Dr. Wangari Muta Maathai (Ihithe (Nyeri), 1 april 1940 – Nairobi, 25 september 2011Nobelprijswinnares Wangari Maathai overleden, NU.nl, 26 september 2011 (ANP-bericht)) was een Keniaans milieu- en politiek activiste. Ze richtte de milieuorganisatie Green Belt Movement op, was in 2003-2005 parlementslid, en was onderminister van Milieuzaken en Natuurlijke Hulpbronnen. In 2004 kreeg ze als eerste Afrikaanse vrouw de Nobelprijs voor de Vrede voor haar bijdrage aan duurzame ontwikkeling, democratie en vrede.

Biografie Jeugd Maathai werd geboren in het district Nyeri en behoorde tot de Kikuyu, een van de vele Afrikaanse bevolkingsgroepen.

In haar autobiografie Unbowed: A Memoir beschrijft ze uitgebreid hoe het leven voor de Kikuyu’s was voordat de Britten kwamen en hoe het leven veranderde na hun komst. Zo vertelt ze dat voor de komst van de christelijke westerlingen de Kikuyu’s geloofden dat God op de berg Kirinyaga, later door de Britten omgedoopt tot Mount Kenya, woonde.Maathai, Wangari (2006) Ongebroken, Den Haag: De Geus, 22 De op een na hoogste berg van Afrika was dan ook een zeer heilige plek voor de verschillende stammen die eromheen woonden. Bij alles wat de Kikuyu’s deden wendden ze zich tot de heilige berg: ‘zolang de berg er stond, wisten ze dat God met hen was en dat het hun nergens aan zou ontbreken’.Ibidem, 22

Door de komst van de Britten zijn veel van de rituelen en gebruiken verdwenen en speelt het christendom nu meestal de hoofdrol in de levens van de Kikuyu’s. Maar niet alleen het geloof veranderde onder invloed van de westerlingen; ook werd bijvoorbeeld, in plaats van de geiten, mburi, waar de Kikuyu’s normaal in handelden, geld als standaard handelsmiddel ingevoerd.

In de vroege jaren van Maathai’s leven was er dus al veel veranderd voor de Kikuyu’s. Maathai’s vader behoorde tot ‘de eerste generatie mannen in Kenia die huis en haard verlieten om een baan te zoeken en geld te verdienen’Ibidem, 32. Hij vertrok naar het boerenbedrijf van een blanke pionier. Hier kreeg hij een stukje land toegewezen waar hij mocht wonen samen met zijn gezin.

De vader van Maathai had in totaal vier vrouwen en tien kinderen. Hij had zijn eigen huis op het stuk grond, wat ‘het domein van de mannen, de jongens en de mannelijke bezoekers’ was.Ibidem, 38 Ook hadden zijn vier vrouwen, waaronder Maathai’s moeder, allemaal hun eigen huis, wat het domein van de vrouw en haar kinderen was.

In haar autobiografie beschrijft Maathai ook haar relatie met haar vader en moeder. Ze vertelt dat haar vader altijd de dominante figuur in hun gezin was en dat ze, net als haar broers en zussen, een zekere afstand tot haar vader hield.Ibidem, 31 Ze heeft dan ook niet zoveel persoonlijke herinneringen aan haar vader. Met haar moeder heeft ze daarentegen altijd een sterke band gehad. In haar autobiografie beschrijft ze haar moeder als een harde werker, lichamelijk en fysiek sterk en ‘ontzettend lief’. Toen Maathai acht jaar was, verhuisde ze met haar moeder naar Nyeri, waar ze voor het eerst naar school ging. Maathai was op die jonge leeftijd al een zeer leergierige leerling. Ze vond het fantastisch dat ze leerde lezen en schrijven.Ibidem, 68 Ook was ze toen al erg in de natuur geïnteresseerd; zo had ze haar eigen moestuintje waar ze uren achter elkaar naar de opkomende planten kon kijken en was ze veel in de bossen te vinden.Ibidem, 75

