Paulus Johannes (Paul) Biegel (Bussum, 25 maart 1925 – Laren, 21 oktober 2006) was een Nederlandse schrijver, die vooral bekendheid geniet vanwege zijn kinderboeken. Voor zijn werk ontving hij onder meer twee Gouden Griffels, vier Zilveren Griffels en een nominatie voor de Hans Christian Andersenprijs.

Biegel, de jongste zoon in een gezin van negen kinderen, groeide op in Bussum en Amsterdam. Als kind toonde hij meer interesse in buiten spelen dan in lezen, maar hij hield wel van de sprookjes van de gebroeders Grimm en de verhalen van Jules Verne. Het eerste verhaal van zijn eigen hand, getiteld De ontevreden kabouter, werd gepubliceerd in het dagblad De Tijd toen de schrijver veertien jaar oud was. Na een mislukte poging om een carrière als pianist te beginnen, vertrok Biegel naar de Verenigde Staten. Daar schreef hij stukken voor The Knickerbocker Weekly. Na zijn terugkeer een jaar later werkte hij onder meer als redacteur voor de Avrobode. Tegelijkertijd legde hij zich vanaf 1953 toe op een studie Rechtsgeleerdheid. Daarnaast was hij actief als schrijver van krantenstrips voor onder meer Het Vrije Volk. In 1959 begon Biegel zijn loopbaan bij de Toonder Studio's, als schrijver voor de serie Kappie.

Zijn eerste boek, De gouden gitaar, werd gepubliceerd in 1962. Drie jaar later groeide hij met de publicatie van Het sleutelkruid, uitgeroepen tot Kinderboek van het jaar, binnen korte tijd uit tot een van de bekendste kinderboekenschrijvers van Nederland. In totaal schreef Biegel meer dan 50 boeken, doorgaans uitgegeven bij Uitgeverij Holland. Zijn werk, waarvan hij De tuinen van Dorr en De soldatenmaker tot zijn eigen favorieten rekende, is vertaald in het Engels, Frans, Duits, Deens, Zweeds, Welsh, Afrikaans, Japans, Turks, Grieks en Spaans. In 1999 werd de schrijver benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Biegel leefde gedurende zijn gehele carrière in Amsterdam, waar hij samenwoonde met zijn echtgenote Marijke Sträter en zijn kinderen. Op latere leeftijd kwam hij in het openbaar uit voor zijn homoseksualiteit. Na zijn overlijden in 2006 in het Rosa Spier Huis werd hij begraven op Begraafplaats Zorgvlied in Amsterdam. Vanaf 2007 werden 20 van zijn beste werken door de uitgeverijen Holland en Lemniscaat heruitgegeven onder de titel "De Biegel Bibliotheek". Sinds 2020 worden de boeken en verhalen van Paul Biegel uitgegeven bij uitgeverij Gottmer.

Leven thumb|left|De familie Biegel tijdens de zilveren bruiloft van de ouders. Van links naar rechts Herman, Anne, Rein, Paul, Marguerite, Madeleine, Maria, Hermann, Heleen, Cecilia, Elisabeth.

Afkomst en jonge jaren Biegels familie was van Duitse afkomst; zijn grootvader Jozef Hermann Biegel (1837-1922) verhuisde in de negentiende eeuw naar Nederland om aan het Singel 94 in Amsterdam Biegel & Bollentin, een handelskantoor in bouwmaterialen, op te zetten. Grootvader Biegel woonde zelf in een buitenwijk van Bussum, Het Spiegel genaamd. Hier bezat hij grote hoeveelheden grond, liet lanen bestraten en in 1916 een villa bouwen, Nassau, waar in 1876 vader Hermann Biegel werd geboren. Deze zou later het handelsbedrijf overnemen. In 1902 trouwde Hermann met de Française Madeleine Marie Michèle Eugenie Povel-Guillot (1879), afkomstig uit een streng katholiek gezin en de jongere zus van twee Dominicanessen en een pater in Costa Rica. Haar moeder (Mia Guillot) stierf in het kraambed, waarna een gouvernante de opvoeding overnam.

