thumb|Baretembleem van de Stoottroepen 1e model periode 1947 - 1953 Het Regiment Stoottroepen Prins Bernhard (afgekort RSPB) bestaat uit het 13e InfanterieBataljon luchtmobiel (13Infbat). Het regiment is onderdeel van de luchtmobiele brigade. Het regiment stoottroepen is na het Regiment van Heutsz het infanterieregiment met de kortste geschiedenis binnen de Koninklijke Landmacht.

Geschiedenis Het regiment is ontstaan uit de Landelijke Knokploegen (LKP) en de Raad Van Verzet (RVV) in de Tweede Wereldoorlog, destijds Stoottroepers of 'Stoters' gemaand. Daaronder bevond zich de KP Margriet in 's-Hertogenbosch. De naam KP Margriet leeft nog steeds voort binnen het regiment. In september 1944 gaf Prins Bernhard formeel de opdracht voor het vormen van een militair verband, bestaand uit personen die actief betrokken waren bij het gewapend verzet. Daarmee was het Regiment Stoottroepen geboren.

Tijdens haar rondreis door bevrijd Nederland deed koningin Wilhelmina 18 maart 1945 de uitspraak: "En dit regiment zal blijven voortbestaan!" Bij de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië zijn de stoottroepen ingezet in Nederlands-Indië en in Nieuw-Guinea: hiervoor is aan het regiment het Bronzen Schild toegekend.

Het regiment bestaat anno 2013 uit vier compagnieën: 13Infbat Acie, Bcie, Ccie en Dcie. De A- en B-cie zijn identiek. Ze kunnen ingezet worden met helikopters alsook met de Bushmaster, waarmee in Uruzgan veel ervaring is opgedaan. De C-compagnie van het bataljon is opgeleid voor inzet met parachute. Bij alle drie bataljons van de luchtmobiele brigade is er een compagnie inzetbaar met de parachute. De D-compagnie van het bataljon omvat de staf van het bataljon en omvat twee zware wapenpelotons die onder meer werken met het antitanksysteem Gill, de mitrailleur .50 en het verkenningspeloton. De C- en Dcie zijn ook in te zetten met transporthelikopters.

Op 29 juni 2002 is de naam van Prins Bernhard bij Koninklijk Besluit verbonden aan het Regiment Stoottroepen. Vanaf dat moment heet het regiment officieel Regiment Stoottroepen Prins Bernhard.

Het vaandel thumb|Vaandel Regiment Stoottroepen, 1982 Op het vaandel zijn de volgende opschriften aangebracht: Noord-Brabant en Limburg 1944-1945, West- en Midden-Java 1946-1949, Midden-Sumatra 1947-1949. In 2019 werd het opschrift Uruzgan 2007 toegekend.

Voor deelname aan het verzet werd het regiment onderscheiden met het Verzetsherdenkingskruis. Koningin Beatrix hechtte de onderscheiding op 31 augustus 1982 aan het vaandel. Het is het enige vaandel van een regiment van de Koninklijke Landmacht dat deze onderscheiding voert.

Mascotte De mascotte van het regiment heet "Kees de bok". Dat een bok de mascotte is geworden van het regiment, heeft volgens de verhalen zijn oorsprong in het najaar van 1944. Tijdens een nachtelijke patrouille in het pikkedonker zouden enkele stoters iemand hebben horen lopen. Er werd dekking gezocht en de wapens werden gericht in de veronderstelling dat er een Duitse patrouille aan kwam. Al snel daarop klonk er gemekker vanaf de plek waarop de wapens gericht waren. De vermeende vijand bleek een bok te zijn die vervolgens door de stoters werd meegenomen. Sindsdien is er een "Kees de Bok", overal waar stoters actief zijn. In Assen staat Kees in een weitje nabij het stafgebouw. Wanneer Kees niet mee kan, bijvoorbeeld bij uitzendingen, wordt er ter plaatse een bok aangekocht, die dan dienstdoet als 'uitzend-Kees'. Kees de Bok heeft toestemming van de Brigadecommandant om de rode baret te dragen. Telkens wanneer Kees te oud wordt om zijn taak uit te kunnen voeren, gaat hij met functioneel leeftijdsontslag richting de kinderboerderij, en zorgen de oud-stoters van de BOSS (Bond van Oud Stoottroepers en Stoottroepers) kring Cuyk voor een verse rekruut.

