Aloïs De Beule (Zele, 27 augustus 1861 – Gent, 15 december 1935) was een Belgisch beeldhouwer.

De Beule liep school aan het kunstambachtelijke Sint-Lucasinstituut en had van 1888 tot aan zijn dood in 1935 een atelier met meerdere medewerkers in Gent. Hij begon zijn loopbaan als beeldhouwer van neogotische kruiswegen, heiligenbeelden en andere beeldhouwwerk voor kerken en kloosters. In 1898 ontwierp hij drie monumenten ter herdenking van de Boerenkrijg en in 1913 brak hij door in burgerlijke kringen met Het Ros Beiaard en de Vier Heemskinderen op de wereldtentoonstelling in Gent. Na de Eerste Wereldoorlog maakte zijn atelier tien jaar lang oorlogsmonumenten naast het gebruikelijke religieuze beeldhouwwerk. De Beules werk varieert van neomiddeleeuwse neogotiek tot realistische sculpturen, met af en toe invloeden uit de dominante art deco op het einde van zijn carrière.

Biografie Familie en jeugd Op 27 augustus 1861 werd Aloysius"Aloïs De Beule", RKD Research, RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, 14 november 2025, online geraadpleegd op 6 september 2026. De Beule geboren in Zele, in de wijk Veldeken. Hij was de vijfde in een gezin van zes kinderen. Zijn vader was Joannes Baptista De Beule, schoenmaker. Zijn moeder Anna Coleta Roels was huisvrouw en naaister.De Geest (2016), p. 10. Zijn grootvader en overgrootvader langs vaders kant waren beiden timmerman. "Huwelijksakte van Petrus Fernandus De Beule et Isabelle Theresa Roggeman", Huwelijksakten Zele (1803-1810), Agatha (Rijksarchief), p. 510, online geraadpleegd op 7 september 2026.

Aloïs De Beule was een "brave, zachte knaap" die moeite had op school en eerder zat te dromen en tekenen. Na zes jaar lagere school in de gemeenteschool ging Aloïs op tienjarige of dertienjarige leeftijd aan de slag in het schoenmakerswerkhuis van zijn vader. Hij bleef er werken tot zijn 23ste, in 1884.De Geest (2016), p. 21.

Opleiding tot beeldhouwer Het gezin De Beule had het niet breed, maar had wel aandacht voor cultuur. Zo werden er boeken gelezen, van Hendrik Conscience en over de levens van heiligen, martelaars en volkshelden.De Geest (2016), p. 21-22.De Knibber (1936), p. 13. In zijn oudste zoon Pieter-Frans zag vader Jan-Baptist een kunstenaar, en hij werd achtereenvolgens naar de academiën van Dendermonde, Sint-Niklaas en Antwerpen gestuurd. Pieter-Frans' carrière liep echter uit op een teleurstelling, toen hij op een dag ziek werd en gedemotiveerd terugkeerde uit Antwerpen.De Knibber (1936), p. 16–17.

Door de teleurstelling in Pieter-Frans' kunstenaarschap werd er weinig aandacht besteed aan Aloïs' aanleg. In zijn vrije tijd snuisterde hij door de schetsboeken van zijn oudere broer en schetste hij zijn huisgenoten op papierresten – volgens De Knibber "spontaan, raak", met een "vastheid van de hand" en "natuurlijke zekerheid van de lijn".De Knibber (1936), p. 17–18. Zijn talent werd opgemerkt op zijn 23ste, toen hij de muzikanten van de Zeelse fanfare treffend in een pijp sneed. De koster moedigde hem aan om een beeldhouwersopleiding te volgen in de stad. Zijn ouders stonden het echter niet toe. Pas toen Aloïs een tijd later last kreeg van een maagaandoening en hem door de dokter verboden werd nog te werken, kreeg hij toestemming om beeldhouwer te worden.De Knibber (1936), p. 19–20.

