Springspinnen (Salticidae) zijn een familie van spinnen die wereldwijd voorkomen maar door hun geringe lichaamsgrootte vallen ze in het veld nauwelijks op. Er zijn anno 2025 ongeveer 6850 verschillende soorten bekend waarmee ze de grootste spinnenfamilie vormen.

Springspinnen danken hun naam aan het vermogen om prooidieren gericht te kunnen bespringen. Ze beschikken hiertoe over zeer goed ontwikkelde ogen en buitengewoon snelle reflexen. Het gezichtsvermogen van de dieren wordt beschouwd als het best ontwikkelde visuele systeem in de wereld van de geleedpotigen.

Ze zijn vrijwel zonder uitzondering overdag actief en zijn actieve jagers die geen web maken zoals veel andere spinnen. Springspinnen zijn daarnaast te herkennen aan hun snelle, schokkerige bewegingen.

Springspinnen verschillen van andere spinnen door hun gedrongen lichaamsbouw en korte, brede poten. Ze leven soms gedeeltelijk of zelfs geheel van plantendelen zoals nectar. Dergelijke vegetarische soorten zijn uniek in de spinnenwereld.

Naam en indeling thumb|Tekening van John Blackwall van een aantal springspinnen uit zijn publicatie A history of the Spiders of Great Britain and Ireland. De wetenschappelijke naam van de springspinnen werd voor het eerst voorgesteld door John Blackwall in 1841. Blackwall (1790 - 1881) was een Brits natuuronderzoeker die met name geïnteresseerd was in spinnen. De naam Salticidae komt van het Latijnse 'saltare', dat 'springen' of 'dansen' betekent. Deze naam slaat op de springende manier van voortbewegen en het al springend jagen op prooien. Een dergelijke naam wordt ook in veel andere talen gebruikt, zoals het Engelse jumping spiders en het Franse araignées sauteuses.

De meeste spinnen hebben zwak ontwikkelde ogen en een daarmee gepaard slecht zicht. Springspinnen daarentegen hebben juist zeer goed ontwikkelde ogen en een zeer scherp zicht dat niet te vergelijken is met dat van andere spinnenfamilies. Uit welke tak van spinnen de springspinnen uiteindelijk zijn ontstaan is lange tijd niet geheel duidelijk geweest. Tegenwoordig blijkt dat de springspinnen samen met struikzakspinnen (Clubionidae), de bodemjachtspinnen (Gnaphosidae), de loopspinnen (Corinnidae) en de renspinnen (Philodromidae) tot de Dionycha behoren. Een kenmerk van deze groep van spinnen is dat ze niet in het bezit zijn van een zeefplaat of cribellum.

De indeling van de springspinnen in geslachten en onderfamilies is lange tijd aan verandering onderhevig geweest. Eugéne Simon verdeelde de groep in 1903 op basis van de tanden op de cheliceren in drie groepen, maar deze indeling bleek wat kunstmatig. Later werden de dieren door de Poolse arachnoloog Jerzy Prószyński geclassificeerd op basis van hun geslachtsorganen maar ook deze indeling bleek geen duidelijkheid te verschaffen over alle soorten en geslachten. De geslachtsorganen van springspinnen zijn relatief eenvoudig gebouwd en verschillende soorten kunnen daardoor sterk gelijkende genitaliën hebben.

In 2015 werd door Wayne P. Maddison een nieuwe classificatie voorgesteld op basis van moleculair onderzoek. Deze indeling wordt tegenwoordig algemeen aanvaard. Springspinnen worden hierbij verdeeld in zeven onderfamilies die over het algemeen erkend worden als een monofyletische groep. Hiervan is de onderfamilie Salticinae verreweg het grootst en omvat de meeste soorten. Deze onderfamilie wordt verder verdeeld in de hoofdclades Amycoida en Salticoida en 27 tribussen.

Een moeilijkheid bij het classificeren van de springspinnen is het feit dat sommige families wat basalere kenmerken vertonen. Voorbeelden zijn de families Lyssomaninae, Spartaeinae en Hisponinae. De vertegenwoordigers van deze groepen bezitten bijvoorbeeld een tarsale klauw aan de palp van de vrouwtjes, hebben minder complexe adembuisjes of vertonen juist complexe structuren aan de palpen.

