Mierenleeuwen (Myrmeleontidae) zijn een familie van insecten die behoren tot de orde netvleugeligen (Neuroptera). Mierenleeuwen zijn een vrij kleine en relatief uniforme groep. De volwassen exemplaren van de verschillende soorten hebben een vergelijkbare lichaamsbouw en ook de levenswijze komt sterk overeen. Er zijn ongeveer 1500 verschillende mierenleeuwen beschreven die verspreid over de gehele wereld voorkomen. Veel mierenleeuwen leven in tropische en subtropische gebieden, maar sommige soorten komen voor in meer gematigde streken zoals noordelijk Europa.

Mierenleeuwen danken hun naam aan de roofzuchtige larven die gespecialiseerd zijn in het vangen van bodembewonende insecten. Ze maken vooral mieren buit, maar ook andere kleine diertjes worden gevangen met behulp van een zelfgegraven valkuiltje. De volwassen dieren of imagines daarentegen leven niet van mieren maar van vliegende insecten of plantensappen. Ze lijken wat betreft uiterlijk op een kruising tussen een gaasvlieg en een waterjuffer. Volwassen mierenleeuwen worden wel mierenleeuwjuffers genoemd en zijn te herkennen aan de lange en vrij dikke antennes die aan het einde naar de buitenzijde gekromd zijn en doen denken aan een hockeystick.

Mierenleeuwen zijn goed gecamoufleerde en onopvallende diertjes die ondanks de lengte van vaak enkele centimeters gemakkelijk over het hoofd worden gezien.

Taxonomie en indeling De volwassen exemplaren worden wel mierenleeuwjuffer genoemd maar de Nederlandse naam mierenleeuw wordt gebruikt voor zowel de larve als het volwassen insect of imago, net als in de Engelse taal. In de Duitse taal wordt wel een strikte scheiding aangehouden tussen de larve (Ameisenlöwe) en het volwassen insect (Ameisenjungfern). De mierenleeuwen hebben daarnaast enkele alternatieve namen, zoals de Amerikaanse naam 'doodlebug'. Deze naam kan vertaald worden met krabbelbeestje en slaat op de door elkaar lopende sporen die ze in het zand achterlaten waardoor het lijkt alsof iets in het zand is gekrabbeld. Niet alle soorten maken echter dergelijke sporen, de larven van een aantal soorten leven in spleten in rotsen en bomen. De larven van de twee soorten die in België en Nederland voorkomen hebben wel een dergelijke levenswijze en maken beide valkuilen.

De wetenschappelijke naam van de groep verwijst naar de levenswijze van de larve; Myrmeleontidae is een samentrekking van myrmex, dat 'mier' betekent en leon dat 'leeuw' betekent. De wetenschappelijke naam voor de groep werd voor het eerst geopperd door de Franse entomoloog Pierre André Latreille in 1802.Data Portal of the Global Biodiversity Information Facility - Classification of Family: Myrmeleontidae (Latreille)

Indeling thumb|260px|Verschillende opgeprikte soorten, de Palpares- soorten onderaan behoren tot de grootste ter wereld. Linksboven is de 'gewone' mierenleeuw te zien die onder andere in de Benelux voorkomt. Mierenleeuwen behoren tot de netvleugeligen (Neuroptera), dit is een grote groep van insecten waarvan de subgroepen enkele gemeenschappelijke kenmerken delen maar ook een enorme verscheidenheid vertonen. Alle netvleugeligen hebben vier grote vleugels die een duidelijk netachtig patroon van vleugeladeren bezitten waaraan de naam te danken is. Bekende groepen zijn de gaasvliegen (Chrysopidae) en de stofgaasvliegen (Coniopterygidae). Sommige netvleugeligen lijken meer op vlinders, zoals de vlinderhaften (Ascalaphidae). Veel netvleugeligen zijn te onderscheiden aan hun antennes; die van gaasvliegen zijn lang en draad-achtig. De antennes van vlinderhaften zijn erg lang en dun en eindigen altijd in een duidelijk knop. Mierenleeuwen hebben relatief dikke antennes met een zijwaarts gebogen uiteinde.

De vroegst bekende fossielen van mierenleeuwen stammen uit het Boven-Krijt, deze soorten leefden zo'n 130 miljoen jaar geleden. Er worden regelmatig nieuwe fossiele soorten beschreven, zoals de in 1996 door Poinar en Stange beschreven Porrerus dominicanus. Dit exemplaar is goed geconserveerd omdat het insect in amber is ingesloten en zo goed is te bestuderen. De soort wordt tot de onderfamilie Palparinae gerekend, waar nog moderne vertegenwoordigers van zijn. Ook van andere moderne onderfamilies zijn fossiele soorten bekend, zoals Stilbopteryginae en Myrmeleontinae.