Uit het huwelijk tussen Hermann Biegel en Madeleine Povel-Guillot kwamen negen kinderen voort, van wie Paul de jongste was. Bij Pauls geboorte was zijn moeder al zesenveertig. Ondanks de crisisperiode in de jaren dertig kende hij een relatief gelukkige jeugd in Bussum, waar hij opgroeide in een landelijke omgeving en weinig merkte van het feit dat de crisis grote invloed had op het inkomen van zijn vader. Visser, A. (15 augustus 2005) Tien geboden: Paul Biegel, Trouw Op zesjarige leeftijd werd hij ingeschreven aan de rooms-katholieke Sint-Aloysiusschool aan de Vossiuslaan 17 in Bussum, waar hij zich niet op zijn plaats voelde. In een interview in 1993 gaf hij aan:

Andere minder gelukkige aspecten van Biegels jeugd waren het feit dat hij als verreweg de jongste van het gezin binnenshuis vrijwel niemand had om mee te spelen en dus zijn vertier elders moest zoeken (hetgeen werd bemoeilijkt doordat hij weinig tot geen aansluiting had bij zijn klasgenootjes van doorgaans lagere sociale komaf), en het feit dat afgezien van broer Rein niemand binnen de familie - inclusief Paul - goed met moeder Madeleine overweg kon, iets dat volgens hem een direct gevolg was van het ontbreken van een moeder in haar eigen jeugd.

Biegel als leerling thumb|Villa Oldeheuvel in Bussum, waar Biegel van zijn geboorte tot 1939 woonde. Ondanks zijn aversie tegen school en de plichten die daarmee gepaard gingen, doorliep Biegel de lagere school zonder moeite. Hij zakte echter in eerste instantie voor het toelatingsexamen voor het Sint Ignatiuscollege van de Jezuïeten in Amsterdam - een katholieke school was voor zijn moeder een pré - en zijn ouders kozen ervoor hem een extra jaar lagere school te laten doorlopen om hem alsnog klaar te stomen voor het Sint Ignatius. Ditmaal werd hij echter ingeschreven voor de Schoolvereeniging aan de Pieter de Hoochstraat 80 in Amsterdam-Zuid. In 1938 legde de toekomstige schrijver opnieuw het examen af, ditmaal met goed gevolg, waarna hij werd toegelaten op de gymnasiumafdeling aan de Hobbemakade 51, waar hem onder meer Latijn, Oudgrieks, Frans, Duits, Engels, natuurkunde, scheikunde en cultuur der oudheid werd onderwezen.

In november van dat jaar kreeg vader Hermann een ernstige hersenbloeding, waarvan hij nooit meer volledig zou herstellen. Omdat hij niet langer in staat was om te werken werd Biegel & Bollentin in 1939 verkocht aan een oom, Gust Goossens, en verhuisde het gezin naar een kleiner huis aan de Juliana van Stolberglaan (tegenwoordig Prinses Irenelaan genoemd), nog steeds in Bussum. In 1940 verscheen het debuutverhaal van Biegel (die dat jaar zou blijven zitten in de tweede klas) getiteld De ontevreden kabouter. Het werd gepubliceerd in de rubriek Voor de jeugd van de editie van 8 juni van het dagblad De Tijd, waar zijn zus Anne op dat moment in de kunstredactie zat. Biegel kreeg er 2 gulden voor, tegen de huidige koersen ongeveer 15 euro waard. Dat jaar begon de Tweede Wereldoorlog in Nederland, wat voor de familie Biegel als direct gevolg had dat dienstbode Francis Reirink, van Duitse afkomst, uit angst vertrok. Verder had de oorlog weinig invloed, tot in 1942 de omstandigheden het voor Paul zeer lastig en tijdrovend maakten nog langer dagelijks de weg naar Amsterdam af te leggen. Hij kreeg van zijn moeder toestemming over te stappen naar het Christelijk Lyceum aan de Oud Bussumerweg 22 te Bussum. Het eigenlijke schoolgebouw stond (en staat nog steeds) aan de 's-Gravelandseweg, maar was reeds gevorderd door de Duitse Wehrmacht. Ook het gebouw aan de Bussumerweg moest er twee jaar later aan geloven, en de klas verhuisde naar de consistoriekamer van de gereformeerde kerk aan het Wilhelminaplantsoen.

