thumb|250px|'De verdoemden gaan naar de hel' van Luca Signorelli thumb|250px|'De duivel martelt de verdoemden terwijl ook hij gemarteld wordt in de hel' uit Les Très Riches Heures du duc de Berry van de gebroeders Van Limburg
De hel is een religieus concept en duidt een plek of bestaanssfeer aan waar men na de dood heen kan gaan en welke gekarakteriseerd wordt door een hoge mate van fysieke en mentale pijn en lijden. In bijna alle religies is er sprake van de aanwezigheid van een of meer hellen. Het begrip 'hel' komt veel voor binnen het christendom en de islam. Na te zijn gestorven, zouden de zielen naar het hiernamaals gaan. Conform de vroomheid, eerlijkheid, kuisheid en/of andere zaken wordt er door een hogere macht beslist of een ziel naar de hemel mag of dat deze naar de hel moet. De hel is in die zin het tegenovergestelde van de hemel, namelijk een verblijf in afwezigheid van God.
Etymologie Het woord hel komt van het Oergermaanse woord *haljæ wat dodenrijk of onderwereld betekende. Hel is tevens de Germaanse godin van die onderwereld, en de personificatie ervan (zie onder Noordse Mythologie). De onderwereld is het verborgene. Het Nederlandse werkwoord helen, verbergen, zie: Heling, is hier etymologisch mee verwant.
Hel in het jodendom thumb|Vallei van Hinnom, Gehenna, 2007 In de Hebreeuwse Bijbel wordt niet veel aandacht besteed aan een opstanding en leven na de dood. De oudste concepten spreken over de aartsvaders die "met hun voorvaders werden verenigd" (Genesis 25:8). Het graf is het dodenrijk Sheol (Hebreeuws: שְׁאוֹל, ʃeʾôl) en het is zaak om op aarde goed te leven, want in het graf is alleen maar duisternis.De dood en de Bijbel, NBG, 2003
Pas in het zeer late boek Daniël (hellenistische periode) wordt gesuggereerd dat er een Dag des oordeels zal aanbreken: "Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd" (Daniël 12:2).Verhofstadt D., Vermeersch E.(2011): Dirk Verhofstadt in gesprek met Etienne Vermeersch, Een zoektocht naar waarheid, Antwerpen, Houtekiet, pag. 56-57 Deze ontwikkeling hield verband met het martelaarschap van Joodse gelovigen in de tijd van Antiochus IV Epifanes. Deelnemers aan de Makkabese opstand zouden worden beloond met het eeuwige leven (2 Makkabeeën 7:14).
In de Septuagint (de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel) wordt Sheol vertaald met ᾄδης, hades. Hades was in de Griekse mythologie de god van de onderwereld of schimmenrijk en heerser over de doden. Hoewel in de periode van het hellenisme bepaalde Griekse concepten ingang vonden in het jodendom, is er nooit sprake van een hel van vuur, waarin mensen gepijnigd worden. De duivel komt in de Hebreeuwse Bijbel in zijn geheel niet voor.Usenet FAQ over Joods gedachtegoed. Gearchiveerd op 16 juli 2023.
Later jodendom Ook in de apocriefen van het Oude Testament wordt Hades gebruikt zoals hierboven beschreven. Pas in Aramese fragmenten van 1 Henoch (3e-2e eeuw v.Chr.) wordt Hades beschreven als een plaats waar krachten van verwoesting opduiken. Het zijn apocalyptische elementen die hun weerklank vinden in de Openbaring van Johannes.
Oude Testament De Statenvertaling vertaalt Sheol soms met 'hel'Zie 'hel' in de Statenvertaling. Gearchiveerd op 19 augustus 2022. en meestal met 'graf'.Zie 'graf' in de Statenvertaling. Gearchiveerd op 11 juni 2023. De NBG vertaling uit 1951 vertaalt met 'dodenrijk'.
Hel in het christendom Dodenrijken in het Nieuwe Testament In het Nieuwe Testament wordt niet over een hel gesproken als een oord van straf voor zware zondaars, bewoond door de duivel.
Hades Het concept van Hadesᾅδης Hades werd in grote mate overgenomen uit het jodendom.De term komt voor in: Matteüs 11:23; 16:18; Lucas 10:15; Handelingen 2:27,31; Openbaring 1:18; 6:8; 20:13,14 Gestorvenen verblijven in dit dodenrijk voor altijd tussen het stof en de maden. Openbaring 20:14,15 gebruikt Hades in contrast met "de vuurpoel".
