Criminologie is een gedragswetenschap die als studie-object het crimineel gedrag heeft, en de maatschappelijke reactie op dergelijk gedrag.

Onderzoeksgebied Binnen de criminologie is het proces van (de)criminalisering een belangrijk onderzoeksdomein. Enkele subdomeinen zijn: delinquentie penologie victimologie (on)veiligheid preventie dreiging (terrorisme, extremisme, georganiseerde misdaad, spionage, ...)

Interdisciplinair karakter criminologie De criminologie maakt gebruik van meerdere disciplinaire invalshoeken: psychologie: criminologische psychologie en rechtspsychologie. psychiatrie: forensische psychiatrie of psychopathologie sociologie : criminologische sociologie en rechtssociologie. recht, meer bepaald het strafrecht en strafprocesrecht. filosofie: rechtsfilosofie, cultuurfilosofie, .. statistiek, criminalistiek polemologie zemiologie biologie politicologie geschiedenis onderzoeksmethodologie (kwalitatief & kwantitatief onderzoek) geneeskunde: forensische psychiatrie of psychopathologie antropologie voor bijvoorbeeld onderzoek naar criminaliteit bij bepaalde etnische groepen economie voor bijvoorbeeld de studie van effectiviteit van straffen via het economisch concept van elasticiteit. Of aanpak van criminaliteit door aanpak van de economische voordelen van de delinquent. politieke geschiedenis

Het klassieke paradigma Het klassieke paradigma in de criminologie gaat uit van een rationeel mensbeeld. Delinquent en crimineel gedrag worden gezien in termen van vrije wil of keuze. Dit heeft individuele verantwoordelijkheid tot gevolg, waardoor er vanuit de samenleving, specifieker de overheid, mogelijkheid is tot repressie in de vorm van straf. Het klassieke paradigma heeft zijn wortels in het 'sociaal-contractdenken' en het 'utilitarisme', maar er is ook een link met het christelijk denken.Onfray, M. (2005). Atheologie. Amsterdam: Mets & Schilt uitgevers. (P.68) De volgende stromingen kunnen onderscheiden worden:

Afschrikking Betreft het principe dat handelingen achterwege worden gelaten vanwege de negatieve gevolgen ervan voor de dader. Zo komt men tot de overtuiging dat men straffen moet opleggen, om mensen af te schrikken delicten te plegen. Dit geldt individueel voor een eerdere dader, om te voorkomen dat deze recidiveert: speciale preventie, en algemeen voor potentiële daders en voor de samenleving als geheel, ter voorkoming van criminaliteit: de generale preventie.

Situationele benadering en gelegenheidstheorie Niet persoonsgebonden, psychologische, maar omgevingsgebonden, sociologische factoren liggen aan de basis van criminaliteit. Steden zijn onveilig vanwege de gelegenheid die ze bieden tot criminaliteit. De omvang van criminaliteit wordt bepaald door drie factoren: aantal potentiële daders, aantal aantrekkelijke doelwitten en de mate van toezicht op, en de bescherming van deze doelwitten – "de gelegenheid maakt de dief" is een bijpassend gezegde.

De routineactivititeitenbenadering Een macrosociologische verklaring die stelt dat criminaliteit functie is van toeval en van het tegelijkertijd optreden van aanwezigheid van gemotiveerde daders, een aantrekkelijk doelwit en afwezigheid van adequaat toezicht.

Rechtsrealisme Het rechtsrealisme legt de nadruk op de kosten/baten en daarin vooral op de kosten (kosten verhogen of baten verlagen). Men moet vooral de nadruk leggen op zekerheid van de straf en op snelheid van straf, niet op de zwaarte van de straf want dit zou tot wraak leiden. Dus de pakkans, veroordelingskans en de kans op gevangenisstraf. Aan de kant van de baten moet de aantrekkelijkheid van alternatieven worden verhoogd.

