Eduard Douwes Dekker (Amsterdam, 2 maart 1820 – Ingelheim am Rhein, 19 februari 1887) was een Nederlandse auteur en bestuursbeambte. Hij is vooral bekend vanwege zijn roman Max Havelaar, of De koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij, die in 1860 verscheen onder het pseudoniem Multatuli (Latijn voor 'ik heb veel (leed) gedragen'). Hij schreef ook toneelstukken, pamfletten - soms in briefvorm - en aforismen.
Douwes Dekker groeide op in Amsterdam. Hij trok in 1838 met zijn vader naar Batavia in Nederlands-Indië (thans Jakarta in Indonesië). Daar verwierf hij in 1839 een baan als ambtenaar. Hij zag er de vele wantoestanden onder verantwoordelijkheid van het Nederlandse koloniale bewind.
Zijn debuutroman, de kaderroman Max Havelaar, hekelt op basis van zijn eigen ervaringen de behandeling van de plaatselijke bevolking door Nederlandse en Nederlands-Indische bestuurders. De van 1862 tot 1877 verschenen zeven bundels met 1282 genummerde Ideen bevatten overwegend essayistische aforismen, maar ook de roman Woutertje Pieterse en het toneelstuk Vorstenschool zijn in deze gevarieerde verzameling te vinden.
Zowel de persoonlijkheid als de schrijfstijl van Douwes Dekker had grote invloed op belangrijke schrijvers uit volgende generaties, waaronder de Tachtigers, Nescio, Elsschot, Du Perron, Hermans en Karel van het Reve. Internationaal werd hij gelezen, met bekendheid in Indonesië en de Sovjet-Unie. Maar vooral in Duitsland: veel werk van hem werd in het Duits vertaald rond 1900-1910 en dit was een bron van inspiratie voor de feministische beweging aldaar. Karl Marx en Sigmund Freud waardeerden hem en poogden hem zelfs in het Nederlands te lezen. In juni 2002 werd Max Havelaar door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde uitgeroepen tot het belangrijkste Nederlandstalige letterkundige werk aller tijden. In 2004 eindigde Multatuli op de 34e plaats in de verkiezing van de grootste Nederlander.
Levensloop Jeugd en leertijd Eduard Douwes Dekker werd geboren in de Korsjespoortsteeg (tegenwoordig: nr. 20) in AmsterdamGeboorteakte van Eduard Douwes Dekker als vierde van vijf kinderen van een doopsgezinde familie: de andere kinderen waren Catharina (1809-1849), Pieter Engel (1812-1861), Jan (1816-1864) en Willem (1823-1840). Zijn vader, Engel Douwes Dekker, was een scheepskapitein afkomstig uit de Zaanstreek.Dik van der Meulen (2002): Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker. Nijmegen, Sun, , pp. 34-36. Engels ouders waren Pieter Douwesz en Engeltje Dekker. Engel Douwes voegde de achternaam van zijn moeder aan zijn achternaam toe.Multatuli, Jeugd, biografische gegevens op de website van het Multatuli Museum De officiële achternaam zou echter Dekker zijn geweest; op de trouwakte van Eduard Douwes Dekker en Mimi Hamminck Schepel (1875) wordt de achternaam van de bruidegom vermeld als "Dekker, zich noemende en schrijvende Douwes Dekker".De raadselachtige Multatuli, W.F. Hermans; pagina 17. Gearchiveerd op 1 mei 2019. Zijn moeder Sietske Eeltjes Klein (soms ook Klijn) was huisvrouw, afkomstig van Ameland.
Hij bezocht de Latijnse school aan het Singel, een voorloper van het huidige Barlaeus Gymnasium. Na twee of drie jaar verliet hij de Latijnse school zonder diploma, waarna hij enige tijd als jongste bediende in een textielzaak werkte.Stuiveling (1985), p. 401 In 1838 reisde hij aan boord van het schip waar zijn vader het gezag over voerde naar Nederlands-Indië, waar ze in 1839 aankwamen in de hoofdplaats Batavia. Aldaar trad hij in dienst van het Binnenlands Bestuur als commies van de Algemene Rekenkamer.
