thumb|Toen Leopold III in juli 1950 terug in het land kwam, braken in Wallonië stakingen uit. Politiek spoedoverleg resulteerde in de overdracht van de koninklijke bevoegdheden aan kroonprins Boudewijn. De foto toont een leopoldistische manifestatie in Kortrijk. De koningskwestie is het politieke conflict dat in België ontstond in het begin van de Tweede Wereldoorlog. Het conflict duurde tot 1951 en ging over het al dan niet behouden van Leopold III op de koningstroon.

Op 25 mei 1940 vond een confrontatie plaats op het kasteel van Wijnendale (Torhout) tussen koning Leopold en de regering (vertegenwoordigd door Hubert Pierlot, Paul Henri Spaak, generaal Henri Denis en Arthur Vanderpoorten). Het ging om een diametraal tegen elkaar botsende lezing van de Grondwet, waarbij de koning het als zijn persoonlijk prerogatief beschouwde het leger aan te voeren en beslissingen te nemen, terwijl de regering het er bij hield dat hij voor al zijn daden, ook als opperbevelhebber, de handtekening van een regeringslid behoefde. Aangezien de regering de strijd wilde verderzetten, vroegen ze de koning haar naar het buitenland te vergezellen, wat hij weigerde.

Toen Leopold III de wapens neerlegde en zich vanaf 28 mei 1940 als de krijgsgevangene van de Duitsers beschouwde, werd het conflict openbaar. Hij ging ervan uit dat Duitsland de oorlog had gewonnen en voor lang de Europese politiek zou beheersen. Zijn defaitisme werd veroordeeld in het Franse Limoges, zowel door de regering als door het parlement, waarvan evenwel maar een deel van de leden aanwezig was (186 volksvertegenwoordigers en senatoren op 369). De onmogelijkheid van de koning om te regeren, beslist door de regering, werd toen geacteerd.

Leopolds bezoek aan Hitler in Berchtesgaden (19 november 1940) zorgde voor een escalatie in de afkeurende houdingen, net zoals zijn huwelijk met de zwangere Lilian Baels in 1941. Anderzijds hield de koning zich aan het advies dat hem was gegeven geen pogingen te ondernemen om een nieuwe regering te vormen die onvermijdelijk, zoals in Frankrijk, zou gecollaboreerd hebben. Hij liet de regering in Londen alle ruimte, ook al weerhield hij zich van contacten met haar.

Na de terugkeer van de regering begin september 1944 namen de voornaamste regeringsleden, en ook de geallieerden, kennis van het 'politiek testament' dat de koning had achtergelaten, nadat hij door de Duitsers op 7 juni 1944 was weggevoerd, en dat groot ongenoegen veroorzaakte. De hoofdredenen hiervoor waren: dat Leopold III excuses eiste van de regering-Pierlot voor de in juni 1940 over hem geuite kritiek, dat hij respect noch dankbaarheid betoonde tegenover de geallieerde bevrijders, dat hij evenmin de inspanningen erkende van de regering in ballingschap en van het verzet.

Dit leidde tot een constitutionele crisis, waarbij Leopold niet kon terugkeren zolang geen parlementaire meerderheid werd gevonden om zijn onmogelijkheid tot regeren op te heffen. Terwijl zijn broer Karel van België het regentschap waarnam, werd steeds duidelijker dat zich een kloof aftekende in de publieke opinie tussen het Vlaamse en het Franstalige landsgedeelte, respectievelijk pro en contra Leopold. Dit ging ook mee terug op een verschil in behandeling tijdens de oorlogsjaren, waarbij de Duitsers in 1940 de Vlaamse krijgsgevangen soldaten hadden vrijgelaten terwijl de Walen tot het einde van de oorlog gevangen bleven.Philippe Destatte, Histoire de la Belgique contemporaine. Société et institutions, 2019, p. 117-134

