thumb|Chrysler Model B-70 uit 1924. thumb|Chrysler Series E-80 uit 1926. thumb|Chrysler 63-six uit 1927. thumb|Chrysler Model 77 uit 1929. thumb|Plymouth PE DeLuxe uit 1934. thumb|Chrysler Airstream Series C-7 uit 1936. thumb|Chrysler Windsor uit 1946. thumb|Chrysler Newport uit 1950. thumb|Chrysler Imperial Newport uit 1955. thumb|Plymouth Barracuda uit 1966. thumb|Chrysler Cordoba uit 1978-1979. thumb|Eagle Summit (Mitsubishi Galant) uit 1989-1992. thumb|Chrysler LeBaron uit 1990. thumb|Dodge/Plymouth Neon uit 1995-1999. thumb|Chrysler LHS uit 1999-2003. thumb|Chrysler 300M uit 1999-2004. thumb|Chrysler PT Cruiser uit 2001-2005. thumb|Chrysler Sebring uit 2004-2006. thumb|Chrysler Pacifica uit 2004-2006. thumb|Chrysler Crossfire uit 2004-2006. thumb|Chrysler Town & Country (Voyager) uit 2005-2006. thumb|Rood: assemblagefabrieken van Chrysler in de VS. thumb|2011 Chrysler 300 thumb|2011 Chrysler 200 thumb|2011 Chrysler Voyager/Town & Country

FCA US LLC ofwel Chrysler is een autofabrikant uit de Verenigde Staten die in 1925 werd opgericht door Walter Chrysler. Het bedrijf behoort samen met General Motors en Ford Motor Company tot de Grote Drie in de VS. Chrysler kwam op 10 juni 2009 uit een surseance van betaling-procedure (Chapter 11). Sinds 2 januari 2014 was Chrysler volledig in handen van Fiat. Na een interne reorganisatie was FCA US sinds oktober 2014 een dochteronderneming van Fiat Chrysler Automobiles, die is opgegaan in een fusie met PSA tot Stellantis.

Geschiedenis Voorgeschiedenis Walter Chrysler Walter Chrysler werd in 1875 geboren. Na zijn schooltijd werkte hij bij de spoorwegen. Hij werd manager bij de American Locomotive Company toen die in de auto-industrie wilde stappen. Dat kwam niet van de grond en in 1911 werd Chrysler directeur van de Buick Motor Company. In 1919 stapte hij over naar Willys-Overland. Daar probeerde hij John Willys, oprichter en de man die hem had aangenomen, eruit te zetten met een overnamebod. De aandeelhouders hielden hem tegen en in 1921 vertrok Chrysler er.

Maxwell Het automerk Maxwell werd opgericht in 1903 en stond tegen 1920 op de rand van het faillissement. Walter Chrysler werd binnengehaald om de zaak te redden. Het bedrijf werd in de etalage gezet maar het kocht zichzelf terug. In mei 1921 werd de Maxwell Motor Company omgevormd tot de Maxwell Motor Corporation met Walter Chrysler als voorzitter van de raad van bestuur. In 1922 kocht Maxwell de activa van Chalmers over. Maxwell leasete reeds sinds 1917 een fabriek van die autobouwer omdat Maxwell toen goed verkocht en Chalmers niet.

Het begin Op 6 juni 1925 richtte Chrysler de Chrysler Corporation op met zichzelf als directeur en voorzitter van de raad van bestuur. Chrysler nam Maxwell over en in mei werd Maxwell uitgefaseerd en vervangen door de nieuwe Chrysler Four. De eerste modellen van Chrysler waren grotendeels gebaseerd op die van Maxwell.History of Chrysler Corporation and its various marques - Plymouth, Dodge, Jeep, ... Gearchiveerd op 11 oktober 2020.

In juni 1928 startte Chrysler met het nieuwe goedkopere merk Plymouth. In juli van datzelfde jaar werd ook de productie voor een middenklasser gestart. In augustus werd die gelanceerd onder de merknaam DeSoto. In juli nam Chrysler ook al Dodge over voor US$170.000.000. Ook Dodge kwam in de middenklasse terecht, en werd daar net boven DeSoto gepositioneerd. In 1933 werden de posities van Dodge en DeSoto omgewisseld om de verkopen van Dodge op te drijven.

Ook nog in 1928 werd de Chrysler Export Corporation opgericht. In 1929 werd de Chrysler Motor Parts Corporation opgericht, die later Mopar zou worden. Dat jaar werd ook de bouw van het Chrysler Building aangevangen. Dat gebouw moest het toekomstige hoofdkantoor worden en was even het hoogste gebouw ter wereld. In 1931 werd het voltooid en in 1947 werd het verkocht.

