De geschiedenis van het christendom, ook kerkgeschiedenis genoemd, is een vakdiscipline binnen de theologie en de geschiedenis van de wereld. Dit vakgebied onderzoekt en beschrijft het ontstaan en de ontwikkeling van de christelijke religie, de dogmageschiedenis (ontwikkeling van de christelijke theologie) en de sociologische en (kerk)politieke ontwikkeling van de Kerk als instituut. Hierbij worden aspecten betrokken uit de sociale, economische en rechtsgeschiedenis en uit de historische geografie, voor zover deze samenhangen met de geschiedenis van het christendom.

Christelijke stromingen in de geschiedenis Een gedetailleerde behandeling van de geschiedenis van christelijke kerkgenootschappen en stromingen zoals de Rooms-Katholieke Kerk, oosterse kerken, gereformeerd protestantisme en het lutheranisme kan gevonden worden in de artikelen daarover. protestantisme Noord-Europa, Noord-Amerika Reformatie 16e eeuw     anglicanisme Engeland   katholicisme westerse rite Zuid-Europa, Zuid-Amerika Vereniging katholicisme vroege christendom Grote Schisma 11e eeuw   Oosters-katholieke kerken Oost-Europa, Midden-Oosten 431   451         Oosters-orthodoxe kerken Oost-Europa, Rusland       oriëntaals-orthodoxe kerken Ethiopië, Egypte, Armenië   Assyrische Kerk van het Oosten Syrië, Irak, Iran

Het vroege christendom (tot circa 300)

Eerste eeuw: het ontstaan van de Kerk right|thumb|Apostel Paulus In de tweede helft van de eerste eeuw worden de geschriften geschreven die nu samen het Nieuwe Testament vormen, en die vrijwel de enige bron vormen voor de huidige kennis van het christendom in de eerste eeuw. Uit het Nieuwe Testament valt op te maken dat het christendom wortelt in de prediking van Jezus. Nadat hij tijdens een proces onder Pilatus werd veroordeeld tot kruisiging en hij een smadelijke dood onderging (het Passieverhaal), was dit voor zijn leerlingen niet het einde. De verhalen over de opstanding van Jezus vertellen over een lege graftombe en verschijningen van de opgestane Jezus aan zeker 500 leerlingen (1 Korintiërs 15:5-6). In Handelingen 1:13-15 wordt gesproken van ongeveer 120 leerlingen die in de dagen na Jezus' hemelvaart bij elkaar verbleven in een bovenvertrek in Jeruzalem. Na de aanwas van leerlingen vanaf Pinksteren wordt voor het eerst gesproken over een "gemeenschap" (Handelingen 2:41-42). Dit wordt over het algemeen gezien als het begin van de Kerk.

In eerste instantie werden de aanhangers van de jonge christelijke Kerk beschouwd als een joodse sekte (Handelingen 24:14). Incidenteel werd deze aangeduid als "De Weg" (Handelingen 9:2;19:9,23;22:4;24:14,22), maar in Antiochië werden de gelovigen voor het eerst "christenen" genoemd (Handelingen 11:26).

Geen auteur in het Nieuwe Testament heeft meer invloed gehad op het christelijk denken en de christelijke theologie dan Paulus.E.P. Sanders (2013): Saint Paul, the Apostle, Encyclopædia Britannica Soms wordt zelfs gesproken van "Paulijns christendom", ter onderscheid van het "Joods christendom"Er is geen consensus over de juiste term: joods christendom of christelijk jodendom. Beide uitwisselbare termen duiden de volgelingen aan die Jezus als Messias / Christus accepteerden en tegelijkertijd bleven vasthouden aan naleving van de Joodse wet. - de aanduiding van de oorspronkelijk uitsluitend Joodse aanhangers van Jezus, die zichzelf beschouwden als onderdeel van de door God uitverkoren Israëlieten en hierin alleen afweken omdat zij Jezus beschouwden als de Messias - met opvolgers als de ebionieten. Paulus' opvatting dat bekeerde niet-Joden niet gebonden waren aan de wet van Mozes leidde tot grote conflicten; het Concilie van Jeruzalem probeerde deze op te lossen.

Mede door Paulus' rol in de verspreiding van het christelijke evangelie kon de beweging uitgroeien tot de wereldreligie die het nu is. Hij maakte enkele grote zendingsreizen. Ook andere apostelen zoals Petrus zouden zendingsreizen hebben gemaakt buiten Israël.