De christendemocratische en liberale coalitieregering dacht in 1950 een uitweg te vinden in een volksraadpleging. Ze werd in maart 1950 gehouden, met als resultaat een overweldigende steun voor terugkeer in de Vlaamse arrondissementen (16 op 16 Vlaamse kiesarrondissementen voor terugkeer), maar met een negatief resultaat in 9 op 13 Waalse arrondissementen, evenals in het toenmalige kiesarrondissement Brussel. Globaal Resultaat: 57,68% voor de terugkeer en 42,32% tegen; 20 arrondissementen voor op een totaal van 30. Drie maanden later (4 juni 1950) later volgden parlementsverkiezingen, waarbij de christelijke partij CVP/PSC (vóór terugkeer) een meerderheid haalt in Kamer en Senaat. Dit nieuwe parlement beslist de onmogelijkheid tot regeren op te heffen en op 22 juli 1950 keert Leopold naar België terug. Dit leidde in Wallonië tot aanslagen, tot een algemene staking en tot de schietpartij van Grâce-Berleur op een manifestatie nabij Luik waarbij vier doden vielen. Een 'mars op Brussel' werd aangekondigd. De regering Duvieusart deelde aan de koning mee dat ze niet in staat zou zijn de orde te handhaven. Tijdens de zogenaamde "Nacht van Laken" vond Leopold III uiteindelijk niemand bereid een andere regering te vormen en verdere risico's te lopen m.b.t. de openbare orde.

De situatie kwam pas tot bedaren toen Leopold aankondigde dat hij zou aftreden ten gunste van zijn zoon Boudewijn, die met onmiddellijke ingang het regentschap opnam als Koninklijke Prins. Het aftreden geschiedde vervolgens op 16 juli 1951 en de volgende dag legde kroonprins Boudewijn, 20 jaar en 10 maanden oud, als nieuwe koning de grondwettelijke eed af.

miniatuur|Leopold III en koningin Astrid in 1926.

Ontstaan miniatuur|links|Paul-Henri Spaak, eerste minister van 1938 tot 1939 en lid van de regering-Pierlot in Londen. Al van voor de Tweede Wereldoorlog leefde Leopold op gespannen voet met zijn regeringen. Hij verweet de ministers dat ze elkaar in hoog tempo opvolgden en dat ze in de greep waren van niet-constitutionele instellingen zoals partijen en vakbonden. Politiek leek aldus meer op een compromis van materiële belangen dan op het dienen van het algemeen belang. Hij zag het als zijn plicht daartegen in te gaan. Omgekeerd was er eveneens wantrouwen. Na de inval van nazi-Duitsland weigerde Leopold met zijn regering in ballingschap te gaan in het Verenigd Koninkrijk, in tegenstelling tot koning Haakon VII van Noorwegen, groothertogin Charlotte van Luxemburg en koningin Wilhelmina der Nederlanden. Hij wilde in zijn land blijven, zoals koning Christiaan X van Denemarken, hierbij voorrang gevende aan zijn hoedanigheid van opperbevelhebber.

Leopold verklaarde toen:

De koning was ervan overtuigd dat Adolf Hitler de oorlog had gewonnen en dat hij het lang voor het zeggen zou hebben. Een Belgisch bestuur moest in het land blijven om de onafhankelijkheid en het voortbestaan van het land en van de dynastie te garanderen. De regering meende daarentegen dat, zolang Britten en Fransen bleven vechten, België zich niet bij de nederlaag mocht neerleggen, zelfs niet na de bezetting. Daarom trok de regering zich terug naar Frankrijk en later naar Londen en eiste ze dat de koning zich als staatshoofd bij zijn regering zou voegen.