De Airflow In 1934 introduceerde Chrysler de Airflow. Die had een voor die tijd ongezien aerodynamisch koetswerk en was het eerste automodel dat met behulp van een windtunnel ontwikkeld werd. Het model werd bijzonder slecht ontvangen door de kopers. Die waren in tijden van crisis niet klaar voor dergelijke radicale vernieuwingen. Het falen was een grote verrassing voor Walter Chrysler die in de Airflow de toekomst van de automobiel zag. Chrysler kon nog terugvallen op haar klassieke modellen maar DeSoto, waarvan de DeSoto Airflow het enige model was, kon dat niet en kwam in de problemen. In 1936 werd de Airflow vervangen door de minder radicale Chrysler Airstream. Uiteindelijk waren het Dodge en Plymouth die Chrysler en DeSoto door de moeilijke jaren 1930 hielpen. Plymouth was daarbij een van de enige merken die de verkoop zag stijgen tijdens de depressie.

Verder in de jaren 1930 was Chrysler de eerste die een gebogen voorruit uit één stuk introduceerde. Dat was in 1934 op de Chrysler Custom Imperial Airflow CW. Nog werd dat jaar de Airtemp Division opgericht voor de productie van verwarmings- en koelingtoestellen en kocht Chrysler de Wyoming Avenue-fabriek van General Motors.

Ten slotte stierf oprichter Walter Chrysler op 18 augustus 1940.

De Tweede Wereldoorlog Reeds lang voor de Tweede Wereldoorlog was Chrysler een van de grootste defensiebedrijven van de Verenigde Staten. Voor het begin van die oorlog werden ook al voorbereidingen getroffen tot oorlogsproductie. Chrysler kon op enkele weken tijd de productie overschakelen op lichte tanks en op een maand tijd een nieuwe fabriek operationeel maken met machines uit de auto-assemblagefabrieken.

In 1940 tekende Chrysler een contract met de Amerikaanse overheid voor de bouw van de Detroit Arsenal Tank Plant in Warren (Michigan) en de productie van tanks. Dat contract was US$54,5 miljoen waard. In januari 1941 leasete Chrysler een fabriek van de Graham-Paige Motor Company voor de productie van onderdelen voor de B-26 Marauder bommenwerper. Ook ontwikkelde Chrysler zelf een nieuwe V12 vliegtuigmotor.

Eind maart 1941 kreeg Chrysler een nieuw contract voor de productie van 40mm-luchtafweergeschut. De onderdelen werden vervolgens in verschillende fabrieken van Chrysler gemaakt en dan geassembleerd. Op 24 april rolde ook de eerste M3 Grant-tank van de band. Op 21 juli kreeg Chrysler een extra order voor de tanks van US$75 miljoen, of ongeveer 2000 stuks.

Naast de voorgaande produceerde Chrysler ook nog veldkeukens, koelkasten, ontstekingen, granaten, landingsgestellen en militaire ambulances en vrachtwagens. Dodge alleen al produceerde een kwart miljoen Beeps. De productie van auto's bleef intussen wel doorgaan. Vanaf 1941 werd die gehinderd door materiaaltekorten. Op 31 januari 1942 kwam de productie van het merk Plymouth tot stilstand.Chrysler prepares for World War II military truck, tank, and defense production

Na de oorlog Pas in 1949 introduceerde Chrysler nieuwe modellen voor al haar merken. In 1951 verscheen ook de eerste versie van Chryslers bekende Hemi V8-motor. De Hemi verscheen eerst in Chryslers topmodellen en een jaar later ook in de DeSoto Firedome. In 1953 nam Chrysler de Briggs Manufacturing Company over voor US$35 miljoen. Dat bedrijf produceerde tot dan koetswerken voor Packard. Chrysler bleef dit verder doen tot het einde van het jaar.

Door het debacle met de Airflow bouwde Chrysler na de oorlog conservatieve auto's. De modellen kwamen niet meer overeen met de veranderende smaak van de consumenten. Die werden verleid door de innoverende stijl van de concurrentie die steeds langere, bredere en lagere auto's bouwde. Ook begon de bouwkwaliteit van Chrysler in de jaren 1950 te tanen. Chrysler, toen nog de nummer twee op de Amerikaanse markt, werd voorbijgestreefd door Ford. Het viel naar de derde plaats met een marktaandeel van ongeveer 20%.Innovation In Supply Chain Management. Gearchiveerd op 21 januari 2022.