Op het lyceum kende Biegel een gelukkigere periode dan in Amsterdam, waar in zijn eigen woorden "mannen in hun zwarte rokken vol gemorste sigarenas vooral een sfeer creëerden van 'mag niet'." In Bussum kreeg hij daarentegen al gauw vrienden, en kon hij eindelijk zijn puberale driften de vrije loop laten; het lyceum was een gemengde school. Ook toonde hij rond deze tijd interesse in het pianospel. In de vijfde klas bleef hij, op 19-jarige leeftijd, voor de tweede maal zitten. Omdat hij meerderjarig was kwam hij in aanmerking voor de Arbeitseinsatz, waarvoor hij naar Duitsland zou moeten. Het Nieuwe Lyceum in Hilversum toonde zich echter bereid Biegel toe te laten tot de zesde klas (leerlingen in een examenklas waren vrijgesteld van Arbeitseinsatz), op voorwaarde dat hij gedurende de zomervakantie zou werken aan zijn Latijn en Grieks. Hij zou uiteindelijk maar twee weken les hebben; vanaf Dolle Dinsdag, 5 september 1944, werden er geen lessen meer gegeven. Desondanks kreeg hij een diploma, aangezien bij koninklijk besluit van 8 juni 1945 werd besloten elke examenleerling van het afgelopen schooljaar een diploma te geven, zelfs als men de eindtoets niet had afgelegd.

Begin van zijn carrière left|thumb|Biegel ambieerde een studie aan het Conservatorium van Amsterdam aan de Bachstraat, maar had niet genoeg talent. Na de middelbare school legde Biegel zich toe op de pianostudie. Hij ambieerde een opleiding aan het conservatorium, en volgde extra lessen bij onder meer Hendrik Andriessen om zijn ambities waar te maken. Na enkele maanden besefte hij echter dat het hem ontbrak aan voldoende talent om een succesvol pianist te worden, waarna hij met zijn studie stopte en als vrijwilliger aan de slag ging bij het dagblad De Tijd, via zijn zus Anne, die daar nog steeds werkzaam was. Zijn taken behelsden onder meer de lay-out en het redigeren van teksten.

Reis naar de Verenigde Staten In 1946 besloot Biegel te stoppen met zijn werk op de redactie van De Tijd, en het geld dat hij had ontvangen uit de erfenis van een peettante te gebruiken voor een reis naar de Verenigde Staten, om daar zijn zus Cecilia en haar nieuwe echtgenoot - ze waren tijdens de oorlog gehuwd - te bezoeken. In juni van dat jaar voer hij mee op een lege vrachtboot, om op 18 juni aan te komen in Baltimore. Hij zou uiteindelijk vijf maanden in Amerika blijven. Om in zijn levensonderhoud te voorzien nam hij verschillende baantjes aan; zo was hij onder meer schoonmaker in het Elmhurst Community Hospital, tuinman en huisknecht. Biegel reisde door meerdere staten, en kwam onder meer in Illinois en de stad New York. Ook schreef hij twee verhalen over de Tweede Wereldoorlog voor The Knickerbocker Weekly, een weekblad met zowel Engels- als Nederlandstalige verhalen dat zich richtte op Nederlandse immigranten. Zijn eerste tekst, getiteld Mannen van "Gevaarlijken Leeftijd": Avontuurlijke Herinnering aan 1944, werd gepubliceerd in de editie van 2 september 1946, en verhaalde over zijn tocht, vermomd als vrouw, naar een ondergedoken vriend, met wie hij vervolgens enkele nummers op de cello speelde. Zijn verhaal als kind in De Tijd niet meegerekend, was dit zijn eerste officieel gepubliceerde werk. Op het moment van publicatie was Biegel 21 jaar oud.

Na zijn terugkeer thumb|Biegel studeerde rechtsgeleerdheid aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam, maar maakte zijn studie nooit af. In november van dat jaar keerde Biegel terug naar Nederland, waar hij een baan aannam als redacteur bij de Avrobode, die destijds nog bekendstond onder de naam Radiobode. Hier deed hij hoofdzakelijk redigeerwerk, hoewel hij ook zo nu en dan artikelen schreef over radioprogramma's. Op 20 april 1947 overleed zijn vader Hermann op 71-jarige leeftijd in zijn woonplaats Bussum. Precies zeven maanden later, op 20 november, verhuisde Biegel met zijn moeder Madeleine en zijn zussen Elisabeth en Annet (de enige twee die nog thuis woonden) naar de woning van mevrouw Wattez - de weduwe van een goede vriend van Hermann - aan de Koedijklaan 25. In dit huis schreef hij zijn eerste sprookjes, tien in totaal. Biegel bood de verhalen aan een uitgever aan, maar deze wees hem af. Daarnaast schreef hij enkele hoorspelen voor de AVRO, die echter niet allemaal werden uitgezonden.