De mierenleeuwen zijn door verschillende biologen onderzocht. Een bekende plaat waarop de verschillende stadia en onderdelen van mierenleeuwen gedetailleerd zijn uitgewerkt is getekend door Antonio Vallisneri in 1733. Een andere tekening van de larven is bekend van René-Antoine Ferchault de Réaumur die het publiceerde in 1738.

Onderfamilies De familie van de mierenleeuwen is volgens een indeling van Victor Krivokhatsky uit 1998 verdeeld in 12 verschillende onderfamilies.Z-Insecta - Myrmeleontidae - Website De bekendste onderfamilie is de groep Myrmeleontinae, hiertoe behoren onder andere de twee soorten die in België en Nederland voorkomen.

In de onderstaande uitklapbare tabel zijn alle onderfamilies weergegeven, met de auteur en het soortenaantal. Onderfamilie Auteur Soorten Acanthaclisinae Navás, 1912 102 Brachynemurinae Banks, 1927 116 Dendroleontinae Banks, 1899 233 Dimarinae Navás, 1914 4 Echthromyrmicinae Markl, 1954 4 Glenurinae Banks, 1927 140 Myrmecaelurinae Esben-Petersen, 1918 174 Myrmeleontinae Latreille, 1802 222 Nemoleontinae Banks, 1911 355 Palparinae Banks, 1911 128 Pseudimarinae Markl, 1954 5 Stilbopteryginae Weele, 1908 10

Uiterlijke kenmerken 260px|thumb|Lichaamsdelen van de mierenleeuw: Mierenleeuwen hebben een langwerpig achterlijf dat rond in doorsnede is en een iets verdikt borststuk dat aan de voorzijde wat is verlengd. Aan de voorzijde bevindt zich een relatief kleine kop met twee duidelijk zichtbare ogen. Mierenleeuwen zijn gevleugelde insecten die vier langwerpige en gelijkende vleugels bezitten. De lichaamslengte is doorgaans ongeveer de helft van de spanwijdte. Een aantal mierenleeuwen blijft erg klein, zo is een Arabische mierenleeuw bekend die een spanwijdte heeft van ongeveer 2 centimeter. De meeste soorten worden wat groter en bereiken een spanwijdte van ongeveer 5 tot 10 centimeter. De grootste exemplaren behoren tot het Afrikaanse geslacht Palpares en kunnen een vleugelspanwijdte bereiken van 16 centimeter.De meeste mierenleeuwen hebben onopvallende kleuren zoals bruin en grijs en grillige vlekken zodat ze niet opvallen als ze tegen bomen of planten rusten. Er zijn echter uitzonderingen, zoals de Australische soort Callistoleon erythrocephalus die een opvallende oranje kop en borststuk heeft.Brisbane Insects and Spiders Home Page - Family Myrmeleontidae - Antlions - Website. Gearchiveerd op 27 november 2024.

Kop De kop van een mierenleeuw is klein en valt op door de antennes. Deze zijn voor insecten ongebruikelijk lang en dik. Ze vallen met name op doordat ze een naar de buitenzijde gekruld einde hebben, waardoor de antenne veel weg heeft van een hockeystick. Bij veel soorten zijn de segmenten van de antennes goed te onderscheiden. De mierenleeuw heeft zogenaamde samengestelde ogen, die bestaan uit vele honderden kleine oogjes die de ommatidiën worden genoemd. De ogen zijn rond en kraalachtig en zijn in vergelijking met andere insecten tevens vrij groot. Het oog lijkt bij nadere beschouwing een 'pupil' te hebben. Dit wordt veroorzaakt door een optische illusie waarbij het licht op een bepaalde manier uit de ogen terugkaatst. Dit komt ook voor bij andere insecten met grote ogen zoals bidsprinkhanen.Jerry Dalrymple - The Praying Mantis - Website Mierenleeuwen hebben in tegenstelling tot andere insecten geen enkelvoudige oogjes of ocelli aan de bovenzijde van de kop.De monddelen bestaan uit de kaken of mandibels die vrij groot zijn en een knippende en bijtende werking hebben. Aan de bovenzijde van de mandibels is een paar kaaktasters gelegen, dit zijn de palpi maxillares. Aan de onderzijde van de mandibels is een paar palpi labiales gelegen. Deze twee paar uitsteeksels ondersteunen de mandibels bij het eten van een prooi.