Inzet Tweede Wereldoorlog Toen het zuidelijk deel van Nederland in 1944 was bevrijd van de Duitse bezetting, hebben vele Nederlanders zich aangemeld bij de nieuw te formeren stoottroepencompagnieën. Deze compagnieën werden ingedeeld bij het voor deze gelegenheid gevormde Commando-Brabant en Commando-Limburg. Later (medio juni 1945) zijn deze samengevoegd tot een regiment. Zij werden direct ingezet in de gebieden ten zuiden van de grote rivieren, waar Duitse verkenningseenheden regelmatig probeerden te infiltreren in het bevrijde zuiden. Zonder enige vorm van training en met gebrekkige uitrusting, hebben deze "stoters van het eerste uur" zich maximaal ingezet om deze infiltraties te voorkomen, waarbij regelmatig gevechtscontact werd gemaakt met Duitsers. Als bewapening werden vaak buitgemaakte Duitse wapens gebruikt, in combinatie met vooroorlogs materiaal en wapens die tijdens de oorlog gedropt waren door de Britten. Omdat uniformen in de eerste periode ook niet voorradig waren, droegen de stoottroepen blauwe overalls met een oranje band op de linkerarm. De Nederlandse helm uit 1934 was nog beschikbaar en behoorde aanvankelijk min of meer tot de standaard uitrusting. In de beginperiode van het regiment kenden de leidinggevenden geen rangen. Deze mensen waren leider geworden op basis van hun competenties tijdens de bezetting. Medio 1945 moest het regiment eraan geloven. Leidinggevenden moesten een meerdaags examen afleggen, waarna ze tot een passende rang werden bevorderd. Uiteindelijk hebben de Limburgse stoters ingebed in het Amerikaanse leger gediend, terwijl de Brabantse stoters de Duitsers bevochten in samenwerking met de Britten en Canadezen. Zij kregen daar het Engelse tenue, de Limburgers werden uitgerust met Amerikaanse uniformen. Allen waren te herkennen aan de naam 'Stoottroepen' op de schouder. De Zeeuwse vrijwilligers waren ingedeeld bij het in september 1944 (her)opgerichte 14e regiment infanterie. Net als de Brabantse stoters behoorden zij tot de Britse 21e Legergroep. Bij de stoters van het eerste uur dienden niet alleen mannen. De dames die tijdens de bezetting een belangrijke rol speelden in het verzet, gingen na de bevrijding van het Zuiden ook over naar de stoottroepencompagnieën. Hier vervulden zij taken zoals verpleegster of typiste. Door reorganisaties direct na de oorlog moesten zij de stoottroepen verlaten.

Nederlands-Indië Op 20 september 1945 vertrok het 3e Bataljon Stoottroepen, 800 man sterk, vanuit Den Bosch naar Nederlands Indië. Dit waren veelal dezelfde mensen die vanuit het verzet, ingedeeld bij het regiment gevochten hadden in het land van Maas en Waal en in Duitsland. Omstreeks dezelfde tijd vertrokken vanuit Engeland het 1e en 3e Bataljon Stoottroepen, die daar waren voorzien van een tropenuitrusting. Bijna 8000 oorlogsvrijwilligers en dienstplichtige stoottroepers, verdeeld over negen Bataljons hebben gedurende een periode van vijf jaar in Nederlands Indië gediend. Het waren stoters die als eerste eenheden van de Koninklijke Landmacht voet aan wal hebben gezet in Nederlands Indië, vanuit Malakka. Tijdens de Tweede Politionele Actie in december 1948, nam het 5e bataljon Regiment Stoottroepen (5-RS) deel aan de actie "Kraai", of wel de verovering van Djokjakarta en de gevangenneming van haar leiders. Op 19 december 1948 werd het bataljon 5-RS met Dakota-transporttoestellen ingevlogen op het vliegveld Magoewo bij Djokjakarta. Nadat alle stoters in de namiddag waren ingevlogen kreeg een deel van het bataljon de zorg voor de bewaking van het vliegveld. De 2e en 4e cie 5-RS trokken direct op naar Djokjakarta. De volgende dag namen de stoters het zuidelijke stadsdeel over van het Korps Speciale Troepen. De 2e cie 5-RS verzorgde tevens de bewaking van het paleis waar de regeringsleiders van de republiek, waaronder Soekarno en Hatta, gevangen zaten. De 3e compagnie 5-RS werd op 21 december gelegerd te Salam en Moentilan ter beveiliging van de weg Djokjakarta-Magelang. Eind 1948 werd de 3e cie 5-RS teruggenomen op Djokjakarta. Naast de beveiliging van Djokjakarta kreeg het bataljon ook posten buiten de stad zoals, Kalioerang en Sentolo. Na de Tweede Politionele Actie brak er een zeer zware tijd aan van patrouilleren en zuiveringsacties uitvoeren om het gebied rond Djokjakarta vrij te houden van opstandelingen. In december 1949 werd Indonesië onafhankelijk van Nederland en keerden de stoottroepen terug naar Nederland. Velen gingen terug naar de burgermaatschappij. Nederland was nog herstellende van de Tweede Wereldoorlog, waardoor de bevolking weinig belangstelling en begrip had voor de Indische ervaringen van de teruggekeerde stoters. Vaak was het moeilijk opnieuw te integreren. De steun daarbij vanuit het Ministerie van Defensie was minimaal.