Na één dag in Mechelen, verhuisde Aloïs De Beule in 1884 naar Gent. Met de hulp van de koster van Zele en pastoor Felix De Veirman van de Sint-Jacobskerk, die van 1871 tot 1878 nog onderpastoor was geweest in Zele en de familie De Beule kende, trok hij in bij een gastgezin. Hij ging overdag aan het werk in het atelier van Matthias Zens, een van oorsprong Duits beeldhouwer die zich in de jaren 1860 in Gent had gevestigd en veel succes had met zijn neogotische religieuze beelden.Geertrui Parmentier, "Over pinakels, kruisbloemen en vierpassen. Oftewel de hand van beeldsnijmeester Mathias Zens in Overmere," in: Heemkundige Kring Overmere 40/3 (juli 2022), pp. 101-110. Hij kuiste er gebakken beelden op. Op het einde van de vijf of zes maanden in Zens' werkhuis sneed hij zijn eerste beeld, een gotische madonna.De Knibber (1936), p. 22–23. De Beule werkte ook een tijd in het atelier van Petrus Pauwels, die hetzelfde soort kunst maakte. Voor ateliers van religieuze kunst waren het bloeiende tijden. Er werden veel kerken gebouwd en de opdrachten van de traditioneel ingestelde clerus stroomden binnen. In ateliers als die van Zens, Pauwels en later De Beule wist men heel goed wat de opdrachtgevers graag wilden en ze hielden zich daar ook aan.De Geest (2016), p. 33. De Beule maakte er zijn eerste heiligenbeelden in hout en steen, altaarstukken, versieringen aan biechtstoelen, communiebanken en preekstoelen.De Knibber (1936), p. 24.

's Avonds volgde hij gedurende enkele weken les aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent,De Knibber (1936), p. 25.De Geest (2016), p. 21-22. onder andere bij Louis Van Biesbroeck.Engelen en Marx (2002), p. 334. In november 1885 verliet hij de academie en schreef hij zich in aan het Sint-Lucasinstituut. Sint-Lucas was twee decennia voordien gesticht door Jean-Baptiste Bethune en Joseph de Hemptinne, als alternatief voor de officiële kunstacademies en voor het classicisme in de kunst. De Sint-Lucasscholen – want stichtte Bethune er meer – moesten ambachtslieden en kunstenaars opleiden die trouw waren aan de neomiddeleeuwse, neogotische kunstopvatting van Bethune, geïnspireerd door A.W.N. Pugin in het Verenigd Koninkrijk. De Beule voelde zich thuis in de strak geleide, op ambacht gerichte Sint-Lucasschool. Hij bleek een natuurtalent en mocht van broeder Mathias Guy Vanden Bemden, "De Beule Aloïs", be-monumen.be, 15 februari 2018, online geraadpleegd op 15 september 2026. verschillende jaren overslaan. Al in 1888 studeerde hij af. Als eindwerken maakte hij drie bas-reliëfs: 'Het oordeel van Salomon', 'De intrede van Christus in Jeruzalem' en 'De moord op Karel de Goede'. Met dat laatste werk won hij de gouden medaille beeldhouwkunde en de grote prijs van de Sint-Lucasschool.

Vroege carrière, 1888–1913 In 1888 volgden De Beules ouders en zijn broer Emiel hem naar Gent. Hijzelf bleef verbonden aan het Sint-Lucasinstituut, waar hij tot 1902 avondlessen boetseren doceerde."Oscar Sinia", ODIS, 12 juli 2021, online geraadpleegd op 15 september 2026. In 1889 begonnen Aloïs en Emiel daarnaast een eigen werkhuis in religieuze kunst, De Beule Gebroeders. Ze begonnen hun firma in een schuur in Sint-Pietersdorp (Sint-Pieters-Aalst). Mede door de concurrentie en faam van gelijkaardige ateliers in het Gentse, vlotte het eerst niet met de verkoop.De Geest (2016), p. 33–35.

thumb|Retabel van de kapel Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën in de Sint-Jacobskerk in Gent. Dit was de eerste kruisweg van Aloïs De Beule, ontworpen in 1889 en voltooid in 1894, waarmee hij zeer lovende kritieken oogstte. thumb|Geposeerde foto van De Beules atelier in de straat Nederpolder in Gent, in 1898 of ervoor. Alois De Beule staat centraal in beeld, in burgerpak. thumb|De Sint-Jacobskerk in 1903. Zijn tweede en derde atelier, in de Nederpolder en de Nieuwbrugkaai, bevonden zich in deze buurt.