Tweede eeuw: apostolische vaders De tweede eeuw kenmerkt zich voor het vroege christendom vooral door het verdwijnen van het joods christendom, de groei van het paulijns christendom en de groei van de gnostiek.

Na het einde van de kerk in Jeruzalem (70) en de dood van de apostelen ontstond het vraagstuk over het leiderschap van de Kerk. Paus Clemens I († ca. 100) introduceerde de apostolische successie, met een hiërarchische keten: God, Christus, de apostelen, de bisschoppen.1 Clemens 42-44 De apostelen hadden hun gezag (naar verluidt) overgedragen aan de vroegste apostolische vaders.

In de eerste eeuwen van het christendom was er geen duidelijk of eenduidig omschreven theologie. Het christelijke denken was nog volop in beweging en er waren nog geen dogma’s vastgesteld. De meeste werken waren apologetisch van aard en verdedigden het christendom richting het paganisme en het jodendom. De apologeten betoogden vaak dat het jodendom de Hebreeuwse Bijbel verkeerd begrepen en geïnterpreteerd had. In hun werken was de Hebreeuwse Bijbel de ultieme autoriteit, maar werd de Joodse wet gespiritualiseerd en gezien als een voorafschaduwing van dingen die in het christendom zouden worden vervuld, in navolging van de Brief aan de Hebreeën (bijvoorbeeld 10:1).

Tot in de tweede helft van de tweede eeuw konden gnostische en niet-gnostische christenen nog deel uitmaken van dezelfde christelijke gemeente. Een geschrift als Uitleg van de Gnosis, een van de Nag Hammadigeschriften, maakt dat duidelijk. Gnosis is in de kern het verwerven van het inzicht in de oorsprong, huidige situatie en de bestemming van de mens. Wie de werkelijke situatie kent en dus ook weet, kennis heeft van zijn goddelijke kern en van de mogelijkheid tot terugkeer naar de goddelijke wereld heeft gnosis. Met name vanaf de vierde eeuw wordt de positie van de gnostische beweging steeds meer precair. Vanaf eind vierde eeuw werd een harde lijn van vervolging ingezet en werden gnostische groepen in feite gelijk gesteld met heidenen en vervolgd. In de vijfde eeuw gaat deze synchroon lopen met de vervolging van het manicheïsme. In de zevende eeuw is in het westen geen gnostische beweging meer aanwezig.

Marcion Marcion van Sinope († ca. 160) had een dualistische opvatting. Hij stelde dat de God van de Hebreeuwse Bijbel (de demiurg) een andere god was dan de Vader van Jezus. Hij verwierp de Hebreeuwse Bijbel in zijn geheel in plaats van deze te allegoriseren. Daarnaast wilde hij de gezaghebbende christelijke werken (inclusief die later opgenomen zouden worden in de canon van het Nieuwe Testament) zuiveren van invloeden vanuit het jodendom.

Marcion geloofde dat zelfs de apostelen de bedoelingen van hun Meester verkeerd hadden begrepen en niet hadden gezien hoe nieuw zijn boodschap feitelijk was. De enige apostel die Jezus' leer goed had begrepen was volgens hem Paulus, maar zelfs in diens werken zag hij vervuilingen door joodse invloeden. Om die reden begon hij met het produceren van een gezuiverde tekst van de brieven van Paulus en het evangelie van Lucas (waarvan hij dacht dat het in de oorspronkelijke vorm een werk van Paulus was) - het evangelie volgens Marcion. De andere evangeliën en brieven verwierp hij.

Na zijn excommunicatie in 144 stichtte hij zijn eigen Kerk, het marcionisme; deze gebeurtenis wordt soms beschouwd als het eerste schisma binnen de christelijke Kerk.A. Von Harnack (1924): Marcion. Das Evangelium vom fremden Gott, J.C. Hinrichs'sche Buchhandlung, Leipzig, pag. 21-30.E. Evans (1973): Tertullian. Adversus Marcionem, The Classical World 66 (8):493

Canonvorming van het Nieuwe Testament

In zekere zin trof deze actie van Marcion de christelijke gemeenschap als donderslag bij heldere hemel. Er was eenvoudig nooit een vraag geweest over het al dan niet terechte gezag van evangeliën, brieven of openbaringen. Opeens werd het dringend noodzakelijk vast te stellen welke werken "juist" waren en welke vervalsingen of op andere wijze onwaardig in de kerken gebruikt te worden.

