Gustaaf Willem baron van Imhoff (Leer, 8 augustus 1705 – Batavia, 1 november 1750) was een Oost-Fries edelman die carrière maakte in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC).
Van Imhoff was de zoon van Wilhelm Heinrich Freiherr von Imhoff en werd geboren in Leer, net over de huidige Duits–Nederlandse grens. Zijn moeder was een dochter van Jacob Boreel, een Amsterdamse burgemeester.
Al vroeg trad hij in dienst van de VOC. Hij werd in 1725 als onderkoopman naar Batavia gestuurd en werd al snel bevorderd tot achtereenvolgens koopman (1726), opperkoopman, opperhoofd van het generale soldijkantoor en tweede secretaris van de Raad van Indië (1729), waterfiscaal (1730), eerste secretaris en buitengewoon Raad van Indië (1731). In 1733 werd hij met Johan Paul Schaghen en Johannes Thedens benoemd in de bouwcommissie van de nieuwe Hollandse Kerk in Batavia, die voor 120.500 rijksdaalders werd aanbesteed. In 1734 werd hij ook nog president van de weesmeesters, en in 1735 commissaris van het hospitaal. Hij trouwde op 20 april 1727 te Batavia met de achttienjarige Catharina Magdalena Huijsman. Zij was een telg uit een bekende VOC familie. Haar vader, de in Jaffna in Ceylon geboren Anthony Huijsman, was directeur-generaal, en haar grootvader Marten Huijsman was commandeur van Malabar en directeur van Bengalen geweest. De familie stond bekend als vermogend. Hiermee had Van Imhoff voldaan aan zijn wens om 'een onberispelijk huwelijk' dat volgens hem naast 'de ordinaire weg van de handel' de manier was om rijk naar het vaderland terug te keren. Uit privé-correspondentie met zijn neef Jacob Boreel blijkt dat Van Imhoff te zijner tijd regent in Amsterdam wilde worden, waar veel geld voor nodig was. Na Catharina's overlijden in 1744 kreeg hij bij een Balinese vrouw, Helena Pieters, nog vier kinderen, die door hem geëcht werden.
Ceylon Op 23 juli 1736 werd hij benoemd tot gouverneur van Ceylon, waar onder het wanbeleid van Diederik van Domburg opstanden waren uitgebroken onder de kaneelschillers. Van Domburg was ontslagen en opgeroepen naar Batavia. Toen Van Imhoff op 23 juli 1736 in Colombo aankwam bleek Van Domburg de maand ervoor overleden te zijn en tijdelijk opgevolgd door de commandeur van Galle, Jan Macaré.
In 1737 werd Van Imhoff benoemd tot gewoon raad van Indië. Op Ceylon probeerde hij onder andere de rijstverbouw te stimuleren om minder afhankelijk te zijn van import uit India. Hij bevorderde daarom de verkoop van landbouwgronden van de Compagnie aan boeren en onderzocht de mogelijkheid om vervallen irrigatiesystemen uit vroeger eeuwen te herstellen, waar helaas niets van terechtkwam. miniatuur|De ambassade van kapitein Daniël Agreen, dessave van Matara, naar Kandy in 1736/37. In zijn eerste jaren in Ceylon was zijn analyse van de penibele situatie aldaar dat het hof van Kandy, het Singalese rijk in het centrale hoogland, de onrust zou blijven aanwakkeren zolang de havens van Puttalam (bij Fort Calpentijn) en Kottiyar (bij Fort Trincomalee) gesloten bleven. Dit gebeurde op last van de Heren XVII, om smokkel in kaneel te voorkomen. Het rijk van Kandy was hierdoor volledig afgesloten van de buitenwereld, wat voor het hof niet alleen gemiste inkomsten uit tolheffingen en handel met India betekende, maar ook reputatieverlies. Van Imhoff deed een compromisvoorstel middels een grootse ambassade naar Kandy, waarvan de korporaal Johann Wolffgang Heydt een uitgebreide beschrijving met bijbehorende tekeningen maakte. Het compromis hield in dat de koning, Narendra Singha, enkele schepen per jaar naar India mocht sturen met lokale handelsproducten, kaneel uitgezonderd. Op basis hiervan zou een nieuw verdrag opgesteld kunnen worden met duidelijke afspraken, ter vervanging van het inmiddels honderd jaar oude en in onbruik geraakte verdrag van Adam Westerwoldt en Raja Singha uit 1638. Zowel het hof van Kandy als de Raad van Indië waren niet enthousiast over dit idee. Van Imhoffs andere optie was de strategie die Rijcklof van Goens in de 17de eeuw had voorgestaan: Kandy militair op de knieën dwingen. Zowel het kaneelschillen als het transport van olifanten zou dan voortaan ongestoord kunnen plaatsvinden. De Raad van Indië was echter mordicus tegen dit idee, net als in de tijd van Van Goens.
