Het Duitse kiessysteem was oorspronkelijk een meerderheidsstelsel, maar werd in 1919 door het systeem van evenredige vertegenwoordiging vervangen. Bij de oprichting van de Bondsrepubliek Duitsland in 1949 was de belangrijkste verandering de introductie van een kiesdrempel van vijf procent.
Geschiedenis Frankfurter Parlement 1848 Evenals in veel andere landen werd in Duitsland in de 19e eeuw naar een meerderheidsstelsel in een-persoons-kiesdistricten gekozen. De eerste verkiezingen voor geheel Duitsland vonden plaats in 1848 voor het Frankfurter Parlement. De precieze bepalingen verschilden per staat. Alleen "zelfstandigen" mochten kiezen, in de praktijk echter werd dat zo gedefinieerd dat ruim tachtig procent van de mannelijke, volwassen bevolking heeft gekozen. Partijen in de moderne zin bestonden nog nauwelijks, de verkiezingen gingen om persoonlijkheden.Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1800–1866. Bd. 1: Bürgerwelt und starker Staat. Beck: München 1983, p. 609. Die partijen ontstonden pas in de jaren 1860.
Keizerrijk De Rijksdag vanaf 1867/1871 werd ook per een-persoons-kiesdistricten gekozen. De invoering van het algemeen kiesrecht (dus voor alle mannen ongeacht hoeveel belasting men betaalde) was toen vrij bijzonder; Otto von Bismarck wilde op die manier de liberalen zwakker maken: zij hadden baat bij een censusstelsel waarin alleen rijkere mannen mochten kiezen. Op het platteland, dacht Bismarck terecht, stemden de mensen conservatief. Later hadden wel de sociaaldemocraten (SPD) voordeel van het algemeen kiesrecht.
In het Keizerrijk mochten alle mannen vanaf 25 jaar stemmen, met uitzondering van leden van het leger, gedetineerden, mensen onder een voogdij en mensen die van de armenhulp leefden. In 1874 was 11,5 procent van de mannen buitengesloten, in 1912 nog 5,9. In het algemeen stond Duitsland niet slechter dan de VS. Dat vrouwen niet mochten kiezen werd ook door de meeste vrouwen niet als probleem gezien.Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1866–1918. Bd. 2: Machtstaat vor der Demokratie. 2. Auflage, Beck: München 1993, p. 497/498.
thumb|Hoe de 397 kiesdistricten in 1912 hebben gekozen. In rood de overwinnaars, de sociaaldemocraten, sterk in het midden van Duitsland en de grote steden. Op plaats twee waren de katholieken van het Zentrum, hier in zwart. In lichtoranje de districten waar de kandidaten van regionale minderheden wonnen, in het oosten de Polen, in het zuidwesten de Elzassers. Gekozen was die kandidaat, die in zijn kiesdistrict een absolute meerderheid van de stemmen kreeg. Zo nodig kwam er een tweede stemgang met de twee succesvolste kandidaten.
Er waren gedeeltelijk grote verschillen tussen het aandeel stemmen en het aandeel zetels voor een partij. De redenen hiervoor waren: In een districtenstelsel "tellen" alleen de stemmen voor de winnaar in een district, de andere stemmen niet. Partijen hebben vaak al voor de verkiezingen afgesproken om een gezamenlijke kandidaat te benoemen, en zeker in de tweede stemgang. Meestal hebben de burgerlijke partijen samengewerkt om een zetel voor de SPD te voorkomen, of de protestanten, zodat de katholieke kandidaat niet werd gekozen. Profijt daarvan hadden vaak de liberalen. De indeling van de districten werd niet aangepast aan de demografische ontwikkelingen (migratie, groei van de bevolking). In Teltow-Charlottenburg bij Berlijn stemden in 1912 338.900 mannen, in Schaumburg-Lippe maar 10.700. Dit bevoordeelde het rurale Duitsland in tegenstelling tot het stedelijke (dus de conservatieven en katholieken tegenover links-liberalen en sociaaldemocraten).Thomas Nipperdey: Deutsche Geschichte 1866–1918. Bd. 2: Machtstaat vor der Demokratie. 2. Auflage, Beck: München 1993, p. 499/500.