In de daaropvolgende jaren maakte hij gestaag promotie als bestuursambtenaar, al beviel het financiële werk hem maar matig. Batavia, waar hij de eerste anderhalf jaar – los van het Nederlandse, kleinburgerlijke milieu – een vrolijk en afwisselend leven leidde, begon hem steeds meer tegen te staan. Omdat hij bovendien (speel)schulden had gemaakt, solliciteerde hij bij de gouverneur-generaal naar een post in een buitengewest.
Bestuursambtenaar in Nederlands-Indië thumb|Stamboek van Oost-Indische ambtenaren: Inschrijving van Eduard Douwes Dekker (Multatuli), 1839-1887 Douwes Dekker werd op 12 oktober 1842 benoemd tot controleur van het roerige district Natal aan de westkust van midden-Sumatra.
In 1842, na afloop van een inspectietocht in noord-Sumatra (Atjeh), vraagt Douwes Dekker aan de Atjehse vorst Keteh of hij diens dertienjarige dochter Si Oepi mag meenemen naar huis als zijn njai (concubine), en dat mocht van Keteh. Toen Douwes Dekker enige tijd later financieel krap kwam te zitten werd het meisje weer naar haar vader teruggestuurd.‘Seks in de kolonie: die beroemde VOC-mentaliteit was [wellicht] vooral een dirty mind ’. NRC, 6 augustus 2026 (website), 7 augustus 2026 (papieren krant; alleen in de papieren krant is het woord “wellicht” ingevoegd in de titel). Geraadpleegd 8 augustus 2026. Dit krante-artikel is een boekbespreking van het boek van Lizzy van Leeuwen: Indehoy! Geschiedenis van seks in Indië 1602–1942. Walburg Pers, 448 pagina’s. (Vermoedelijk uitgegeven 2026.) Douwes Dekker omschreef Si Oepi Keteh later als "een van mijn eerste liefdes". Nog altijd wordt er een haarlok van haar, die Douwes Dekker zijn leven lang bij zich hield, bewaard op het Multatuli-museum.De nieuwe koloniale leeslijst, Saskia Pieterse & Lisanne Snelders, blz. 35, Das Mag, De groene Amsterdammer, Amsterdam 2021DBNL biografische gegevens Eduard Douwes Dekker. Gearchiveerd op 30 november 2022. Het was destijds heel 'gewoon' – in de zin van: gebruikelijk – om jonge inlandse vrouwen te koppelen aan vrijgezelle Nederlandse ambtenaren.
Onder Douwes Dekkers controleurschap bleek in Natal echter een kastekort, waarover hij een ernstige berisping kreeg van de gouverneur van Sumatra's Westkust, generaal Michiels. Het leverde hem het etiket "eerloos" op, waardoor Douwes Dekker zich bijzonder gegriefd voelde. Toen hij wegens het tekort te Natal door Michiels tijdelijk was geschorst en naar eigen zeggen zelfs honger leed, schreef hij, om zich te revancheren, het toneelstuk De eerloze, later uitgegeven als De bruid daarboven. Tooneelspel in vijf bedrijven.
Het staat niet vast dat Douwes Dekker voor het kastekort te Natal wel geheel verantwoordelijk was; door zijn bemoeienis met plaatselijke conflicten had hij nauwelijks tijd om zich met de financiën bezig te houden. Het tekort dateerde al van voor Douwes Dekkers komst, en was volgens de Max Havelaar, waarin deze episode uitgebreid beschreven wordt, ontstaan doordat gelden voor troepenzendingen naar het binnenland niet waren geadministreerd. Maar Douwes Dekker had zijn hoofd duidelijk niet bij de administratie en reageerde bovendien koppig en gepikeerd als hij aangesproken werd op fouten. Gewestelijk secretaris Van de Ven, die het bestuur overnam van de geschorste Douwes Dekker, schreef aan de gouverneur dat deze achter was met alle stukken, fouten maakte, voorschriften veronachtzaamde, en niet op klachten reageerde.
Tot de ergernis van zijn collega's droeg bij dat Douwes Dekker, naast zijn onnauwkeurigheden en zijn verontschuldiging dat hij voor de administratie 'minder geschiktheid bezat', zich ook niet hield aan de ongeschreven regels van de plaatselijke ambtenarij. Deze hielden onder meer in dat de koeliebonnen voor zout- en geldtransporten maar voor vier gulden werden geadministreerd, de dragers deden het echter nooit voor minder dan acht. Gewoonte was om een paar dragers meer op de lijst te zetten dan er waren geweest. Maar in dit soort zaken bleef Douwes Dekker principieel tegen knoeierijen en administreerde hij onverkort acht gulden per drager.