In 1955 haalde Chrysler ontwerper Virgil Exner binnen. Onder diens Forward Look-stijl waaide er opnieuw een frisse wind doorheen Chryslers gamma. De nieuwe stijl hield onder meer grote staartvinnen, gebogen glas, een lagere daklijn, een langere motorkap en een meer agressief uiterlijk in. Daarmee stond Chrysler opeens weer aan het front van het vernieuwend design. Maar de nieuwe modellen werden te snel in productie gebracht, met kwaliteitsproblemen tot gevolg. Gecombineerd met een economische recessie zorgde dit er ook voor dat Chrysler in slechte papieren bleef zitten.

Nog in 1955 werd de Chrysler Imperial afgesplitst in de aparte merknaam Imperial. Imperial bleef nog tot 1975 op zichzelf waarna het werd stopgezet. Het model van het merk ging toen over naar Chrysler als de Chrysler New Yorker. Van 1981 tot 1983 werd het merk weer even nieuw leven ingeblazen even maar bij gebrek aan succes werd het opnieuw van de markt gehaald.

Het buitenland Chrysler wilde net als General Motors en Ford Motor Company ook een multinationale autobouwer worden. In tegenstelling tot deze twee had Chrysler nooit voet aan wal gekregen buiten Noord-Amerika.

In 1958 kocht Chrysler de Nederlandse autofabriek Nekaf (Nederlandsche Kaiser-Frazer Fabrieken NV), gevestigd aan de Waalhaven in Rotterdam. Deze fabriek assembleerde Jeeps voor het Nederlandse leger en bouwde ook Simca's af. De fabriek bleef to 1971 bestaan, er werden op het laatst voornamelijk Amerikaanse Chryslers, onder andere de Valiant, geassembleerd. In 1958 jaar nam Chrysler een belang van 25% in het Franse Simca over van Ford. In 1960 werd Simca opgesplitst in Simca Automobiles en Simca Industries voor respectievelijk de auto-activiteiten en de niet-auto-activiteiten. In 1963 verhoogde Chrysler haar belang tot 63%. Daarnaast werd Chrysler Internation S.A. opgericht als opvolger van Chrysler Export Corporation met het hoofdkantoor in Genève (Zwitserland).

In 1964 nam Chrysler een belang van 30% in de Britse Rootes Group die onder meer de automerken Hillman, Sunbeam en Humber en de vrachtwagenmerken Karrier en Commer omvatte. In mei 1966 werd dat belang verhoogd tot 77%. Simca en Rootes werden in 1967 samengebracht in Chrysler Europe. Vooraleerst werden alle inbegrepen merken behouden maar vanaf 1975 werden ze een voor een uitgefaseerd en vervangen door de merknaam Chrysler. De naam Simca bleef wel behouden.

De verwarrende benamingen van de modellen, de alledaagse stijl ervan en de ondermaatse bouwkwaliteit zorgden ervoor dat Chrysler in Europa niet echt van de grond kwam. Intussen was Chrysler op de thuismarkt in zware financiële problemen gekomen en dus had de nieuwe grote man, Lee Iacocca, daar meer dan werk genoeg. Allerminst geïnteresseerd in de Europese markt verkocht hij Chrysler Europe aan PSA Peugeot Citroën voor één symbolische Franse franc. PSA kreeg daarmee de productiesites in handen, maar nam ook de aanzienlijke schulden over. Chrysler werd vervangen door Talbot en de divisie voor commerciële voertuigen, die de merknaam Dodge hanteerde, werd verkocht aan Renault Trucks. In 1984 werd de Renault Espace gelanceerd; Europa's eerste monovolume. Het model was meegekomen uit Chrysler Europe, te riskant bevonden door PSA en doorgesluisd naar Renault. Een kapitale fout, zo bleek later.

Ondertussen in de VS Chrysler was in 1960 de eerste van de Grote Drie die de zelfdragende carrosserie introduceerde in de VS. Ook werd de compacte Valiant geïntroduceerd. Gedurende één jaar was Valiant een apart automerk. In 1961 werd het model overgenomen door Plymouth als de Plymouth Valiant. In Canada bleef het merk Valiant tot 1966 op zich bestaan.

De verkoop van het merk DeSoto ging intussen jaar na jaar achteruit. In oktober 1960 werd de laatste DeSoto gelanceerd. Die heette gewoon DeSoto en kreeg geen modelbenaming meer. Op 30 november 1960 werd de productie stilgelegd en na modeljaar 1961 was het definitief gedaan met het merk. De doelgroep van DeSoto werd daarop overgenomen door de goedkopere Chrysler Newport.