Onderwijs Na een paar jaar besloot haar moeder om haar naar St.-Cecilia te sturen, een internaat van de Mathari Katholieke Missie. Het hoofddoel van St.-Cecilia was eigenlijk de verspreiding van het christendom en het opleiden van de meisjes tot non, al had Maathai dat zelf eerst niet door. Ze heeft het er erg naar haar zin gehad, hoewel de omstandigheden op het internaat volgens haar ‘Spartaans’ te noemen waren.Ibidem, 89 Ze was nog steeds erg leergierig en bovendien heeft ze er vriendschappen voor het leven gesloten.Ibidem, 88

Toch waren er ook minder leuke dingen op het internaat; zo mochten de leerlingen alleen maar Engels praten en wanneer ze toch in hun moedertaal praatten, werden ze gestraft. Hierdoor kregen ze niet alleen het gevoel dat hun eigen taal en cultuur minderwaardig was, maar ontstond er vaak ook een grote kloof tussen de leerlingen en hun ouders. Bij Maathai zelf is dit gelukkig nooit gebeurd; ze is nooit haar drang om Kikuyu te praten verloren.

Terwijl Maathai op het internaat zat brak de Mau Mau-opstand tegen de Britse overheid uit: de beweging bestond uit ontevreden leden uit de Kikuyu-, Meru- en Embu-gemeenschap die zich verraden voelden door de Britten. Maathai maakte zelf niet veel van het conflict mee, maar op het internaat werden de leerlingen wel zo geïndoctrineerd dat ze geloofden dat de Mau Mau een terreurbeweging was.Ibidem, 100 Zo vertelt Maathai dat toen er op een avond in de buurt van het internaat geschoten werd ze moesten bidden en dat iedereen toen bad dat de Mau Mau-leden werden opgepakt: ‘Ik begreep niet dat de Mau Mau-beweging vocht voor onze vrijheid’.Ibidem, 98

In 1956 slaagde Maathai, als beste van haar klas, voor haar examen aan St.-Cecilia. Hierna werd ze toegelaten op de Loreto Girls’ High School in Limuru, vlak bij Nairobi. Op deze school zou haar belangstelling voor de exacte vakken gewekt worden.Ibidem, 109 Nadat ze in 1959 was geslaagd besloot ze door te studeren. Dit was in die tijd echter niet gebruikelijk; meisjes gingen de verpleging of het onderwijs in, als ze überhaupt al door studeerden.Ibidem, 105

Universiteit Doordat Kenia uiteindelijk richting de onafhankelijkheid ging waren er veel hoogopgeleide mannen en vrouwen nodig om belangrijke functies in de regering en de maatschappij in te nemen. Daardoor kregen veelbelovende studenten een beurs waarmee ze hoger onderwijs in de Verenigde Staten zouden kunnen volgen. Ook Maathai kreeg zo’n beurs aangeboden. Ze ging naar het Mount St.-Scholastica College in Atchison (Kansas). Hier volgde ze veel verschillende vakken, maar haar hoofdvak werd biologie. Maathai heeft zich op Mount St.-Scholastica College altijd thuis gevoeld en kreeg er veel vrienden.

Na haar kandidaatsexamen in exacte vakken in 1964 te hebben gehaald studeerde Maathai biologie aan de Universiteit van Pittsburgh. Hier kreeg ze van prof. Charles Ralph de opdracht om de pijnappelklier van de Japanse kwartel te onderzoeken, wat later haar scriptieonderzoek werd waarmee ze doctorandus in biologie werd. Maathai zegt in haar autobiografie dat ze veel van Amerika heeft geleerd: ‘ik ben er de persoon geworden die ik nu ben. Het land heeft mij geleerd geen kans onbenut te laten en te doen wat in je vermogen ligt, en er valt veel te doen. Het gevoel van vrijheid en onbegrensde mogelijkheden dat Amerika in mij wakker had gemaakt, zorgde ervoor dat ik hetzelfde wilde voor Kenia, en met dit gevoel was ik van huis gegaan’.Ibidem, 140

Toen Maathai in 1965 haar onderzoek afrondde, was Kenia al twee jaar onafhankelijk, en was de Keniaanse overheid op zoek naar personeel om vacatures op te vullen. Maathai werd benaderd door de Universiteit van Nairobi, die haar graag als onderzoeksassistent bij een professor in de zoölogie wilde hebben.