Hoe de ene onderfamilie zich naast dan wel uit de andere heeft ontwikkeld is nog niet goed begrepen. Uit vondsten van fossiele springspinnen in barnsteen met een leeftijd van 35 tot 40 miljoen jaar worden geen vertegenwoordigers uit de onderfamilie Salticinae gevonden. De soorten uit de onderfamilie Hisponinae zijn hier juist veel vertegenwoordigd. Tegenwoordig behoort ruim 90 percent van de springspinnen tot de Salticinae en komen de soorten uit de Hisponinae-familie gerestricteerd voor. In de loop van de tijd zijn de Salticinae kennelijk dominant geworden ten koste van de Hisponinae.

Lijst van families In de onderstaande uitklapbare tabel zijn de onderfamilies van de springspinnen weergegeven met het verspreidingsgebied, het aantal geslachten en een voorbeeldsoort. Lijst van onderfamilies van springspinnen Naam Auteur Verspreidingsgebied Groepsomschrijving Kenmerken Voorbeeldsoort Afbeelding Asemoneinae Maddison, 2015 Azië en Afrika Vijf geslachten Alle soorten hebben een halfdoorzichtig lichaam en lange poten. Asemonea tenuipes 80px|center Eupoinae Maddison, 2015 Tropisch zuidoostelijk Azië Drie geslachten Kleine, bodembewonende soorten. Lapsias lorax 80px|center Hisponinae Simon, 1901 Azië en Afrika Negen geslachten Achter de laterale ogen heeft de oogheuvel een versmalling. Jerzego corticicola 80px|center Lyssomaninae Blackwall, 1877 Noord- en Zuid-Amerika, India Twee geslachten De voorste laterale ogen zijn boven de voorste mediane ogen gelegen. Lyssomanes jemineus 80px|center Onomastinae Maddison, 2015 Azië 1 geslacht Half doorzichtig lichaam en lange poten, de palpen zijn relatief gecompliceerd. Onomastus kanoi 80px|center Salticinae Blackwall, 1877 Wereldwijd Alle andere geslachten Dit is de grootste familie die vrijwel 90 procent van de soorten omvat. Pseudeuophrys lanigera 80px|center Spartaeinae Wanless, 1984 Azië, Australië, Afrika 29 geslachten Veel soorten hebben vergrote achterste mediane ogen, echter niet allemaal. Portia schultzi 80px|center

Verspreiding en habitat Springspinnen komen wereldwijd voor, behalve in permanent heel koude streken zoals de uiterste delen van de poolgebieden. Het overgrote deel komt voor in tropische en subtropische gebieden rond de evenaar.

In Europa komen 480 verschillende soorten springspinnen voor, verdeeld over 73 geslachten. In België en Nederland komen ongeveer 50 soorten voor. Een aantal hiervan is alleen bekend van incidentele gevallen zoals dieren die per ongeluk worden ingevoerd met de import van planten. De felgekleurde vuurspringer (Philaeus chrysops) is hier een voorbeeld van, deze soort komt voor rond het Middellandse Zeegebied. Van dergelijke soorten is niet bekend of ze zich hier kunnen voortplanten. Zie ook de lijst van springspinnen in België en Nederland.

De habitat verschilt vaak per groep. Soorten uit het geslacht Evarcha komen voor in droge weilanden en bossen terwijl soorten uit het geslacht Marpissa meer zijn aangepast op het leven op boomschors. Sommige soorten zijn te vinden in lage vegetatie zoals grassen en struiken, andere hebben een voorkeur voor takken in bomen. Soorten uit het geslacht Menemerus prefereren stenige muurtjes of rotsen. Dergelijke soorten kunnen ook in stedelijke gebieden voorkomen, met als bekend voorbeeld de huisspringspin (Pseudeuophrys lanigera) die ook in België en Nederland te vinden is.

Uiterlijke kenmerken thumb|left|Aangepaste afbeelding van de algemene kenmerken van een springspin. Afgebeeld is de soort Colonus puerperus, kopzijde links.

Springspinnen hebben een lichaamsbouw die grofweg vergelijkbaar is met die van andere echte spinnen; een kopborststuk of prosoma (ook wel cephalothorax genoemd), een achterlijf of opisthosoma en vier paar poten die bestaan uit verschillende segmenten.