In 1738 liet Van Imhoff voor de koning toch een vaartuig naar de Coromandelkust sturen met textiel en 'andere rariteyten', omdat het onmogelijk was 'om het bewijsen van enig extra-ordinair douceur aen den morrenden vorst en sijne wanhopige grooten langer uyt te stellen'.
Van Imhoff bereisde het hele eiland, waarvan slechts delen in handen van de VOC waren, en maakte een einde aan de heersende onrust. Over zijn reizen deed Van Imhoff uitvoerig verslag aan zijn superieuren in Batavia en de Republiek, met als doel om goedkeuring te krijgen voor het door hem voorgestelde en gevoerde beleid. Zijn eerste reis, begin 1737, ging naar Galle en Matara. De tweede, van mei tot augustus 1738, om het hele eiland heen. Over land, meestal per draagstoel, van Colombo naar Galle en Matara aan de zuidkust, vanaf Gandara (vlak bij Matara) over zee rond de zuidoostkust naar de forten van Batticaloa en Trincomalee, en vandaar weer over land naar Jaffna in het noorden, en dan langs de transportroute van de olifanten naar Mannar, Kalpitiya en Negombo, en weer terug naar Colombo.
In januari 1739 reisde hij in een groot gezelschap van ambtenaren en soldaten naar Cochin aan de Malabarkust, waar een vloot werd uitgerust tegen wat de VOC de Angreaanse zeerovers noemde. Deze zagen zichzelf als de marine van het Maratharijk en bedreven kaapvaart vanuit Gheriah (het huidige Vijaydurg), halverwege Bombay en Goa. Ze hadden het vooral gemunt op Britse schepen maar in maart 1738 hadden ze ook twee schepen van de Compagnie buitgemaakt die op weg waren naar Mokka, het jacht Zeelands Welvaren en de sloep Magdalena. De admiraal, Sambhaji Angrea, had 40.000 ropia (later 20.000) geëist voor de vrijlating van de 51 nog in leven zijnde bemanningsleden. Samen met Julius Stein van Gollenesse, commandeur van Malabar (en een goede vriend die hij uit Batavia kende), had Van Imhoff een strafexpeditie tegen de kapers voorbereid. De expeditie zou geen succes worden. De vloot van de kapers wist te ontsnappen. miniatuur|Zuid-India en Ceylon in 1733 Aangekomen in Cochin brachten zij samen een bezoek aan de raja, Rama Varma VI, de bondgenoot van de VOC. Vervolgens bezochten ze de raja van Travancore, Martanda Varma. Zijn hof bevond zich in Tengapatnam, ten zuiden van het VOC fort Coylan. Het rijk van Travancore, dat gesteund werd door de Britten, die zich in 1693 in het nabijgelegen Anjengo hadden gevestigd, was in opkomst en begon het rijk van Cochin te overvleugelen. Het zorgde ervoor dat de VOC steeds minder peper kon inkopen. Van Imhoff en Van Gollenesse hadden geen succes in de onderhandelingen met de raja. Deze klaagde dat de Compagnie hem geen wapens had geleverd voor de strijd tegen zijn vijanden en de Britten wel, en had 'ten uyttersten onbeschaamd den ignoranten gespeeld van alle contracten met d' E. Compagnie'.