In 1966 keert ze voor het eerst sinds vijfenhalf jaar terug naar Kenia en naar haar familie. Hier kreeg ze echter te horen dat de professor de baan aan iemand anders had gegeven: iemand van zijn eigen etniciteit en geslacht.Ibidem, 144 Na maandenlang naar iets anders gezocht te hebben, kwam ze in Nairobi Rheinhold Hofmann tegen, een professor aan de Universiteit van Giessen in Duitsland. Hij had de opdracht een vakgroep Veterinaire Anatomie opzetten binnen de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit van Nairobi en hij had nog een assistent nodig op het gebied van microanatomie. Maathai kon zo alsnog aan de Universiteit van Nairobi werken.

Ook zou ze later een promotieonderzoek in Duitsland doen. Verder mag ze uiteindelijk ook zelf lesgeven.

Maathai heeft van 1966 tot 1981 aan de universiteit van Nairobi gewerkt.

In 2001 werd ze door James Gustave Speth, het voormalige hoofd van het UNDP, gevraagd om les te geven aan de School voor Bosbeheer en Milieukunde van de Yale-universiteit. Ze verzorgde hier samen met een ander een lesprogramma over duurzame ontwikkeling dat zich op het werk van de Green Belt Movement richtte. Ook sprak ze in veel panels over het milieu, Afrika en vrouwenkwesties.

In 2004 kende Yale haar een eredoctoraat in de humaniora toe.

Huwelijk In 1966 ontmoet Maathai de man met wie ze zou trouwen: Mwangi Mathai. Het huwelijk moest worden uitgesteld omdat Maathai voor twintig maanden in Duitsland aan haar onderzoek ging werken, maar uiteindelijk trouwden ze in mei 1969. Tegen die tijd had Mwangi Mathai zich ook kandidaat gesteld voor een parlementszetel en hield Maathai zich dus naast haar onderzoek en het lesgeven ook bezig met campagne voeren.

Maathai vertelt in haar autobiografie dat haar man het risico liep om stemmen te verliezen doordat zijn vrouw zo hoog was opgeleid.Ibidem, 156 Veel mensen vonden dat ze niet genoeg Afrikaans zou zijn. Toch lukte het Maathai, doordat ze nooit haar eigen taal en cultuur is vergeten, om veel tegenstanders te verbazen als ze op bezoek kwamen. Mwangi en Maathai kregen in totaal drie kinderen: Waweru, Wanjira en Muta. Uiteindelijk hield het huwelijk toch geen stand, voornamelijk doordat Maathai zo’n succesvolle vrouw was. Mwangi voelde zich waarschijnlijk geïntimideerd door een vrouw die het zo ver schopte in een door mannen gedomineerde wereld.Ibidem, 210 De scheiding leidde tot een grote rechtszaak, die Maathai verloor. Daarna heeft ze nog een paar dagen celstraf gehad omdat ze de rechter corrupt noemde. Verder mocht ze ook niet de achternaam van Mwangi houden, daarom voegde ze uit protest een extra A toe en heette ze voortaan Wangari Muta Maathai.Ibidem, 219

In haar autobiografie vertelt ze dat haar kinderen toch een goede band met beide ouders hebben gehouden, waar ze erg blij mee is.Ibidem, 228 De scheiding heeft het Maathai echter wel erg moeilijk gemaakt, vooral op politiek niveau. Zo wilden veel mannen niet dat hun vrouwen op haar zouden stemmen vanwege haar burgerlijke status.

Green Belt Movement De Green Belt Movement is een milieuorganisatie die bomen plant om zo de ontbossing tegen te gaan. Maathai beschrijft het idee hierachter als volgt: ‘The planting of trees is the planting of ideas. By starting with the simple act of planting a tree, we give hope to ourselves and to future generations’’What is the Green Belt Movement’, 12 October 2006, Green Belt Movement, 16 januari 2009, <https://web.archive.org/web/20090420052300/http://greenbeltmovement.org/a.php?id=178>. Het is bovendien een vrouwenorganisatie die vecht voor mensenrechten, goed bestuur en een vredevol democratische verandering door de bescherming van het milieu. Het is hun missie om gemeenschappen over de hele wereld in staat te stellen om het milieu te beschermen.Ibidem Ook betrekken ze, door middel van de bescherming van het milieu, de vrouwen bij duurzaam management van schaarse bronnen zoals water, economische ontwikkeling, goed bestuur en uiteindelijk vrede.

Ontstaan