Nieuw Guinea In 1962 is het 41e Bataljon Regiment Stoottroepen ingezet in Nieuw-Guinea. Op 4 mei vertrokken de stoters aan boord van de Waterman richting Hollandia. Het bataljon werd op Biak, in Kaimana en omgeving gelegerd. Het bataljon werd aangewezen om de troepen langs de 1000 km lange zuidkust te versterken. Vele patrouilles werden gelopen ten einde infiltratie door Indonesische eenheden tegen te gaan, hierbij geholpen door onmisbare Papoea gidsen. Indonesische militairen werden regelmatig het gebied in geparachuteerd of aan land gezet door kleine boten. Vele van deze infiltranten gaven zich over omdat ze vanwege de omstandigheden in de dichte jungle door uitputting niet meer inzetbaar waren. De soevereiniteitsoverdracht op 15 augustus, gevolgd door de wapenstilstand op 18 augustus, betekende het einde van de activiteiten in de omgeving van Kaimana.

Koude Oorlog In 1963 gingen de stoottroepen onder pantser, als 41 Pantserinfanterie bataljon, bij 11 Pantserinfanterie brigade (een voorloper van 11 Luchtmobiele Brigade). Dit bataljon was uitgerust met het AMX-PRI infanterie gevechtsvoertuig. Later is deze vervangen door de YPR-765. Het 41e Pantserinfanterie bataljon was tot 1994 gelegerd in Ermelo op de Generaal Spoorkazerne. Na de val van de muur in 1989 werd het Nederlandse leger drastisch gereorganiseerd waarbij het met dienstplichtigen bemande 41e Bataljon werd opgeheven. Sindsdien bestaan de stoottroepen uitsluitend uit beroepsmilitairen.

Het landmachtpersoneel binnen de Groep Lichte Vliegtuigen (GPLV) behoorde ook tot de Stoottroepen.

De staf en stafcompagnie van de 41e Pantserbrigade in Seedorf, Hohne en Langemanshof werd in de jaren 60-90 van de vorige eeuw eveneens bemensd door stoters. Ook Kees de Bok kreeg in Seedorf een eigen plek links achter de poort bij het compagniesgebouw.

Luchtmobiele Brigade In 1994 is het regiment van pantserinfanterie naar luchtmobiel overgegaan als 13 Infanteriebataljon Luchtmobiel en 11 Mortiercompagnie Luchtmobiel. De laatste was voor die tijd gestationeerd bij 11 Luchtmobiele brigade (11 LMB) in Schaarsbergen. In 2011 is de mortiercompagnie wegens bezuinigingen opgeheven. Maar ze komen weer terug bij het regiment in 2024. Het 13e InfanterieBataljon Regiment Stoottroepen Prins Bernhard (13 Infbat RSPB) maakt anno 2013 nog steeds deel uit van de 11e Luchtmobiele Brigade en is gelegerd op de Johan Willem Frisokazerne te Assen.

Bosnië Herzegovina, Dutchbat III De luchtmobiele stoters werden in 1995 voor het eerst uitgezonden naar Bosnië als Dutchbat 3 onder de vlag van UNPROFOR. De eenheid was daar betrokken bij de Val van Srebrenica. De compagnieën van het bataljon waren verspreid over een relatief groot gebied. Doordat de Acie niet geplaatst was in de enclave Srebrenica, hadden zij weinig contact met de rest van het Bataljon. De diverse locaties waren: Acie - Simin-Han, Bcie - Srebrenica, Ccie - Potocari, SSVcie - Potocari.

Bosnië Herzegovina, SFOR 7 Als SFOR 7 vonden de stoottroepen in 1999-2000 hun weg terug naar Bosnië. Ook tijdens deze uitzending waren de compagnieën van het Bataljon verspreid. ACie - Novi Travnik, BCie - Knesevo en Obodnik, CCie - Pelotons onder bevel gesteld bij de A- en Bcie, SSVcie - Sisava.

Afghanistan ISAF Kabul In 2002/2003 zijn delen van het bataljon ingezet in Kabul, Afghanistan.

Irak SFIR IV In 2004 is het bataljon uitgezonden naar Irak als SFIR 4 (Stabilisation Force in Irak).