Qianlong (27 september 1711 – 7 februari 1799) was van 1735 tot 1796 keizer van China. Hij was de vijfde keizer van de Qing-dynastie en de vierde van de dynastie die over China regeerde. Hij trad in februari 1796 af omdat hij uit respect voor zijn grootvader Kangxi, die 61 jaar had geregeerd, niet langer dan hij wilde regeren. Qianlong werd opgevolgd door zijn vijftiende zoon Jiaqing (1760–1820). Feitelijk behield Qianlong tot zijn overlijden in 1799 de werkelijke macht.

Tijdens zijn regeerperiode bereikte het rijk de grootste omvang ooit en nam de bevolking toe van ongeveer 220.000.000 naar 300.000.000 mensen. Qianlong versterkte de positie van het Chinese protectoraat over Tibet en verstevigde de controle over Mongolië dat sinds eind zeventiende eeuw deel uitmaakte van het rijk. Al 2000 jaar waren invasies in China uit het gebied van de noordelijke en westelijke steppen gekomen. Die bedreiging was nu definitief voorbij. Het rijk van Qianlong had een veel meer multi-etnisch karakter dan dat van welke keizer voor hem ook. Qianlong moest dan ook ten opzichte van verschillende bevolkingsgroepen – Mantsjoes, Han-Chinezen, Tibetanen en Mongolen – zijn rol en identiteit op een andere wijze invullen.

In grote delen van China was de gemiddelde levensstandaard tijdens het grootste deel van de periode van Qianlong hoger dan in West-Europa. Dat wordt onder meer afgeleid uit cijfers van consumptie van op zich niet essentiële zaken als bijvoorbeeld suiker dat in China per hoofd van de bevolking aanzienlijk hoger was. Het is echter ook onomstreden dat al in de laatste decennia van zijn periode grote spanningen en duidelijke signalen van falen van het systeem waarneembaar zijn.

Jeugd

Qianlong werd geboren als Hongli, de vierde zoon van keizer Yongzheng (1678–1735) die zelf de vierde zoon was van Kangxi (1654–1722). Hongli was de favoriete kleinzoon van Kangxi. Op de leeftijd van tien jaar verbleef hij ruim een jaar in de onmiddellijke nabijheid van zijn grootvader. Een aanzienlijk deel van zijn kindertijd bracht hij door met Changkya Rölpe Dorje (1717–1786), de latere derde Changkya Koetoektoe, de hoogste boeddhistische geestelijke in het gebied dat nu de huidige Chinese provincie Binnen-Mongolië is. Changkya Rölpe Dorje werd de belangrijkste adviseur inzake Mongoolse en Tibetaanse aangelegenheden van Qianlong en heeft een aantal malen een beslissende invloed op de keizer uitgeoefend.

Na de troonopvolging door zijn vader in 1722 verkreeg Hongli de titel Prins Bao. Voor de troonopvolging van Yongzheng waren er meerdere kandidaten, zoals zijn oudere halfbroer Hongshi en Yinsi, Prins Lian. Ieder van die kandidaten had de steun van te onderscheiden facties aan het hof. Een meerderheid ging er echter al relatief vroeg vanuit dat Hongli de troonopvolger zou worden. Hij werd door zijn vader betrokken bij strategische discussie over militair beleid, leidde inspectietochten naar het zuiden van het land en was regent in die periodes dat zijn vader in de hoofdstad afwezig was.

Yongzheng vermeed de crisissituatie die bij zijn eigen troonsbestijging aan de orde was geweest en had de keus voor zijn vierde zoon gelegitimeerd in een brief die geplaatst was in een verzegelde doos achter de troon. De keus voor Prins Bao werd in de aanwezigheid van de belangrijkste functionarissen aan het hof na zijn overlijden in 1735 voorgelezen; Prins Bao werd de vierde keizer van China van de Qing-dynastie.

Het was al sinds de Han-dynastie (260 v. Chr. – 220 n. Chr.) gebruikelijk dat Chinese keizers een nianhao, een jaartitel gaven aan hun regeerperiode. Die kon beschouwd worden als een soort motto voor het door hen na te streven doel. Prins Boa, toen vijfentwintig jaar oud, koos voor de jaartitel Qianlong. Qian heeft de betekenis van sterk/hemels en long dat van voorspoed. De naam Qianlong heeft de bedoeling een regeringsperiode aan te duiden die een periode van blijvende voorspoed zou zijn.