Borststuk thumb|Zijaanzicht van borststuk en kop (met hockeystikvormige antenne) van een onbekende soort (Bobo-Dioulasso, Burkina Faso, oktober 2015). Het borststuk is verbreed en draagt aan de bovenzijde twee paar vleugels en aan de onderzijde drie paar poten. De poten zijn gesegmenteerd en bestaan net als bij andere insecten uit respectievelijk de coxa of heup, het femur of dij, de tibia of scheen en ten slotte de voet of tarsus. De tarsus is het enige segment dat bestaat uit deelgeledingen; aan het uiteinde zijn gehaakte klauwtjes aanwezig waarmee de mierenleeuw zich aan de ondergrond hecht.

De mierenleeuw heeft twee paar vleugels die vliesachtig en doorzichtig zijn. Het voorste paar worden de voorvleugels genoemd en het achterste paar de achtervleugels. Alle vleugels zijn ongeveer hetzelfde van vorm en structuur, in tegenstelling tot veel andere insecten waarbij één verhard (voor)vleugelpaar het andere vliesachtige (achter)vleugelpaar beschermt, zoals voorkomt bij de kevers en wantsen.De vleugels zijn te onderscheiden van die van andere insecten door de aanwezigheid van een relatief zeer lange hypostigmatische cel. Dit is een vergrote en langwerpige cel in iedere vleugel. Het hypostigma is gelegen in de buurt van de vleugelpunt of apex. Veel soorten die sterk op elkaar gelijken kunnen onderscheiden worden aan de relatieve lengte en hoogte van deze cel. Fossielen van insecten bestaan vaak uit alleen een vleugel of zelfs slechts een afdruk hiervan. Hierdoor is het hypostigma eveneens een belangrijk identificatiekenmerk voor fossiele mierenleeuwen. Een aantal soorten heeft ook een donker vlekje aan de bovenste vleugelrand, dat het pterostigma wordt genoemd. Het oppervlak is verdikt waardoor het pterostigma zwaarder is en het zwaartepunt van de vleugel verlegd. De aanwezigheid en de vorm en positie van het pterostigma kan karakteristiek zijn voor de soort.

Achterlijf Het grootste deel van het lichaam bestaat uit het langwerpige en cilindrische achterlijf of abdomen. Het achterlijf draagt geen verdikkingen of extremiteiten en bestaat altijd uit tien segmenten die zowel aan de boven- als onderzijde als zodanig te herkennen zijn. Het achterlijf bevat het grootste deel van het spijsverteringskanaal, daarnaast zijn de anus en de geslachtsorganen aan het einde van het achterlijf gepositioneerd. Aan het uiteinde van het achterlijf zijn twee achterlijfsaanhangsels of cerci aanwezig. Deze spelen een belangrijke rol tijdens de paring.

Onderscheid met andere groepen

Op het eerste gezicht lijkt de volwassen mierenleeuw sprekend op een waterjuffer, een libel uit de groep juffers. Een mierenleeuw is echter makkelijk van een waterjuffer te onderscheiden door de antennes. Deze zijn bij alle waterjuffers zeer klein, dun en draadachtig en hierdoor moeilijk zichtbaar. Bij mierenleeuwen echter zijn de antennes zonder uitzondering dik en duidelijk gesegmenteerd, de antennes eindigen altijd hockeystickachtig; het uiteinde is naar de zijkant gekromd. Andere verschillen zijn de vleugels, die bij mierenleeuwen in rust als een dakje over het achterlijf worden gevouwen, maar bij de juffers achter het lichaam worden samengeklapt, dus niet plat op de rug. Ook zijn waterjuffers in de regel overdag actief en mierenleeuwen 's nachts. Overdag rusten ze en vertrouwen op de camouflage, ze laten zich van de ondergrond plukken. Waterjuffers daarentegen zijn erg schuw en laten zich niet benaderen.

Mierenleeuwen kunnen ook verward worden met soorten uit de familie Osmylidae. Deze verwante netvleugeligen hebben een gelijkende bouw maar duidelijk verschillende, draadvormige antennen. De larve van de valkuilen gravende soorten is door de gedrongen lichaamsbouw en de ingegraven levenswijze niet met andere insectenlarven te verwarren. Vrijlevende soorten zijn als larve vanwege de grote kaken te verwarren met larven van bijvoorbeeld gaasvliegen.

Levenswijze thumb|left|280px|Schematische levenscyclus van de mierenleeuw.