Door zijn administratieve achterstanden én het tekort werd zijn schorsing in Natal nu definitief; de geharde generaal Michiels, die de vele opstanden op West-Sumatra met succes had neergeslagen, werd later door de Algemene Rekenkamer te Batavia in het ongelijk gesteld. Maar Douwes Dekker was als jong bestuursambtenaar de strijd met hem aangegaan en moest daarom het veld ruimen. Nadat hij het tekort uit eigen middelen had aangevuld, werd hij op wachtgeld gezet en naar Java overgeplaatst.
Eerste huwelijk, carrière en verloftijd Terug op Java trouwde Douwes Dekker op 10 april 1846 met Everdina “Tine” Huberta van Wijnbergen. Uit dit huwelijk zouden twee kinderen geboren worden: zoon Edu in 1854 en dochter Nonni in 1857. Met Edu bleef de verhouding zijn leven lang moeilijk. Dat Douwes Dekker naast zijn vrouw ook relaties met andere vrouwen onderhield, was voor Tine een zware beproeving, vooral na hun terugkeer naar Nederland en het begin van zijn literaire carrière.
Na functies in 's lands dienst te Karawang en Purworedjo, waar hij in ondergeschikte posities werkte, werd Douwes Dekker in 1848 benoemd tot secretaris van de residentie Manado op het eiland Celebes, waarmee hij volledig herstel van zijn ambtelijke carrière genoot. Zijn sterke rechtvaardigheidsgevoel voor de inlandse bevolking vond hier waardering bij resident Scherius, die bij zijn vertrek in 1851 Douwes Dekker als zijn opvolger aanbeval. Het gouvernement ging hier niet op in; Douwes Dekker maakte opnieuw privéschulden en tijdens zijn latere verlof in Nederland bleek bovendien dat hij ook hier een bestuurlijk kastekort achterliet, waarvan de precieze toedracht niet is opgehelderd. Uit zijn tijd in Manado is verder een toespraak tot de inlandse hoofden overgeleverd, die sterke gelijkenis vertoont met de beroemde toespraak uit Lebak, die de schrijver Douwes Dekker later zou verwerken in zijn Max Havelaar.
Eind 1851 beklom Douwes Dekker een nieuwe sport op de bestuurlijke ladder door zijn plaatsing te Ambon als assistent-resident, maar om gezondheidsredenen werd hem reeds na enkele maanden een langdurig verlof naar Nederland toegestaan, waar hij van 1852 tot mei 1855 verbleef. Hij maakte er vele plannen voor onder andere boekuitgaven, maar verwezenlijkte er weinig. Wel maakte hij tal van schulden, naar het schijnt in de ijdele veronderstelling dat hem geld zou toevloeien via de familie van zijn vrouw. Ondanks zijn later succes als schrijver, werd hij vrijwel zijn hele leven door schuldeisers achtervolgd. Daarbovenop kwamen nog Douwes Dekkers vergeefse pogingen om in het casino aan de roulettetafel een grote slag te slaan. Multatuli's Millioenen-studiën doet daar verslag van.
De zaak-Lebak thumb|links|200px|Eduard Douwes Dekker in 1853 right|240px|thumb|Karta Nata Negara Raden Adipati Na aankomst te Batavia eind 1855 werd Douwes Dekker benoemd tot assistent-resident van Lebak op Java, waar hij in januari 1856 zijn intrek nam in de hoofdplaats Rangkasbitung. Douwes Dekker was slecht bij kas – onder andere door zijn vrijgevigheid –, maar zijn toekomst zag er op dat moment gunstig uit: hij had een goede staat van dienst en zou waarschijnlijk wel tot resident bevorderd worden. Het liep echter anders. In Lebak werd hij geconfronteerd met ernstig machtsmisbruik door de plaatselijke inlandse hoofden; bovendien meende hij uit tal van aanwijzingen op te kunnen maken dat zijn voorganger Carolus (in de Havelaar Slotering genoemd) door de regent was vergiftigd, naar hij vermoedde wegens diens pogingen om wantoestanden op het spoor te komen. Zijn aanklacht tegen Karta Nata Negara, de regent van het district Lebak, die zijn bevolking meedogenloos uitzoog, werd door het Nederlands-Indische bestuur afgewezen.