Anchiceratops is een vermoedelijk monotypisch geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de Ceratopia, dat tijdens het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

De eerste fossielen van Anchiceratops werden in 1912 in Canada opgegraven. In 1914 kreeg het geslacht zijn naam die 'bijna Ceratops [in ontwikkeling bereikend]' betekent, toen de typesoort Anchiceratops ornatus benoemd werd. In 1929 werd een tweede soort benoemd: Anchiceratops longirostris, maar daarvan wordt tegenwoordig gedacht dat het om hetzelfde dier gaat als A. ornatus. Van de soort zijn in totaal een dozijn schedels gevonden. Er is ook één exemplaar bestaande uit een romp aangetroffen dat lange tijd als die van Anchiceratops beschouwd werd. Later concludeerde men dat dit niet zeker is.

De kop van Anchiceratops droeg een kleine neushoorn en twee lange naar voren stekende hoorns boven de ogen. Van de achterkant van de schedel stak een lang rechthoekig nekschild uit, waarvan de rand versierd was door grote driehoekige uitsteeksels. Iets voor de achterrand van het schild bevonden zich twee eigenaardige zijwaarts uitstekende bulten. Als de gevonden romp toch bij Anchiceratops hoort, werd die zo'n vier meter lang en ruim een ton zwaar. Nek en bekken waren dan erg lang, de staart juist bijzonder kort. De poten waren kort maar stevig en zwaargespierd. Misschien waren dit aanpassingen voor een levenswijze die gedeeltelijk in het water plaatshad als bij een huidig nijlpaard.

Vondst en naamgeving In 1912 vond Barnum Brown elf kilometer ten zuiden van Tolman Ferry nabij de Red Deer River, in de Canadese staat Alberta, een grote schedel van een ceratopide die hij in 1914 benoemde als de typesoort Anchiceratops ornatus. De geslachtsnaam betekent 'bijna Ceratops, vanuit het Oudgrieks ἄγχι, anchi, 'nabij', een verwijzing naar het feit dat volgens Brown het geslacht wat betreft de evolutie van het nekschild tussen Monoclonius en Triceratops in stond. De soortaanduiding betekent 'versierd' in het Latijn, een verwijzing naar de ornamenten op de rand van het nekschild. left|thumb|Het holotype AMNH 5251 van de linkerzijde bezien Het holotype AMNH 5251''' is gevonden in een laag van de Horseshoe Canyon Formation die dateert uit het Campanien-Maastrichtien, ongeveer eenenzeventig miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijke schedel van een volwassen dier waaraan de snuit ontbreekt. Een tweede schedel, specimen AMNH 5259 door Brown gevonden op twee mijl afstand van de eerste schedel, is het paratype. Dit is nog veel fragmentarischer dan het holotype: in wezen zijn slechts de hersenpan en de delen van de wenkbrauwhoorns bewaard gebleven. Brown wees een derde specimen toe: AMNH 5273, een slecht geconserveerde schedel van een jong dier waaraan opnieuw de snuit ontbrak. thumb|Specimen FMNH P15003 In 1924 vond Charles Mortram Sternberg een vierde schedel, specimen NMC 8535, bij Morrin, niet ver van de vindplaats van Brown. Dit benoemde hij in 1929 als een tweede soort van Anchiceratops: Anchiceratops longirostris, 'met de lange snuit'. Tegenwoordig wordt dit gezien als een exemplaar, volgens Thomas Lehman een vrouwtje, van A. ornatus. C.M. Sternberg vond in de zomer van 1925 bij Rumsey een skelet zonder schedel, specimen NMC 8547. Het werd in 1929 in het Canadian Museum of Nature in een halfverzonken opstelling tentoongesteld, aangevuld met een schedelafgietsel van NMC 8535. Afgezien van de ontbrekende kop is het bijzonder compleet, althans de getoonde rechterzijde ervan. De geërodeerde linkerzijde ligt nu in het gips terwijl bij de vondst juist de rechterkant in het gesteente stak. In 2010 stelde Jordan Cole Mallon bij een moderne beschrijving van het specimen, dat niet kan worden aangetoond dat de romp werkelijk bij Anchiceratops hoort daar er geen overlappende delen zijn en in de formatie ook Arrhinoceratops voorkomt — en ook voor deze soort geldt weer dat er geen met zekerheid geïdentificeerd specimen gevonden is dat zowel schedel als postcrania omvat. C.M. Sternberg wees in 1925 NMC 8547 vermoedelijk aan Anchiceratops toe omdat hij zich van de benoeming van Arrhinoceratops datzelfde jaar niet bewust was. Mallon suggereerde dit fossiel niet meer bij een beschrijving of fylogenetische analyse van Anchiceratops te gebruiken totdat dit was opgehelderd.