Gehenna In het Nieuwe Testament wordt ook de term Γέεννα, Gehennaγέεννα Gehenna gebruikt.De term komt voor in: Matteüs 5:22,29,30; 10:28; 18:9; 23:15,33; Marcus 9:43,45,47; Lucas 12:5; Jakobus 3:6 Dit is een leenwoord uit het Hebreeuws (גהנום, gehinnom) en duidde oorspronkelijk het "Dal van Hinnom" aan (rond de oude stad van Jeruzalem). Dit was een beruchte plek, omdat daar in de tijd van de koningen kinderoffers werden gebracht (2 Kronieken 28:3; 33:6). In de eeuwen daarna kreeg het kennelijk de betekenis van een eschatologische plaats van oordeel of een strafoord.
In het christendom worden sommige uitspraken van Jezus waarin Gehenna wordt genoemd opgevat als een verwijzing naar een plaats van eeuwige bestraffing en lijden:
Tartaros Eenmaal (in 2 Petrus 2:4) wordt de term Τάρταρος, Tartaros gebruikt als "diepe duisternis" waar gevallen engelen hun oordeel afwachten. Tartaros was in de Griekse mythologie het gruwelijkste deel van hades, waar de schimmen of geesten van de doden naartoe werden gestuurd als ze slecht geleefd hadden. Voorbeelden hiervan zijn Sisyphos en Tantalos, die toen ze stierven, voor eeuwig kwellingen moesten doorstaan.
Afgrond Tot slot is er enkele keren sprake van ἄβυσσος, abussos, "afgrond".De term komt voor in: Lucas 8:31; Openbaring 9:1; 20:1-3; Romeinen 10:7 Het gebruik van deze term lijkt te duiden op een oord in de onderwereld dat te vergelijken is met Tartaros, een gevangenis voor "de draak, de slang van weleer, die ook Satan of duivel wordt genoemd" (Openbaring 20:2). Na hier duizend jaar te zijn opgesloten wordt de duivel in "de poel van vuur en zwavel" gegooid (Openbaring 20:10), waar het beest en de valse profeet al in waren gegooid (Openbaring 19:20), net als later het dodenrijk en de dood zelf (Openbaring 20:14) en allen die veroordeeld worden op de Dag des oordeels (Openbaring 21:8). Net als Tartaros wordt de afgrond niet genoemd in relatie met mensen, maar met demonen of metaforisch.
Hel in het vroege christendom In het vroege christendom beschreven veel kerkvaders uit de 1e tot 3e eeuw, zoals Clemens van Rome, Ignatius van Antiochië, Justinus de Martelaar, Ireneüs van Lyon, Tertullianus en later Augustinus van Hippo, een eeuwige hel in verschillende vormen. Zeer drastische beeldbeschrijvingen zijn ook te vinden in de post-bijbelse Apophthegmata Patrum, de populaire uitspraken van de woestijnvaders, waarvan de meeste afkomstig zijn uit het christelijke Egypte in de 4e eeuw.
Sommige vroege theologen, zoals Clemens van Alexandrië (150-215) en Origenes (185-254), leerden universele verzoening, dat wil zeggen de terugkeer van alle schepselen tot God, die ook zo werd opgevat door sommigen uit de 4e en 5e eeuw, zoals Basilius van Caesarea, Gregorius van Nyssa, Gregorius van Nazianze Didymus de Blinde, Eusebius van Caesarea, Diodorus van Tarsus en Theodorus van Mopsuestia.Vergelijk Ilaria Ramelli (2019): A Larger Hope?, deel 1: Universal Salvation from Christian Beginnings to Julian of Norwich, Cascade Books, pag. 20-24 Door de liturgie van laatstgenoemde werd apokatastasis ("verzoening voor allen") in de Assyrische kerk aangenomen. Deze opvatting werd verworpen door de Rooms-Katholieke Kerk en op de synode van Constantinopel in 543 veroordeeld, beïnvloed door het Liber adversus Origenem geschreven door keizer Justinianus I. Van den Brink en Van der Kooi zien dit volgens hun Christelijke Dogmatiek als het moment waarop de leer van een eeuwige hel als officiële leer van de kerk geldt.Van den Brink en Van der Kooi: Christelijke Dogmatiek, pag. 670 Het Tweede Oecumenische Concilie van Constantinopel in 553 veroordeelde Origenes (Edict contra Origenes) en keurde de canon goed.