De partijen stelden alleen daar kandidaten op waar ze een redelijke kans hadden. De SPD was de enige landelijke partij; zij wilde overal verkiesbaar zijn, veel stemmen ten minste in de eerste stemgang verkrijgen en propagandistisch op het verschil tussen stemmen en zetels kunnen wijzen. De stemuitslagen uit het Keizerrijk zijn niet zomaar vergelijkbaar met die van later, omdat veel tactisch gestemd werd.
In 1912 werd de sociaaldemocratische fractie in de Rijksdag voor het eerst de grootste, met 34,8 procent van de stemmen en 27,7 procent van de zetels. De sociaaldemocraten waren het meest ontevreden met het kiessysteem en werden ook in het algemeen als buitenstaanders behandeld. Vanwege de kiessuccessen werd het voor de regering echter steeds moeilijker om zonder de sociaaldemocraten te regeren. In de Eerste Wereldoorlog werkten de sociaaldemocraten sinds juli 1917 in de Interfraktioneller Ausschuss met links-liberalen en katholieken samen.
Aan het eind van het Keizerrijk, in juli 1918, werd het kiesrecht nog gereformeerd: in sommige kiesdistricten met veel inwoners moest meer dan één zetel worden gekozen. Ofschoon dit voor de sociaaldemocraten niet beslist van voordeel was, stemden ze in die hervorming in om de samenwerking met links-liberalen en katholieken niet in gevaar te brengen. Vanwege de novemberrevolutie 1918 kwam die hervorming echter nooit in werking.Manfred Rauh: Die Parlamentarisierung des Deutschen Reiches, Droste Verlag: Düsseldorf 1977, p. 410/411.
Het grootste probleem voor de democratisering en parlementarisering van Duitsland was het kiesrecht in Pruisen, dat met drie klassen werkte. Daardoor werden de sociaaldemocraten bijna volledig uit het Pruisische parlement gehouden. Vanwege de constitutionele positie van Pruisen lag daarin de kracht van de behoudende groepen.
Weimarrepubliek 1919-1933 thumb|Reichstagswahl van 1920 Na de troonsafstand van keizer Willem II werd de sociaaldemocraat Friedrich Ebert regeringsleider. Zijn overgangsregering zorgde voor een modern kiesrecht voor de Nationale Vergadering van Weimar, die op 19 januari 1919 werd gekozen. Voor het eerst mochten ook vrouwen stemmen, en voor het eerst werd via het systeem van evenredige vertegenwoordiging gekozen.
Bij de verkiezingen voor de Rijksdag in de Weimarrepubliek kreeg een partij één zetel per 60.000 stemmen. Het totaal aantal parlementszetels hing dus af van de stemopkomst. De stemmen en resterende stemmen werden op verschillende regionale niveaus berekend, zodat er een verschil tussen het aandeel stemmen en het aandeel zetels tot stand kon komen. Het was dus geen stelsel van pure evenredige vertegenwoordiging.
Naast de verkiezingen voor de Rijksdag vonden ook verkiezingen voor de Rijkspresident plaats (1925 en 1932). Gekozen was wie de absolute meerderheid van de stemmen kreeg. In een tweede stemgang (waaraan alle kandidaten en ook nieuwe kandidaten mochten deelnemen) was de relatieve meerderheid voldoende. De grondwet voorzag ook in plebiscieten.
Bondsrepubliek sinds 1949/1990 left|thumb|Hoe de kiesdistricten in 2005 hebben gekozen Na de Tweede Wereldoorlog koos men in Duitsland voor een kiessysteem met een kiesdrempel van vijf procent. Dit geldt voor de verkiezingen op federaal niveau (Bondsdag) maar ook voor de deelstaten. Enkel bij gemeenteverkiezingen is er vaak geen kiesdrempel.
Bij de eerste Bondsdagverkiezingen, van 1949, werd de kiesdrempel nog per bondsland toegepast. De Deutsche Partei bijvoorbeeld had in de gehele Bondsrepubliek maar 4,0 procent van de stemmen gekregen, maar wel tussen 12 en 18 procent in die vier bondslanden, waarin ze aantrad. Als ze stemmen in andere bondslanden zou hebben gekregen, zouden die niet mee hebben geteld. Sinds 1953 echter geldt de kiesdrempel voor de gehele Bondsrepubliek, dit maakt het regionale partijen moeilijker om in de Bondsdag te komen.
Bondsdag Het kiessysteem voor de Duitse Bondsdag is in basis een systeem van evenredige vertegenwoordiging met een kiesdrempel van vijf procent, echter met elementen van een districtenstelsel toegevoegd.