Ander materiaal, waaronder resten van zeven schedels, is daarna aan de soort toegewezen, maar het merendeel daarvan werd in eerste instantie niet beschreven. Dit omvat TMP 1983.001.0001, een vrijwel complete schedel van wellicht een jong dier; UW 2419, een vrij complete schedel; ROM 802, een schedel waaraan de snuit ontbreekt; FMNH P15003, de bovenkant van een schedel zonder snuit; CMN 11838, de linkerhelft van een nekschild; CMN 12-1915, fragmenten van een nekschild; en UALVP 1618, de achterrand van een nekschild. Ook van de oorspronkelijke specimina zijn de beschrijvingen tamelijk summier. Wel liet Brown door Otto Falkenbach een intern afgietsel maken van de hersenpan van specimen AMNH 5259, de eerste keer dat zo'n onderzoek bij de Ceratopia werd uitgevoerd.

In 1959 wees Wann Langston jr daarnaast vijf botfragmenten in 1937 door C.M. Sternberg gevonden bij Manyberries uit de veel oudere bovenste Dinosaur Park Formation aan Anchiceratops toe: specimina NMC 9590 en 10645, wenkbrauwhoorns, en specimina NMC 9813, 9814 en 9829, stukken van achterste nekschilden. Volgens sommige onderzoekers bewijzen deze dat Anchiceratops gedurende wel vijf miljoen jaar voorkwam; anderen menen dat het wegens het tijdverschil onwaarschijnlijk is dat het om hetzelfde taxon gaat vooral omdat hoornkernen en stukken schildrand bij de chasmosaurinen van deze formaties niet sterk verschillen. Het is al uitzonderlijk dat Anchiceratops over een belangrijk deel van de diepte van de Horseshoe Canyon Formation voorkomt, van het eind van Unit 1 tot het begin van Unit 4, hetgeen een duur van twee miljoen jaar vertegenwoordigt. Nicholas Longrich meende in 2010 dat NMC 9813 en NMC 9814 exemplaren waren van Pentaceratops.

De bekende exemplaren van Anchiceratops vertonen een erg sterke variatie. In 2012 publiceerde Mallon een studie waarin door middel van statistische analyse gepoogd werd een verklaring hiervoor te vinden. De conclusie was dat ze wel degelijk tot één soort behoorden en dat de variatie grotendeels een gevolg was van individuele verschillen. De verschillende exemplaren clusterden niet bij elkaar en vormden niet eens een duidelijke groeiserie. De studie beschreef alsnog de toen bekende exemplaren.

Mallon meldde in 2012 dat hij in de literatuur nog een aantal verwijzingen van fossielen naar Anchiceratops had gevonden waarvan hij echter moest concluderen dat ze wegens het niet tonen van diagnostische kenmerken niet bewijsbaar tot de soort behoorden. Het betreft de specimina CMN 1924–3: een gedeeltelijke schedel met oogkassen en wenkbrauwhoornbases; CMN 10681: een snuit; TMP 1972.020.0001: een rechtersquamosum; en de wenkbrauwhoornbeenkernen AMNH 5246, CMN 1924-10, CMN 2197, CMN 2198, CMN 2199, CMN 2200, CMN 2236, CMN 9577, TMP 1984.012.0016, TMP 1998.085.0001, en UALVP 47242.