Het positivistische paradigma De biologische stroming In de biologische stroming wordt naar oorzaken en wetmatigheden van criminaliteit gezocht in het individu waar een link wordt gelegd tussen criminaliteit en lichamelijke factoren. De biologische stroming kan onderverdeeld worden in verschillende subgroepen:

Vroege biologische theorieën thumb|Cesare Lombroso Lombroso: Het idee is dat delinquentie een aangeboren afwijking is ten gevolge van degeneratieve stigmata, overgegeven van vroegere generaties (asymmetrie in het gezicht, zware kaken, ongewoon grote of kleine oren, flaporen, wijkende kin, lange armen, extra vingers of tenen). Dit hangt samen met afwijkend gedrag: grote beweeglijkheid, ongevoeligheid voor pijn, luiheid, ijdelheid, gokzucht. De aanpak van criminaliteit bestaat er dan in een behandeling en gedragsverandering te bewerkstelligen in functie van re-integratie. Ferri: Volgens Ferri is criminaliteit functie van een aantal fysische factoren (ras, temperament, ...), individuele kenmerken (psyche, leeftijd, sekse, ... ) en sociale factoren (godsdienst, populatie, cultuur, ...). Als men criminaliteit wil aanpakken moet men de levensomstandigheden (sociale factoren) verbeteren: subsidiëring van woningen, geboortecontrole (bij groepen/mensen die veel criminaliteit plegen)en zorgen voor openbare ontspanningsfaciliteiten. Garofalo: De samenleving is een natuurlijk lichaam. Misdaad/inbreuken tegen die samenleving, zijn tegen de natuur van de samenleving. Delicten gaan in tegen het respect voor de eigendomsrechten van anderen (inbreuken tegen eigendomsrechten) en de afkeer die men ervaart bij het toedienen van schade/pijn aan anderen (inbreuken tegen personen). Gedragsregels worden afgeleid uit logisch denken. Bij delinquenten ontbreekt het aan logisch denken en ontwikkelde altruïstische gevoelens. Wie zich niet aan de natuurlijke wetten kan houden, dient ‘uitgeschakeld’ te worden: op transport naar kolonies overzee of levenslange gevangenisstraf.

Erfelijkheid Deze gedachtegang uit ongeveer 1900 beschouwt criminaliteit als aangeboren, net als andere fysieke kenmerken. Om deze hypothese verder te staven ontstonden drie pistes van wetenschappelijk onderzoek: delinquente families; identieke tweelingen: adoptie-onderzoek.

Genetische afwijkingen Mannen met een extra Y-chromosoom (mannelijk) zouden agressiever zijn, mannen met een extra X-chromosoom (vrouwelijk) zouden een gebrek aan mannelijkheid hebben. Mannen met een XYY-constellatie zouden al op lagere leeftijd reeds een veroordeling hebben, instabiel zijn, onvolwassen, zonder schuldgevoel en meerdere schijnbaar zinloze vermogensdelicten begaan (Price en Watmore, 1967). Later onderzoek toont echter aan dat een vast XYY-chromosoom niet bestaat en dat bij de grote meerderheid van XYY- en XYX-gevallen er geen sprake is van delinquentie. Al zou er een systematisch verband zijn, dan moet men nog altijd rekening houden met het effect van stigmatisering/labeling.

Lichaamsbouw De aanleg voor criminaliteit wordt weerspiegeld in de vorm van het lichaam. De typologie van Kretschmer (1921) Asthenici: magere ribbenkast Athletici: breedgeschouderd, brede borstkas, sterke benen, gespierde buik Pycnici: middelmatige lichaamsbouw, ‘dikkertjes’, ronde schouders, breed gezicht, korte handen Mengtype

Asthenici en athletici zouden eerder een schizofrene persoonlijkheid vertonen, pycnici daarentegen een bipolaire stoornis.

De typologie van Sheldon (1949) (gebaseerd op jonge mensen (15-21 jaar)) Endomorf: ronde dikke vormen, korte ledematen, smalle beenderen, zachte huid Mesomorf: atletisch: brede borstkas, polsen en handen, gespierd Ectomorf: mager, breekbaar; smal beenderstelsel, afhangende schouders, smal gezicht, scherpe neus

Samenhang tussen lichaamstype en temperament Endomorf: gesteld op ontspanning, lekker eten, gezelligheid, luxe, behoefte aan affectie, traag reageren Mesomorf: neiging tot activiteit, dynamiek, avontuurlijkheid, moed, lawaaiigheid, assertiviteit, dominantie en agressie Ectomorf: introversie, sociale geremdheid, veel klachten over lichaamsfuncties, overgevoeligheid voor prikkels, krampachtigheid in gedrag, grote behoefte aan privacy

De samenhang tussen lichaamstype en criminaliteit zou er dan in bestaan dat 60% van de delinquenten eerder mesomorf is (Glueck en Glueck, 1950). Toch is het niet duidelijk of het nu lichaamsbouw is of er meer speelt, zoals een labeling-effect. Al zou er een verband zijn dan is er een derde verklaring mogelijk, zoals bv. een socioculturele verklaring (relatieve deprivatie, tot bepaalde klasse behoren).