Reeds aan het einde van de 2e eeuw bestond een canon die niet veel van de huidige verschilde. De tweede helft van de 4e eeuw vormde de beslissende fase van canonisering. Canoniciteit werd door de Kerk bepaald aan de hand van veronderstelde apostolische oorsprong. Bijvoorbeeld het evangelie volgens Marcus was canoniek omdat volgens de traditie Marcus de verkondiging van de apostel Petrus op schrift gesteld had. Bij de canonisering moest men er rekening mee houden dat sommige boeken ten onrechte pretendeerden geschreven te zijn door een bepaalde auteur (pseudepigrafen). De boeken die buiten de canon gevallen zijn worden apocriefe boeken genoemd.

Derde eeuw: kerkvaders De kerkvaders waren de auteurs die in de eeuwen na de apostolische vaders publiceerden over thema's binnen het christendom en hiermee de belangrijkste onderwerpen in de christelijke theologie tot aan de Reformatie bepaalden. Deze periode wordt meestal tot de 8e eeuw gerekend.

Vervolgingen Lactantius merkt in zijn werk Hoe de Christenvervolgers aan hun Einde kwamen op dat de christenen verschillende bevolkingsgroepen van verschillende streken bijeenbrachten. Het toenmalige Romeinse Rijk voelde dit aan als een bedreiging. Meer bepaald het boven-lokaal karakter ervan, het multi-etnische aspect en de sociaal gevarieerde sociologische samenstelling van christenen. Daardoor verschilden zij van bijna alle andere religieuze groepen en was een aanleiding tot vervolging ervan.

Christenvervolgingen werden hervat door de keizers Decius omstreeks 250 en de Christenvervolgingen door Diocletianus, Galerius en Maximinus aan het begin van de 4e eeuw. In de tijd van Diocletianus waren christenen ook aan het hof gewoon, maar in 303 besloot de keizer, onder invloed van Galerius, het christendom in de ban te doen.

Het christendom in de laat-Romeinse tijd (circa 300-500)

thumb|Zilveren ring met christogram uit een 4de-eeuwse christelijke begraafplaats in laat-Romeins Tongeren, een van de oudste bewijzen voor een christelijke gemeenschap in de Lage Landen, Gallo-Romeins Museum (Tongeren) thumb|Athanasius

Het christendom wordt staatsgodsdienst In 301 bekeerde Grigor Lusavorich (St. Gregorius de Verlichter) de Armeense koning Tiridates IV en het christendom werd – in dit land als eerste in de wereld – staatsgodsdienst. In 326 werd het christendom eveneens staatsgodsdienst in Iberië (Oost-Georgië), onder koning Mirian III en koningin Nana.

In het Romeinse rijk kwam er een einde aan de christenvervolgingen van Diocletianus (303-305) en Galerius (305-311). Tijdens de regering van Constantijn de Grote werd in het edict van Milaan (313) godsdienstvrijheid toegestaan. In feite werden vanaf dat moment de andere godsdiensten dan het christendom benadeeld. Ten tijde van het Edict van Milaan was waarschijnlijk nog slechts 10% van de bevolking van het Romeinse Rijk christen, maar veertig jaar later was dat al ongeveer de helft. Dat kwam met de prijs van onafhankelijkheid, aangezien Constantijn een verenigde kerk nodig had als legitimatie. In 325 riep hij dan ook op tot een oecumenisch concilie om consensus te bereiken in de Kerk door middel van een vergadering die het hele christendom vertegenwoordigde. Tijdens het concilie van Nicea werd het Arianisme veroordeeld en de geloofsbelijdenis zoals die vandaag de dag bekend is vastgelegd. Het concilie van Nicaea wordt traditioneel beschouwd als het eind van de vroeg-christelijke periode.

Het kortstondige streven van keizer Julianus de Afvallige om de christelijke vloedgolf te stuiten, liep op een mislukking uit. Onder keizer Theodosius I werd het christendom in 380 zodanig bevoordeeld dat sprake was van een staatsgodsdienst, en werden vanaf 392 alle andere godsdiensten verboden.