Beschrijving Grootte, algemene bouw en onderscheidende kenmerken thumb|Gerestaureerd afgietsel van TMP 1983.001.0001. De snuitpunt is aangevuld evenals de achterrand van het nekschild waarop geen eerste epiparietalia zijn aangebrachtAnchiceratops is een vrij kleine ceratopide. Gregory S. Paul schatte in 2010 de maximale lichaamslengte op 4,3 meter, het gewicht op 1,3 ton. Vooral de staart is relatief kort. Het dier heeft echter geen bijzonder gedrongen bouw. De nek is opvallend lang en het nekschild is lang en tamelijk smal. De poten zijn nogal kort. Verschillende exemplaren zijn, hoewel wellicht volwassen, nog kleiner en meten niet meer dan zo'n drieënhalve meter in lengte. Bij een dergelijke beschrijving wordt ervan uitgegaan dat specimen NMC 8547 aan Anchiceratops toe te wijzen valt. left|thumb|Een reconstructie met een standaard chasmosaurine romp, dus niet gebaseerd op NMC 8547 Een moderne diagnose van Anchiceratops ontbrak tot 2012 toen Mallon vier autapomorfieën vaststelde, unieke afgeleide eigenschappen. Uit het midden van de achterrand van de wandbeenderen groeien gepaarde zijdelings uiteenwijkende eerste epiparietalia. Ten weerszijden van de middenlijn van de achterrand bevinden zich per kant drie grote driehoekige epiparietalia, de tweede, derde en vierde die een maximale hoogte hebben die tussen de 55% en 115% van de basisbreedte ligt. In de onderkaak ligt op het dentarium een kort beenplateau net te voren van de processus coronoides. De reuklobben zijn bijna verticaal naar beneden gebogen ten opzichte van de rest van het brein.

NMC 8547, de mogelijke romp van Anchiceratops, heeft een aantal unieke kenmerken: een grote deltopectorale kam en een kleine binnenste bult op het opperarmbeen; dikke ribben; en een unieke indeling van de wervelkolom.

Skelet Schedel De verschillende gevonden schedels verschillen van elkaar in absolute grootte. Specimen NMC 8535 heeft een lengte van 166 centimeter, waarvan de schedelkraag 106 centimeter uitmaakt. Het breedste punt van de kraag meet drieënzeventig centimeter.

De snuit is langwerpig, grotendeels gevormd door de praemaxilla, en draagt een sterk naar beneden gekromde bovensnavel. Beide praemaxillae samen zijn overdwars tamelijk smal. Het neusgat is onregelmatig afgeplat en ver achterwaarts gelegen, naar voren uitlopend in een lange uitholling. Boven het neusgat bevindt zich een klein neushoorntje met een brede basis dat sterk naar voren helt. Het heeft een scherpe bovenrand zodat de doorsnede wat driehoekig is. De oogkas is klein en rond tot ovaal; in het laatste geval helt de lange as iets naar voren. De wenkbrauwhoorns zijn bij specimen NMC 8535 in zijaanzicht haast recht en uitzonderlijk sterk naar voren gericht zodat ze min of meer horizontaal liggen bij een neutrale positie van de kop. Het kleine neushoorntje is parallel gericht. Schedels van andere exemplaren, zoals het holotype en TMP 1983.001.0001, tonen echter vaak veel krommere, grotere en meer opstaande hoorns die ver naar voren buigen als bij Pentaceratops. Bij het holotype hebben ze een geschatte totale lengte van zestig centimeter. Tussen de hoornbases bevindt zich in de lengterichting een langwerpige fontanel in het secundaire schedeldak; deze opening is verbonden met grote pneumatische uithollingen in de hoornbases die verbonden zijn met een opening in de onderste bovenrand van de oogkas; naar achteren lopen er kanalen naar de bovenste slaapvensters. De vorm van de fontanel is variabel. Een andere overeenkomst met Pentaceratops is de aanwezigheid van lange hoornvormige en zijwaarts naar beneden uitstekende punten op de jukbeenderen. Deze hebben een min of meer vierkant doorsnede zo dat ze op een piramide lijken en raken ook de achterliggende quadratojugalia. Het quadratojugale vormt de onderrand van het onderste slaapvenster, een afgeleid kenmerk. Van het quadratum is de achterzijde uitgehold als aanhechting voor de Musculus adductor manibulae posterior, de spier die de onderkaak opent. thumb|ROM 802 toont de vorm van het nekschild Het nekschild ligt min of meer in het verlengde van de voorkant van de schedel, zonder er een forse hoek mee te maken. Deze schedelkraag heeft een rechthoekig profiel. Het squamosum dat de zijrand ervan vormt, is erg smal en loopt tot bijna het einde van het schild door. Daar buigt de beenrand met het aan de binnenkant gelegen wandbeen plots naar buiten. Tussen de verschillende exemplaren varieert het squamosum in vorm, van taps toe rechthoekig. Het wandbeen is rechthoekig in profiel in plaats van driehoekig als bij de meeste chasmosaurinen.