Net als de letterlijke lezing van het boek Openbaring, heeft de 2e-eeuwse apocriefe Openbaring van Petrus sterk de latere middeleeuwse notie van de hel als de plaats van eeuwige straf gevormd. Ze beschrijft ze uitgebreid en dat de menselijke slachtoffers soms zelfs mee kunnen doen aan de straf. Hoewel dit geschrift niet in de canon van de Bijbel werd opgenomen, beschouwden sommige apologeten zoals Clemens van Alexandrië (150-215) het als een werk van de apostel Petrus, dus de invloed ervan was aanzienlijk.
Hel in de algemene geloofsbelijdenissen Met de Apostolische geloofsbelijdenis belijden christenen wereldwijd de Hellevaart van Christus. De Heidelbergse Catechismus legt in antwoord 44 uit dat Christus onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling had, die Hij, in heel zijn lijden, maar bovenal aan het kruis heeft ondergaan. Deze uitleg is echter niet onomstreden. Oorspronkelijk stond 'nedergedaald ter helle' echter in het kader van Christus' overwinning waar ook de 'onderwereld' ('sjeol') getuige van moest zijn. Christus is overwinnaar een verbreekt de poorten van de hel.
De geloofsbelijdenis van Athanasius stelt:
(...) vanwaar Hij [Jezus Christus] komen zal om te oordelen de levenden en de doden. En bij zijn komst moeten alle mensen wederopstaan met hun lichaam en rekenschap afleggen van hun eigen daden. En die het goede gedaan hebben zullen in het eeuwige leven gaan, maar die het kwade gedaan hebben in het eeuwige vuur.
De Geloofsbelijdenis van Athanasius is opgenomen als credo in de Westerse Kerk (en niet in de Oosterse Kerk), vandaar dat dit document en de leer over hel gezaghebbend is in de Rooms-Katholieke Kerk en veel protestantse kerken.
Hel in de Rooms-Katholieke Kerk Rooms-katholieken geloven dat personen die in staat van doodzonde sterven tot het eeuwige vuur van de hel worden veroordeeld. Daarnaast geloven zij ook dat de meeste zielen die in staat van genade zijn gestorven voor hun intrede in de hemel eerst nog tijdelijk gelouterd moeten worden in het vagevuur. Voor rooms-katholieke en andere christenen is de hel een werkelijkheid die zich in het hier en nu kan manifesteren door de invloed van duivelse geesten en de satan. Zij is een werkelijkheid die bestaat naast de werkelijkheid van het leven van de mensen in de wereld en het leven van de zielen in de hemel en het vagevuur. De rooms-katholieken geloven dat zij met hun gebed en geestelijke offers de zielen die gered zijn in het vagevuur vertroosting kunnen geven en een spoediger verlossing uit het vagevuur, terwijl de zielen in de hel niet meer gebaat zijn bij gebed of goede werken ter hunne verlossing gedaan, maar werkelijk reddeloos en eeuwig verloren zijn. Binnen de rooms-katholieke kerk zijn middels vele privé-openbaringen hulpmiddelen gegeven aan de mensen om zich voor een eeuwige verdoemenis te bewaren. Zo is er de devotie van de drie weesgegroetjes, het dragen van het scapulier. Of het rozenkransje van Barmhartigheid geopenbaard door de heilig verklaarde zuster Maria Faustina Kowalska (Polen) waaraan de belofte verbonden is dat wanneer iemand dat gebed slechts eenmaal in zijn leven heeft gebeden, hij niet verloren zal gaan. Wat overigens niets zegt over de duur van het verblijf in het vagevuur.
Hel in het protestantisme In artikel XVII van de Augsburgse Confessie (1530) formuleerde de reformatorische beweging:
Binnen het protestantisme zijn er meerdere opvattingen over de hel. Veel protestanten geloven dat uit de hel niet te ontkomen valt. Tegelijk gelooft men dat de hel wel te vermijden, te ontwijken is. Wie zijn zonden aan God belijdt, zich daarvan afkeert en in Jezus Christus gelooft wordt vrijgesproken van zijn of haar zonden en hoeft daarom niet gestraft te worden in de hel. De Heidelbergse Catechismus spreekt van 'eeuwige straf', de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt in artikel 37 stelt dat de goddelozen gepijnigd worden in het eeuwige vuur, dat voor de duivelen en zijn engelen bereid is.
Hervormd theoloog Hendrikus Berkhof stelde dat men in de uiterste duisternis (Matteüs 25:30) komt als gevolg van het feit dat men in het aardse leven tegen het licht en voor de duisternis koos. Het 'gejammer en tandengeknars' drukken volgens hem het onvruchtbare terugkijken op gemiste levenskansen.