Capitulatie thumb|Belgische propagandaposter van koning Leopold III met opschrift "28 Mei 1940, Halt, Sire Dat Vergeten Wij Nooit" naar aanleiding van de 18-daagse veldtocht. Op 28 mei 1940 capituleerde Leopold en werd hij formeel krijgsgevangene. Meteen verklaarde de regering vanuit Parijs dat de koning voortaan in de onmogelijkheid tot regeren verkeerde en de ministerraad de koninklijke macht zou uitoefenen, tot een regent werd aangewezen. Op de Franse radio viel eerste minister Hubert Pierlot de koning aan, waarop Leopold zijn regering niet meer erkende. Het gedeelte van de Belgische parlementsleden dat in de Franse stad Limoges aanwezig was, keurde de houding van de regering goed. Van juni tot augustus twijfelde de regering Pierlot over de te volgen koers. Op 18 en 19 juni was ze reeds van mening "iedere vijandige daad tegenover de Duitsers [te moeten] vermijden". Na de Franse capitulatie van 22 juni raakten een aantal ministers overtuigd van het gelijk van de koning. Op 26 juni schreef de regering een brief aan Leopold waarin zij haar ontslag voorstelde zodra de vorst dat wenselijk achtte om een nieuwe regering te vormen. In dezelfde brief (met als koerier de Belgische diplomaat burggraaf Joseph Berryer) had eerste minister Pierlot het over twee dringende zaken die dienden te worden behandeld, één ervan was met de Duitsers de voorwaarden te bespreken van een wapenstilstand of een overeenkomst betreffende België. De vorst weigerde te antwoorden en later verbood Hitler die ministers om terug te keren.

De ministers Marcel-Henri Jaspar (Volksgezondheid) (op eigen houtje), en Albert De Vleeschauwer (Koloniën) en Camille Gutt (Financiën) (in opdracht van de regering) weken intussen naar Engeland uit. De Vleeschauwer, die Belgisch-Congo onder zijn gezag had, sloot een akkoord met de Britse regering om de strijd voort te zetten en hij overtuigde zijn collega's Pierlot en Paul-Henri Spaak, die in Vichy verbleven, om via Spanje en Portugal naar Londen te komen en daar als Belgische regering de strijd, aan de zijde van de geallieerden, verder te zetten.

Krijgsgevangen in Laken Hoewel hij formeel krijgsgevangen was, verbleef de koning met zijn hofhouding en kinderen in het kasteel van Laken en onderhield hij contact met enkele politici in België, in de eerste plaats met de autoritaire socialist Hendrik De Man. Deze invloedrijke leider schreef in die dagen een Manifest waarin hij opriep de Duitse overwinning te aanvaarden en België, 'verlost' van het parlementarisme, op te bouwen met één partij rond de koning. Toen hij de tekst begin juli 1940 wilde publiceren, verbood de bezetter dit. Manifeste aux membres du P.O.B., in: Le dossier Leopold III et autres documents sur la période de la seconde guerre mondiale, Genève, Ed. des Antipodes, 1989. Onvoorzichtige uitspraken maakten ondertussen dat hij op het Paleis persona non grata was geworden. Hij verliet de politiek en trok zich in de Franse regio Savoie en in Zwitserland terug.

Ontmoeting met Hitler Een mogelijke ontmoeting tussen Leopold en Hitler werd al, onmiddellijk na de capitulatie, op initiatief van deze laatste vooropgesteld. Op 31 mei kreeg Leopold hiervoor een formele uitnodiging, die hij aanvaardde, onder de voorwaarde dat de ontmoeting incognito zou gebeuren. Hitler ging hier niet mee akkoord. De bijeenkomst werd derhalve uitgesteld. Toen de koning er op 26 augustus via zijn bewaker, kolonel Werner Kiewitz, aan herinnerde, was de belangstelling bij Hitler verdwenen. Hij had ondertussen wrevel opgevat tegenover de koning en met een instructie van 14 juli beslist dat de handelingsvrijheid van Leopold III beperkt en gecontroleerd diende te worden. Hij was ontstemd over de rol die Leopold vanuit zijn residentie in Laken speelde met de talrijke audiënties die hij verleende aan Belgische personaliteiten.

Het bezoek aan België van zijn zus Marie-José, de echtgenote van de kroonprins van Italië, Duitslands bondgenoot, was aanleiding voor Leopold om Hitler opnieuw te benaderen. Marie-José reisde van Brussel naar Berchtesgaden (en terug) en bemiddelde bij Hitler om Leopold te ontvangen. De ontmoeting vond plaats op 19 november 1940 in Berchtesgaden. Hitler bevestigde dat Leopold niet zou regeren zolang de oorlog duurde en weigerde toezeggingen omtrent de toekomst van België na de oorlog. Ook met betrekking tot de voedselbevoorrading en het lot van de krijgsgevangenen bereikte Leopold niets.

Lilian Baels miniatuur|Kardinaal Jozef Van Roey in 1929.