Beleidswijzigingen in de eerste jaren

Zijn eerste daad was het terugroepen van zijn vroegere mentor uit zijn jeugd, Zu Shi, die de eerste jaren als zijn belangrijkste adviseur functioneerde. Qianlong draaide in de eerste vijftien jaar van zijn regeerperiode een aantal maatregelen van zijn vader terug. Het fanatieke beleid van zijn vader om steeds meer land tot landbouwgrond te bestemmen werd afgezwakt. Het belangrijkste was dat hij de rol van de staat verminderde. Qianlong was van opvatting dat de rijkdom van een land meer in handen van de inwoners moest zijn. Een aantal belangrijke fiscale maatregelen die zijn vader had genomen om de belastingopbrengst te vergroten maakte hij ongedaan. In de eerste tien jaar van zijn periode voerde hij een serie belastingverlagingen door. In 1745 bij de viering van het tienjarig bestaan van zijn periode voerde hij een gedeeltelijke kwijtschelding van belasting op landbezit door. Het was een uiting van het confuciaanse goedhartige bestuur, dat Qianlong beoogde.

Hij beëindigde hiermee het beleid van zijn vader om een staatsapparaat te creëren dat financieel in staat zou zijn om in economische zin te interveniëren. Deze beslissingen kregen na de periode van Qianlong ernstige consequenties. Het oordeel van de meeste hedendaagse historici is, dat de Chinese bevolking feitelijk te weinig belasting betaalde. Het had tot gevolg dat de staat uiteindelijk in toenemende mate moeilijkheden kreeg doordat het genoegen nam met een steeds kleiner deel van het bruto nationaal product en met het financieren van nieuwe uitdagingen in een economie met soms aanzienlijke inflatie.

De belangrijkste staatkundige innovatie van de Mantsjoes was het oprichten van een kernkabinet geweest, het Strategisch Bureau. Aanvankelijk was het bedoeld als een dagelijks adviesorgaan voor de keizer voor zijn militaire expedities. De Chinese naam junjichu betekent letterlijk Plek voor Militaire Aangelegenheden. Aan het eind van de periode van Yongzheng werd het de plek waar alle belangrijke strategische beleidsbeslissingen voor alle sectoren werden besproken. Het had meestal vijf, zes leden die dagelijks met de keizer bijeenkwamen. De personele samenstelling van het Bureau bestond vrijwel altijd geheel uit Mantsjoes.

Vanaf de periode van Qianlong neemt de invloed en het belang van dit kernkabinet en de staf daarvan steeds toe. Ook Qianlong moest iedere beslissing van groot belang zelf goedkeuren en legitimeren. Qianlong heeft ook enkele malen beslissingen genomen die haaks stonden op de adviezen van zijn adviseurs. Meer in het algemeen geldt toch ook, dat vanaf zijn periode Chinese keizers veel meer dan zijn vader en grootvader onderdeel worden van een proces van collectieve besluitvorming. In de periode van de Late Qing tijdens de negentiende eeuw wist het Strategisch Bureau ook in perioden van zwakke keizers een continuïteit in leiderschap te waarborgen.

Etniciteit en ideologie

De oorsprong van de Mantsjoes lag in Mantsjoerije bij de Aisin Gioro, een van de vele clans die in het gebied leefden. Onder Nurhaci (1559–1626) wist de clan door verovering en allianties de dominante te worden van alle stammen van de Jurchen en overige stammen ten noordoosten van het Chinese rijk. Onder zijn zoon Hong Taiji (1592–1643) kwam de multi-etnische coalitie tot stand die hij in 1635 als Mantsjoes benoemde. In 1636 hernoemde Hong Taiji de naam van de dynastie en gaf die de naam Qing. (Helder). Personen en groepen in dit deel van het huidige China werden in die periode niet ingedeeld op basis van vermeende etniciteit, maar veel meer op basis van levensstijl, loyaliteit en taal. Han-Chinezen die het gezag van Nurhaci accepteerden, levensstijl en taal overnamen konden onderdeel van de identiteit Jurchen worden. Hetzelfde gold voor Mongolen in de gebieden die in het westen aan Mantsjoerije grensden. Ook transities van Jurchen naar Chinees kwamen voor.

