer 12 jaar oud.

Bekende voorbeelden zijn: met poppen of autootjes spelen, vadertje-en-moedertje spelen, verstoppertje, tikkertje, touwtjespringen en knikkeren.

Soorten en betekenis kinderspelletjes Wezenlijk voor elke vorm van spelen is dat het in de kern draait om plezier, dat kinderen op kunnen gaan in een spel en dat het vrijwillig is, zonder opdracht of verplichting.N. Kwakkel-Scheffer, Puur plezier: spelsuggesties voor de basisschool (2006). Hierin worden genoemd als wezenskenmerken van spelen de volgende vijf elementen: "Het plezier waarmee spelen gepaard gaat; Het betrokken zijn op de situatie hier en nu, kinderen gaan helemaal op in wat ze doen; Er staat hun geen ander doel voor ogen dan het spelen op zich; Spelen is altijd een vrijwillige aangelegenheid, zonder opdracht of verplichting; Spelen kenmerkt zich door een hoge graad aan flexibiliteit". Tegelijk is dat spelen zeer waardevol voor de persoonlijke en sociale ontwikkeling van het kind. Bij het spel kan het kind op een speelse manier lichamelijke, motorische, cognitieve, probleemoplossende, emotionele en sociale vaardigheden ontwikkelen; het spelen stimuleert taalontwikkeling; het vergroot het inlevingsvermogen; en sommige spelen helpen het kind om zich een voorstelling te maken van mogelijke activiteiten later als volwassene.F. Janssen-Vos, Spel en ontwikkeling (2006). Hierin somt zij zeven ontwikkelende waarden op, waaronder motorische ontwikkeling, sociale vaardigheden, emotionele ontwikkeling, taalontwikkeling, inlevingsvermogen, problemen oplossen / leren denken.

Kinderen beginnen met kinderspel vanaf de fase van dreumes (rond de 1,5 jaar oud):Baby's spelen ook (maar nog niet de kinderspelletjes waar dit artikel over gaat): plezier in bewegen, trappelen, met handjes draaien. Dit gaat over in 'manipulerend handelen' (het aanraken van voorwerpen, kennismaking met hoe dingen voelen, omvallen, klinken; later stapelen, gieten, rollen) en vanaf 2-3 jaar 'manipulerend spel' (dingen uit elkaar halen, in elkaar passen, sorteren, enz.). Hierbij krijgen voorwerpen op een gegeven moment betekenis (een blokje is een auto). Uit dit manipulerende spel ontwikkelen zich zowel het rollenspel als het constructieve spel. Zie hiervoor o.a. F.R. Janssen-Vos en B. Pompert, Startblokken van basisontwikkeling (2003). met een bal heen en weer rollen, blokjes door de juiste vormpjes in de deksel van de blokkendoos doen. In elke leeftijdsfase groeit het spelgedrag verder uit: eenvoudig rollenspel bij kleuters (de pop zogenaamd te drinken geven), interactief thematisch rollenspel vanaf ongeveer 6 jaar (winkeltje spelen met een groep) en daarnaast constructief spel (een huis bouwen van lego) en gemeenschapsspel met vaste regels (overlopertje).F.R. Janssen-Vos en B. Pompert, Startblokken van basisontwikkeling (2003); en R. de Groot, Van klein tot groot, de ontwikkeling van het jonge kind (2012). Deze verwijst ook naar de publicaties van de gezaghebbende Duitse kinderpsychologen Charlotte Bühler en Hildegard Hetzer. Hoe ouder het kind wordt, hoe langer het kan opgaan in een spel. Kinderen laten zowel het rollenspel als het constructieve spel achter zich als ze de echte activiteit gaan beheersen (niet meer 'doen alsof' je een brief schrijft, maar er echt eentje schrijven en versturen).F.R. Janssen-Vos en B. Pompert, Startblokken van basisontwikkeling (2003).

Er is een grote verscheidenheid aan kinderspelen: het kan gaan om binnenspelen of buitenspelen; het kind kan alleen spelen of samen met één of meerdere andere kinderen; en er kan gebruik worden gemaakt van speelgoed / speeltoestellen of juist niet. De spelletjes lopen dus uiteen van een treinbaan bouwen tot hinkelen, van fantasiespel tot zakdoekje leggen, en van schommelen tot tikkertje.