Kiesdrempel Er geldt een kiesdrempel van vijf procent, maar er zijn meer mogelijkheden om in het parlement te komen. Zo zijn minderheidspartijen afgezonderd van deze regeling. Zo'n partij zal in het parlement komen als het genoeg Zweitstimmen behaalt voor een zetel (ongeveer 40.000 stemmen). Een voorbeeld is de Südschleswigscher Wählerverband (SSW), dat bij de Duitse Bondsdagverkiezingen 2021 een mandaat kreeg nadat het ruim 55.000 stemmen wist te krijgen uit Zuid-Sleeswijk.
Daarnaast geldt de kiesdrempel niet voor partijen die landelijk minstens drie kiesdistricten weten te winnen. Dat was bijvoorbeeld het geval voor Die Linke in 2021. De socialistische partij haalde slechts 4,9% van de stemmen, maar won drie kiesdistrichten (twee in Berlijn en één in Leipzig). Die Linke kreeg daardoor 4,9% van het aantal zetels toebedeeld in het parlement.
Mandaten Wie in de Bondsdag wil worden gekozen moet of de relatieve meerderheid in een een-persoons-kiesdistrict halen (Direktmandat), of op een redelijk goede plaats van een deelstaats-lijst (Landesliste) van een partij staan. Een politicus mag trouwens zowel in een kiesdistrict als ook tegelijkertijd op een lijst staan. Een reële kans op een Direktmandat maken normaliter alleen de kandidaten van CDU/CSU en SPD. In de grote steden lukt het de Groenen soms om een mandaat binnen te halen en in Oost-Duitsland zijn er enkele kiesdistricten die worden gewonnen door Die Linke en de AfD. Grote uitzondering was in 1990 de zetel van Halle voor de FDP-kandidaat en oud-minister Hans Dietrich Genscher.
Procedure thumb|Stimmzettel voor de Bondsdagverkiezingen van 2009 in het kiesdistrict Bottrop-Recklinghausen III in de deelstaat Noordrijn-Westfalen. Het is van tevoren vastgelegd hoeveel leden (afgevaardigden) de nieuwe Bondsdag in principe zal hebben. Nog in 1998 waren dat 656, vanaf 2002 zijn het 598. De helft van de afgevaardigden worden via kiesdistricten (Wahlkreise) gekozen, dus is het gehele bondsgebied opgedeeld in 299 kiesdistricten. Daarnaast stellen de partijen op deelstaat-niveau kandidatenlijsten (Landeslisten) samen. Omdat er zestien deelstaten zijn, presenteert een partij maximaal zestien Landeslisten; zeer kleine partijen treden echter alleen in sommige van de deelstaten aan. Dit is nadelig, omdat dan alleen in die deelstaten een stem op hen kan worden uitgebracht. Deze partijen zijn meestal ook niet sterk genoeg om in alle kiesdistricten kandidaten te stellen.
Elke stemgerechtigde heeft twee stemmen: Erststimme: Links op het stembiljet staat een rij met de kandidaten, die de partijen in het desbetreffende kiesdistrict hebben opgesteld. De stemgerechtigde kan één kruis zetten. Die kandidaat die de meeste stemmen (één méér dan de daarop volgende kandidaat) heeft gekregen, is gekozen en gaat voor dat district naar de Bondsdag. Alle stemmen voor de andere kandidaten zijn verder zonder belang. Zweitstimme: Rechts op het stembiljet staat een rij met de lijsten, die de partijen in de desbetreffende deelstaat hebben opgesteld. De stemgerechtigde kan hier eveneens één kruis zetten. Veel Duitsers vergissen zich en denken dat de tweede stem minder belangrijk zou zijn, in werkelijkheid is ze de belangrijkste.
Telling De tweede stem is belangrijker dan de eerste, omdat van haar afhangt hoeveel afgevaardigden een partij in totaal in de Bondsdag zal hebben. De telling kent drie stappen: hoeveel afgevaardigden zullen de enkele partijen krijgen, van welke Landeslisten hoeveel afgevaardigden van die partij zullen komen, en hoeveel afgevaardigden al via een kiesdistrict voor die partij zijn gekozen. Het geval van de SPD in 1998 als voorbeeld:Getallen volgens Dieter Nohlen: Wahlrecht und Parteiensystem, 3e druk, Leske & Budrich, Opladen 2000, p. 309-311.