Op het kopborststuk is een verhoging aanwezig, de oogheuvel, waarop de vier paar ogen gelegen zijn. Van de ogen zijn het voorste paar verreweg het grootst. Springspinnen hebben een stevig, harig lichaam, dat meestal bruin of zwart tot grijs is. De lichaamsbeharing van het lijf en de poten bestaat uit tastzintuiglijke haartjes die gevoelig zijn voor trillingen, zoals geluidstrillingen in de lucht. De springspin is in staat om laagfrequente tonen waar te nemen met de haartjes op het lijf op een afstand van meer dan drie meter.

Springspinnen blijven relatief klein, de kleinste soorten zijn slechts enkele millimeters lang en de grootste soorten bereiken een lichaamslengte van iets meer dan twee centimeter. De voor zover bekend grootste soort is Hyllus giganteus uit Indonesië en Australië, die tot 25 millimeter lang wordt.

Vorm en tekening Springspinnen hebben allemaal vergrote ogen en een verhoogde oogheuvel maar kennen verder een enorme variatie in lichaamsvormen. Sommige soorten lijken op takjes, andere op steentjes en weer andere bootsen mieren na waarvan ze nauwelijks te onderscheiden zijn. Springspinnen kunnen kleuren waarnemen en hierdoor kennen ze een grote verscheidenheid aan kleuren en tekeningen. Zo kunnen soortgenoten elkaar makkelijker herkennen.

Bij veel tropische soorten vertonen mannelijke en vrouwelijke dieren vaak levendige kleuren zoals blauw, rood en geel, vaak met ingewikkelde patronen van strepen, vlekken en stippen. De soort Nycerella delecta heeft een overwegend helder witte kleur, met zwarte en rode vlekjes. Van de soort Carrhotus xanthogramma werd lange tijd gedacht dat het mannetje en het vrouwtje twee verschillende soorten waren vanwege de sterke seksuele dimorfie. De vrouwtjes zijn veel bonter van kleur en hebben soms een rood achterlijf terwijl de mannetjes vrij onopvallend zijn.

Springspinnen hebben naast een lichaamsbeharing vaak ook schubben. Deze bestaan uit aangepaste lichaamsharen die verdikt zijn en over de huid liggen. Deze zijn bij veel soorten verantwoordelijk voor de bonte kleuren. Schubben komen bij ongeveer tien procent van de spinnenfamilies voor en lang niet bij alle soorten binnen een familie. Bij springspinnen zijn schubben gemeengoed; de meeste soorten hebben lichaamsvlakken die bedekt zijn met schubben en soms bedekken ze bijna het gehele lichaam. Schubben zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de lichaamskleur van dergelijke soorten, een voorbeeld is de huiszebraspin.

thumb|De springspin Myrmaplata plataleoides lijkt sprekend op een mier. De schubben van de pauwspinnen uit het geslacht Maratus kunnen 'superzwart' zijn, wat betekent dat 99 procent van het licht wordt geabsorbeerd. De contrasterende felle kleuren op het achterlijf steken zo nog beter af. Soorten uit het geslacht Lyssomanes hebben geen schubben maar bij hen ontbreekt ook een dichte lichaamsbeharing.

Van veel soorten is ontdekt dat het lichaam kleuren in het ultraviolette spectrum kan weerkaatsen en dat de dieren dit licht ook kunnen waarnemen. Hierdoor kunnen soortgenoten elkaar overdag goed zien als er uv-licht wordt uitgestraald door het licht van de zon. Bij de Aziatische soort Phintella vittata is dit goed onderzocht en blijkt dat de dieren een golflengte kunnen waarnemen van 280 tot 315 nanometer, wat valt onder UVB.

Een groot aantal springspinnen heeft een uitstekende camouflage waardoor ze wegvallen tegen de achtergrond in de natuurlijke habitat. Sommige soorten klemmen zich tegen een takje om niet op te vallen en andere hebben een kleur en tekening die niet opvalt op boombast of op een zandgrond. Sommige soorten bootsen mieren na waarbij ze zeer moeilijk te herkennen zijn als spin. Voorbeelden zijn soorten uit de geslachten Myrmaplata, Leptorchestes en Myrmarachne. Dergelijke springspinnen bootsen niet alleen de drie paar poten van de mieren na, waarbij het voorste potenpaar gecamoufleerd is als antennes of als kop, maar vertonen ook de petiole, de zeer dunne insnoering van het achterlijf van mieren.

Poten thumb|Met de voorste poten worden visuele signalen afgegeven om vrouwtjes te lokken of concurrenten te verjagen. Hier twee vechtende mannetjes van de vuurspringer (Philaeus chrysops).