Hersenletsel Deze theorieën zeggen niet dat criminaliteit het gevolg is van hersenletsel, daar is weinig bevestiging voor. Echter wijzen enkele casestudies op een mogelijk verband tussen criminaliteit en: MBD(minimal brain damage): via leermoeilijkheden, ook een verband met vergeetachtigheid, concentratieverlies en verminderde spontaniteit in het denken Organische psychosen encefalitis: destructief gedrag, impulsiviteit, afwijkend seksueel gedrag, brandstichting seniliteit: paranormale waandenkbeelden, afwijkend seksueel gedrag en brandstichting ziekte van Huntington: ongecontroleerde bewegingen, apathie en klinische depressie hersentumor (temporale hersenkwab): activeren van het neurologisch systeem m.b.t. tot agressie. Dit kan leiden tot woede- en geweldsuitbarstingen epilepsie (temporale hersenkwab): kan leiden tot uitbarsting van geweld ADHD: leerproblemen etc.

Verder wijst (experimenteel)onderzoek op een verband tussen agressie en stoornissen in het limbische systeem, en mogelijk ook tussen EEG-stoornissen en zware criminaliteit (geweld, moord).

Specifieke biochemische processen Er zou een causaal verband bestaan tussen een lagere concentratie in het bloed van de neurotransmitter serotonine, en impulsief, gewelddadig gedrag bij antisocialen.

Bij geslachtshormonen zou testosteron tot meer agressie leiden, doch stelt men vooral een verband vast met verbale agressie. Waarbij een lage testosteronspiegel op verminderde agressie en seksualiteit wijst. Ook zou er enige correlatie zijn tussen het testosteronniveau en het leeftijdsniveau waarop men criminaliteit pleegt. Anderen zeggen dat de behandeling met testosteron (verhogen, verlagen) geen impact heeft op agressie, maar wel op seksuele interesse. Ook blijkt dat er geen correlatie is tussen de zelf gerapporteerde agressie-testosteronspiegel bij normale populaties, en dat testosteron wellicht functie kan zijn van sociale factoren. Uit onderzoek is gebleken dat de testosteronspiegel van apen verhoogt of verlaagt naargelang ze stijgen of dalen in de sociale hiërarchie.

De psychologische stroming Juist zoals bij de biologische stroming wordt gezocht naar oorzaken en wetmatigheden van criminaliteit in het individu, maar criminaliteit wordt bekeken vanuit een specifiek psychologische invalshoek. Vanuit een vrije wil benadering zoals bij afschrikkingstheorieën of vanuit een visie waarin men de delinquente ziet als een 'zieke' of 'afwijkende'. Bij deze kan men verschillende subgroepen onderscheiden:

Psychodynamische theorieën Hier worden de uitgangspunten van de klassieke psychoanalyse van Freud gebruikt om naar criminaliteit te kijken. Het psychisch functioneren berust op wisselwerking van drie entiteiten : het Id (Duits: Es), Ego (Duits: Ich), Superego (Duits: Über-Ich) die als hydraulisch systeem werken Id: egocentrisch lustprincipe en destructieve impulsen Ego: geleid door het realiteitsprincipe. Realiteitsgericht denken en verbeelding.(vb. uitstellen van gratificatie) Superego: geïnternaliseerde groepsnormen. Geweten: morele normen Ego-ideaal: ideaalbeeld van zichzelf Zo kunnen bv. psychopaten gezien worden als mensen met een zwak superego. Bij mensen met een sterk superego kunnen zeer sterke schuldgevoelens niet als gevolg maar als oorzaak van criminaliteit beschouwd worden.

Biologisch-psychologische theorieën Hans Eysenck legt via biologische substraten en leerprocessen een multifactoriële band met criminaliteit. Volgens hem hangt extraversie (personen die sociaal zijn, vrienden maken, niet graag alleen zijn, risico’s nemen (opwinding), impulsief, agressief, emoties niet goed onder controle kunnen houden) samen met het activatieniveau van de hersenen ('corticale arousal').