De speelwijze wordt geleerd van volwassenen of afgekeken bij andere kinderen, waarna kinderen in staat zijn deze kinderspelen zelfstandig te spelen (zichzelf te vermaken). De spelletjes kunnen thuis of op het schoolplein worden gedaan, maar ook tijdens een kinderfeestje of kinderkamp.

Het leeftijdsgebonden spelgedrag neemt sterk af vanaf de middelbare-schoolleeftijd (rond de 12 jaar). Tieners kunnen probleemloos nog weleens meedoen aan dingen als stoepranden, forten bouwen op het strand of een sneeuwballengevecht (zeker samen met jongere broertjes of zusjes). Maar een groep 17-jarigen gaat niet meer onderling knikkeren, hinkelen of met een theeserviesje spelen - dat wordt dan als, letterlijk, 'kinder-achtig' ervaren. Zij zijn al bezig alle verworven vaardigheden uit hun kindertijd toe te passen in het echte leven.Het kinderspel in enge zin lijkt in ieder geval te voldoen aan drie kenmerken: het is leeftijdgebonden spelgedrag (tot 12 jaar); het spel wordt uit vrije wil begonnen; en het kan zelfstandig worden gespeeld. Oftewel: een groep 7-jarigen die met elkaar speelt, kan het spel uit eigen initiatief en zonder hulp of inmenging van een volwassene gaan spelen; en dit spel wordt door een groep 17-jarigen niet meer onderling gespeeld.

Voorbeelden van kinderspelen thumb|Het Polygoonjournaal toont kinderen die spelen op straat (1939), o.a.: steppen, haasje-over, tollen, knikkeren, touwtjespringen, schaatsen en soldaatje spelen. Bliklopen Blindemannetje Bokspringen of haasje-over Boompje verwisselen Busjekruit Draadfiguren maken (met een rondlopende draad rond je vingers) Elastieken Ezeltje-prik Fantasiespel / doen alsof-spel / rollenspel (vadertje-en-moedertje, schooltje, winkeltje, bed als boot, soldaatje, prinses-en-riddertje, elfjes, enz.) Hinkelen Hoepelen Hutten bouwen Jojoën Kaatseballen (eventueel met kaatseballiedje)Bijvoorbeeld: 'Kaatsebal / Ik heb je al' en 'Een twee, kopje thee / Drie vier, glaasje bier'. Kinderliedjes met kinderspel dansliedjesBijvoorbeeld: 'Er zat een klein zigeunermeisje', 'Heb je wel gehoord van de zevensprong', 'Jan Huygen in de ton' en 't Regent op de brug, maar ik word niet nat'. klapliedjesBijvoorbeeld: 'Daar kwam een jager', 'Ik ga naar de markt en koop een koe' en 'Papegaaitje leef je nog'. liedjes met bewegingenBijvoorbeeld: 'Advocaatje ging op reis', 'Hoofd schouders knie en teen' en 'We maken een kringetje'. met vuisten stapelenBijvoorbeeld: 'Deze vuist op deze vuist', 'Olleke bolleke rubisolleke' en 'Torentje torentje bussekruit'. met spelletjes / kringspelenBijvoorbeeld: 'Groen is gras', 'In Holland staat een huis', 'Twee emmertjes water halen', 'Witte zwanen zwarte zwanen' en 'Wij zijn rijke marionse marionetten'. touwtjespringliedjesBijvoorbeeld: 'In spin de bocht gaat in', 'Koekoek zeg mij toch', 'Rode bessen lust ik graag' en 'Zo helder en zo schoon'. Knikkeren Koppeltjeduikelen op bed of op de bank Met bal spelen Met blokken / blokkendoos spelen Met lego / duplo / playmobil / meccano spelen Met speelgoedautootjes / speelgoedtreintjes / speelgoedvliegtuigjes / speelgoedpaardjes spelen Met theeserviesje spelen Met poppen, poppenwagen, poppenkleertjes en poppengoedPoppengoed is klein formaat huisraad (zoals een stoeltje en ledikantje), kookgerei en vaatwerk voor een pop. spelen Met alledaagse voorwerpen spelen (grote lege doos, gebruikt inpakpapier, oud laken, lege luciferdoosjes, bakvormpjes, pan of vergiet, enz.) Op de wipwap Op het hobbelpaard Overlopertje Propjes, papieren pijltjes of besjes schieten door een blaaspijp (in een lege emmer of wie het verste kan) Rijden op een stokpaardje Rolschaatsen Rondrijden op een driewieler, op een step, met een skelter Schommelen Sneeuwpret (sneeuwballen gooien, sleetjerijden, sneeuwpop maken) Stand in de mand Steltlopen Stoeien, ravotten, elkaar kietelen Stoelendans Stoepranden Tikkertje Touwtjespringen Trampolinespringen (ook: op bed springen, op de bank springen) Trekfiguren (m.n. trekeend, trekhondje of trekpaardje op wielen) aan een touwtje meetrekken Tollen Verstoppertje Verkleden (verkleedkist) Vliegeren Waterpret (in teil met water, opblaasbaar zwembadje, elkaar natspuiten met tuinslang, onder de sproeier) Zakdoekje leggen Zaklopen In de zandbak of op het strand met zand spelen (bijv. met emmertje-schepje spelen, zandkastelen bouwen, fort bouwen langs de branding bij opkomende vloed)