Van Gollenesse ging hierna ziek terug naar Cochin terwijl Van Imhoff verder over land langs de kust naar Tuticorin aan de oostkust ging. De VOC vestiging hier, in het rijk van de nayak van Madoera, viel onder het bestuur van Ceylon. De Compagnie kocht er katoen, maar de inkoop had te lijden onder de gevolgen van de hongersnoden in de jaren '20 en '30 en de toenemende concurrentie van de Britten in Chennai. Van Imhoff maakte melding van de 'invadeerende mooren', oftewel de invallen van diverse nawabs van het uiteenvallende Mogolrijk in het noordelijk gedeelte van Madoera, dat 'gedreygd wierd met een totalen overrompeling door dit roofzugtig volk'. Vanwege de Adamsbrug zou dit ook een gevaar voor Ceylon kunnen worden, 'te meer vermits er geen gevaarlijker nabuuren voor d' E. Compagnie om veele gewigtige reedenen zijn uyt te denken dan de gemelte mahumetaanse volkeren'. Van Imhoff merkte hier en daar op zijn reis dat het respect voor de VOC aan het verminderen was en probeerde daar iets aan te doen door een krachtige uitstraling en gepast machtsvertoon. Van Imhoffs verslag van deze laatste reis werd in 2007 uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging.Marleen Chrisstoffels-Speelman, Anke Jansen-Galjaard, Marianne Wever-Nierop, Lodewijk Wagenaar (ed.), Gouverneur Van Imhoff op dienstreis in 1739: Colombo, Cochin, Travancore, Tuticorin, Jaffna, Mannar, Colombo, Walburg Pers, 2007, 448 p. (Deel 106 in de reeks Werken van de Linschoten-Vereeniging)
Van Imhoff was een vooruitstrevend man die in Sri Lanka herinnerd wordt als een van de betere en welwillende VOC-gouverneurs. Hij voerde bijvoorbeeld in 1737 het gebruik van de drukpers in, en in de jaren daarna verschenen er voor het eerst gedrukte geschriften in het Sinhala, onder andere een christelijk gebedenboek en een geloofsbelijdenis. Later zou ook een Sinhalese grammatica het licht zien. Van Imhoff liet ook voor het eerst kokospalmen planten op het eiland. Later zou een groot deel van de kust een ononderbroken aanplant van deze boomsoort te zien geven.
Van Imhoff wist een goede verstandhouding met koning Narendra Singha op te bouwen. De koning, die al sinds 1707 regeerde, was getrouwd met een prinses uit Madoera en met zijn dood op 24 mei 1739 werd hij opgevolgd door de broer van zijn vrouw, Sri Vijaya Rajasingha, die dus geen Sinhalees was maar een Nayakkar Malabar (Tamil). Van Imhoff toont zich in zijn geschriften verbaasd omdat de Sinhala's meestal neerkijken op de Tamils. Dit is de eerste vermelding van de controverse tussen Tamil en Sinhala. Van Imhoff is bezorgd dat de Zuid-Indische connecties van de nieuwe koning een bedreiging vormen voor het Hollandse handelsmonopolie. Hij ziet er echter ook een mogelijkheid tot verdeel-en-heerspolitiek in en stelt de VOC voor de tegenstelling tussen Tamils en Sinhalezen uit te buiten om het Rijk van Kandy te verdelen. Zij zien daar echter niet veel in, omdat de VOC niet graag bij weer een intern conflict betrokken raakt. Dat kost maar geld. Geld werd er aan de kaneelhandel veel verdiend, maar toch stond Ceylon (kunstmatig en met opzet) als verliespost op de begroting, omdat deze winst namelijk in de algemene rekening van de VOC verdween. Zo werd Van Imhoff als alle gouverneurs van het eiland voor spilzucht behoed.