Zijn eerste opdrachten kwamen van pastoor De Veirman van de Sint-Jacobskerk in Gent. Hij bestelde een beeld van Sint-Franciscus, waarna bestellingen volgden voor een kruis en verschillende heiligenbeelden. Met de kruisweg die De Beule vervolgens ontwierp voor in de Sint-Jacobskerk, en waar van 1892 tot 1894 aan gewerkt werd, vestigde hij zich als een getalenteerd beeldhouwer van kruiswegen in de neogotische stijl. De oplevering van die kruisweg werd met belangstelling gevolgd in de pers.De Knibber (1936), p. 34. Vóór de kruisweg werd ingehuldigd in de noordbeuk van de kerk, die speciaal daarvoor verbouwd werd, werden al vier staties op een tentoonstelling getoond. Daar kreeg het werk zeer lovende kritieken. De Geest verklaart het succes: "De personages zijn zo uit de middeleeuwen gestapt [...]. De Beule hield het bovendien volks en overzichtelijk. De personages zijn getypeerd zoals de clichés het willen, op het randje van het karikaturale. Ze lijken door hun gestes en gelaatsuitdrukkingen op te gaan in het dramatische gebeuren dat veel ritmiek vertoont."De Geest (2016), p. 40–42.

Na Sint-Jacobs ontving De Beule volop opdrachten voor kruiswegen. Enkele van de eerste plaatste hij in de neogotische kapel van het Scheppersinstituut in Wetteren (gesigneerd 1892), in de Sint-Brixiuskerk van Etikhove (1893) en in St Augustine's Church in het Zuid-Engelse Ramsgate (1893), de persoonlijke kerk van de in 1852 overleden grondlegger van de neogotiek, A.W.N. Pugin.De Geest (2016), p. 39, 42.

Op 14 oktober 1891 huwde De Beule in Gent met Eugénie Lahousse (1868–1933), winkelierster van beroep en wees van Petrus Jacobus Lahousse en Maria Cecilia Sarens."Huwelijksakte van Aloysius De Beule en Eugenia Maria La Housse", Huwelijksakten Gent (1890-1892), Agatha (Rijksarchief), p. 381, online geraadpleegd op 15 september 2026. Ze kregen vijf zonen: Jules (1894–1976), Albert (1896–1976), Jean (1897–1909), André (1902–1903) en Marc (1914–1974)."Eugenia Maria La Housse", Familiegeschiedenis van Marleen VOGELAERE, Geneanet, online geraadpleegd op 15 september 2026.

De Beule en Domien Ingels maakten het beeld Het Ros Beiaard en de Vier Heemskinderen. Domien Ingels was dierenbeeldhouwer. Zij maakten het beeld voor de wereldtentoonstelling van 1913 in Gent. Het betekende voor De Beule zijn doorbraak.

De Beule kreeg in zijn verdere loopbaan opdrachten van onder andere de architecten Jean-Baptiste Bethune en Valentin Vaerwyck.

De Beule had tijdens zijn loopbaan verschillende leerlingen, waaronder: Geo Verbanck Sylvain NorgaPaul Piron, De Belgische beeldende kunstenaars van de 19e tot de 21e eeuw. Brussel: Ludion, 2016, p. 1770–1771. Leon Sarteel Oscar Sinia Jules Vits Modest Van Hecke Achilles Moortgat Louis Dubar Gérard HermansDe Geest (2016), p. 19.

Londen, 1914–1918 Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was De Beule op het hoogtepunt van zijn carrière. Het Ros Beiaard op de wereldtentoonstelling van Gent werd overladen met lovende kritieken – en voor het eerst niet enkel uit religieuze hoek, maar ook in burgerlijke kringen – en hij kreeg volop opdrachten voor nieuwe monumenten. Door de oorlog moest De Beule zijn bloeiende atelier sluiten – een financiële opdoffer – en vluchten. Met zijn zwangere echtgenote vluchtte hij naar Londen; hun vijfde zoon Marc werd er geboren. In totaal maakten zo'n 250.000 Belgen de oversteek naar Engeland. De familie De Beule verbleef er tot het einde van de oorlog, vermoedelijk de volle vier jaar in Londen. Afgezien van enkele tekeningen uit deze periode is er echter zeer weinig bekend over De Beules ballingschap.De Geest (2016), p. 25, 31, 75.

Late carrière, 1919–1935 thumb|De Beules atelier aan de Nieuwbrugkaai, datum onbekend.

Na de wapenstilstand van 11 november 1918 keerden De Beule en zijn gezin terug naar Gent. Hij kon onmiddellijk terug aan de slag, want de bestellingen voor oorlogsmonumenten liepen binnen. In totaal ontwierp hij tussen 1920 en 1931, als zestiger, 27 oorlogsmonumenten. Hij stond steeds enkel in voor de beelden of reliëfs, een architect tekende het monument.De Geest (2016), p. 76.