thumb|350px|center|Kinderspel op een centsprent (ca. 1900): met poppen en keukentje spelen, paardje spelen, bloemen plukken, ballen, kegelen, met een hoepeltje gooien, poppen aankleden, dansen in de wei en soldaatje spelen.

Deze lijst is bij lange na niet volledig. Kinderen kunnen bovendien ter plekke heel nieuwe spelletjes verzinnen en daarbij onderling regels vaststellen (spelletjes die niet altijd de goedkeuring van de ouders zullen wegdragen).

Bijvoorbeeld alle kussens van de bank op de grond uitspreiden en kijken wie het verste van de vensterbank af kan springen (competitief spel). Of: een kind gaat de gang op en de anderen verplaatsen één voorwerp in de kamer - terwijl het kind zoekt wat het is, kunnen anderen aanwijzingen geven met 'warm' of 'koud'; eenmaal gevonden gaat een ander kind de gang op en mag hij een voorwerp verzetten (raadspel). Of bij het buitenspelen: het ene kind gaat met z'n ogen dicht bij een ander achter op de fiets. Deze fietst een zo kronkelig mogelijke route. Als ze stilstaan moet het kind met nog gesloten ogen raden waar ze zijn (raadspel buitenspelen). Of een proefspel: met een blinddoek om krijgen de kinderen een lepeltje etenswaar van een ander kind (van jam of kaas tot droge basilicum of ongekookte rijst) - wie het eerste z'n mond niet (meer) open durft te doen, is af (vertrouwensspel).

Het aantal van dit soort zelfverzonnen spelletjes is onbeperkt en ze zullen zelden worden gedocumenteerd.

Aftelversje vooraf Bij sommige spelletjes moet er vooraf een kind worden uitgekozen, bijvoorbeeld om hem "te zijn" (tikkertje, blindemannetje, verstoppertje, enz.) of om als eerste te beginnen (bijv. bij zakdoekje leggen). Om een willekeurig kind te kiezen, gebruiken kinderen meestal een aftelversje, bijvoorbeeld: 'Iene miene mutte', 'Ake bake bonestaken' of 'Iet wiet waait weg'.

Er zijn ook spelliedjes om kinderen in twee willekeurige groepen te verdelen, bijvoorbeeld 'Witte zwanen, zwarte zwanen'.

Problemen bij het spelen en kattenkwaad Het spelen kan soms uitlopen in ruzie, een huilbui of een valpartij. Ouders kunnen dan kort ingrijpen en een kind aanzetten tot sociaal wenselijk gedrag ("nu mag de ander even op de step"), troosten (kind komt even op schoot zitten om uit te huilen) of de pijnlijke knie of schaafwond bekijken ("kusje... over!"). Meestal kan het spel daarna snel worden hervat of wordt er een andere bezigheid verzonnen.

Spelletjes kunnen ook ontaarden in kleine rampen, vaak doordat het kind de gevolgen van zijn spel nog niet overziet. Bijvoorbeeld bij het kappertje spelen kan een kind op het idee komen om met een echt (kinder)schaartje plukken uit het haar van de pop of van een ander kind te knippen. Een pot zalf kan over de kinderen zelf (haren, kleren), meubels of tapijt worden uitgesmeerd. En een stuiterbal kan, binnen gebruikt, nogal wat schade aanrichten aan lampen of vazen.