In 1644 veroverden de Mantsjoes Peking. Er werd in de westerse geschiedschrijving tot ongeveer 1970 uitgegaan van de notie dat de Mantsjoes na hun overwinning op de Ming-dynastie net als andere veroveraars van China al spoedig overgingen tot het op een Chinese wijze van regeren voor het legitimeren van hun rol. In die notie waren zij dus snel geciviliseerde Chinezen geworden. De geschiedschrijving van de eenentwintigste eeuw is van opvatting dat zoiets nooit geheel is gebeurd.

Voor de eerste keizers van de Qing-dynastie, Nurhaci en Hong Taiji waren levensstijl en taal bepalend voor de identiteit Mantsjoe. Yongzheng definieerde Mantsjoe nog als een plek van afkomst, een richting zoals het noorden of zuiden. Qianlong nam hier scherp afstand van. Hij beschreef loyaliteit als het hoogste goed met het gevolg dat hij Han-troepen die van de Ming naar de Qing waren overgelopen in feite als verraders beschouwde. Het begrip vendelsoldaat en Mantsjoe werd hiermee in hoge mate identiek. Het zijn van Mantsjoe werd vanaf deze periode voor het eerst vooral op basis van etnische, zelfs raciale factoren bepaald. Die herdefinitie is lange tijd bepalend geweest in latere ook westerse geschiedschrijving. Deze poging van Qianlong tot het scheppen van een veel scherper gedefinieerde Mantsjoe-identiteit had onder het meer geletterde deel van een aantal groepen Han-Chinezen tot gevolg dat ook daar een sterkere etnische identiteit ontstond. Die heeft aanzienlijk bijgedragen tot racistische anti-Mantsjoe gevoelens vanaf het midden van de negentiende eeuw.

Het rijk van Qianlong had een veel multi-etnischer karakter dan het rijk van welke keizer daarvoor ook. De consequentie was dan ook, dat hij ten opzichte van verschillende bevolkingsgroepen ook verschillende rollen had. Voor de Han moest hij de Zoon van de Hemel en in het bezit van het Hemels Mandaat zijn. Voor de Mongolen was hij de Khan van de Khans en voor de Tibetanen de emanatie van de bodhisattva Manjushri. Dat was een wezenlijk andere rol dan die van de keizers van vorige dynastieën. Qianlong positioneerde zich als de Chakravartin, de universeel heerser die als belichaming van dat multi-etnische rijk het ordenende principe van alle inwoners van het rijk was en de legitimatie van noodzakelijke strengheid en ultieme rechtvaardigheid.

Het is een punt van debat op het vakgebied in hoeverre Qianlong zich in persoonlijke zin wel of niet aangetrokken voelde tot het Tibetaans boeddhisme. Duidelijk is echter dat in zijn beleid godsdienst een instrument was van politieke opportuniteit. De ideologische overtuiging van Qianlong was, dat godsdiensten in wezen instrumenten waren die zich (moeten) richten op de pacificatie van allen die in het (Chinese) Rijk leven.

Als na 1760 het rijk zijn definitieve omvang heeft bereikt gaat Qianlong een beleid voeren ten aanzien van het syncretiseren van met name boeddhistische en Chinese godheden. Guan Yu (overleden 219) was een generaal onder de krijgsheer Liu Bei gedurende de overgangperiode van de Oostelijke Han-dynastie naar de periode van de Drie Koninkrijken. Zijn daden worden beschreven in een roman uit de 14e eeuw, de Roman van de Drie Koninkrijken. Dit is een van de vier klassieke romans van de Chinese literatuur.

Verering van Guan Yu als een oorlogsgod was er al onder eerdere dynastieën dan die van de Qing. De Mantsjoes hadden echter een zeer grote bewondering voor Guan Yu. De eerste vertaling van de Roman van de Drie Koninkrijken in het Mantsjoe kwam al in 1647 uit. Changkya Rölpe Dorje schreef een Gebed voor Guan Yu. In dit werk syncretiseert hij Guan Yu met de boeddhistische godheden als onder meer Yamantaka. Guan Yu wordt hierin vereerd als de verspreider van het boeddhisme en die zich richt op de pacificatie van allen die in het (Chinese) Rijk leven. Guan Yu werd tevens gesyncretiseerd met koning Gesar.

Het Chinese protectoraat over Tibet thumb|275px|Banket aan het hof van Qianlong bij de viering van de overwinning op het Nepalese leger in 1793