Psychoanalyse, dieptepsychologie of psychodynamische psychologie is een systeem van interpretatie en therapeutische behandeling van psychische aandoeningen. De psychoanalyse is aan het einde van de 19e eeuw ontstaan met de zenuwarts Sigmund Freud als grondlegger. In de psychoanalyse worden psychische klachten toegeschreven aan het onbewuste van de patiënt. Verschillende psychoanalytici hebben geprobeerd de theorie en praktijk aan te passen om wetenschappelijk aanvaardbaar te zijn. Vrijwel alle pogingen om herzieningen uit te voeren baseren echter net als Freud de theorie op klinische ervaring in plaats van op repliceerbaar wetenschappelijk bewijs. (1984): The Foundations of Psychoanalysis. A Philosophical Critique, University of California Press

Ontstaan van de psychoanalyse In 1885 volgde Freud colleges bij Jean-Martin Charcot, een beroemde Franse neuroloog die onderzoek deed naar hysterie en hypnose. Hysterie was een verzamelterm voor destijds onverklaarbare lichamelijke symptomen, zoals verlammingen van lichaamsdelen. Hier kwam Freud op het idee dat psychische problemen door het onbewuste kunnen worden veroorzaakt.

Van zijn vriend en mentor Josef Breuer deed hij het idee op dat hysterie-patiënten onder hypnose in staat zijn om te vertellen over de gebeurtenis die ziekmakende psychotrauma heeft veroorzaakt, waardoor het desbetreffende symptoom verdwijnt. Dit idee ontstond naar aanleiding van de bekende casus van Anna O., een patiënte van Breuer.

In 1896 publiceerden Breuer en Freud samen Studien über Hysterie, waarin ze hun ideeën over de oorzaak en behandeling van hysterie uiteenzetten.In het Nederlands vertaald door Wilfred Oranje als

Fundamentele begrippen van de psychoanalyse Centraal in de psychoanalyse staat het idee van verdringing: emotionele ervaringen, door Freud opgevat als energieën, die door het psychisch apparaat uit het bewustzijn worden verdrongen naar het onbewuste, maar wel blijven bestaan. Deze energie zoekt een uitweg, en veroorzaakt zo pathologische fysieke symptomen, zoals de hysterie.

Structuur van de psyche Topografisch model In zijn model van de psyche onderscheidde Freud drie bewustzijnsniveaus waarop de psychische processen plaatsvinden: Het bewuste niveau, waar het individu zich bewust is van de eigen gedachten, gevoelens en waarnemingen, Het voorbewuste niveau, waar de psychische inhouden grenzen aan het bewustzijn. Hier zitten zaken die tijdelijk vergeten zijn, ze kunnen echter makkelijk opnieuw bewust gemaakt worden. De inhoud van het bewustzijn is immers zeer beperkt, Het onbewuste niveau, te definiëren als het geestelijk leven dat nooit bewust geweest is, of nadat het eerst bewust geweest is weer onbewust geworden is.

Structureel model In zijn structurele model maakt hij het bekende onderscheid tussen Es, Ich en Über-Ich: Het Es (id), het primitiefste deel van de psyche, geleid door het lustprincipe (ook wel het oerinstinct genoemd), Het Ich (ego), het kind past zich aan de omstandigheden aan (wordt realistisch) en leert dat bevrediging soms uitgesteld moet worden, Het Über-Ich (superego), of het geweten; in deze fase vindt enerzijds een internalisering plaats van de sociale normen van (de ouders en) de maatschappij; anderzijds vindt er een driftverzaking plaats, die een verstrenging van het superego tot gevolg heeft, Freud had een dynamisch concept van de psyche, waarin deze verschillende delen in opeenvolgend fasen in het leven van een kind ontwikkeld werden.

Driftenleer De mens wordt gezien als een wezen dat primair streeft naar lustbeleving. Het menselijk handelen wordt gedreven door driften, een aangeboren drang naar bevrediging van die lusten die resulteren in het voldoen aan bepaalde levensbehoeften, zoals eten en voortplanting. Het woord lust heeft overigens een andere lading in het Duits dan in het Nederlands. Sigmund Freud maakt in zijn Gesammelte Werke kenbaar dat het om levenslust gaat. Een Lust is daarbij wat anders dan een Trieb.

Werking van een drift In de werking van een drift zijn drie momenten te onderscheiden: De bron van de drift is te vinden in het fysiochemisch evenwicht van het organisme. Wanneer door ontbering van iets, dat nuttig is voor het zelfbehoud (bijvoorbeeld voedsel), er een fysiologische toestand van onevenwichtigheid komt, ontstaat behoefte. Het doel van de drift is de bevrediging van de behoefte (zoals honger stillen). De bevrediging van de behoefte leidt tot spanningsreductie en wordt als lustvol ervaren. Het object van de drift is iets (persoon of zaak) uit de buitenwereld dat tot bevrediging kan leiden. Het driftobject kan veranderen van de ene levensperiode tot de andere. Driftobjecten zijn ook in grote mate afhankelijk van milieubeïnvloeding: ze kunnen dan ook verschillen van cultuur tot cultuur.

Soorten driften Freud maakte in Jenseits des Lustprinzips (1920) onderscheid tussen Lust en Unlust. Later onderscheidt hij twee tegengestelde en complementaire driften die vanaf de geboorte werkzaam zijn: De levensdrift of libido, gericht op behoud van de soort en op zelfbehoud. De mens ervaart echter geen levensdrift (eros). Wel de psychische variant ervan: de seksualiteit. In de eerste fase van zijn theorievorming spreekt Freud van libido sexualis. In een later stadium tempert hij zijn pan-seksualisme en spreekt van libido als een op leven gerichte ongedifferentieerde energie. De doodsdrift. De mens ervaart evenmin doodsdrift (thanatos). Wel de psychische variant ervan: de agressie. Deze agressie is primair tegen de persoon zelf gericht en zou secundair tegen de buitenwereld zijn gericht. Mogelijk gerelateerd aan de angst voor aftakeling (Gesammelte Werke).

Afweermechanismen van het Ich Vanuit het Es treden driften onbewust in werking. Zij ontmoeten weerstand in de moraal van de maatschappelijke orde, die haar neerslag vindt in het persoonlijk geweten, het Über-Ich. Het conflict hier tussen wordt door het Ich beslecht, dat op redelijke wijze richting kan geven aan de bevrediging van de driften.

Als de driften te sterk botsen met de eisen van het Über-Ich kan de psyche gebruikmaken van een aantal afweermechanismen, waarmee de psyche beschermd wordt tegen de psychische spanningen die ontstaan uit dit conflict. Deze verdedigingsmechanismen zijn geen bewuste mechanismen; ze zijn biologisch gegeven mechanismes, die automatisch in werking treden.

Het gebruik van deze mechanismen lost de conflicten niet op. Als de conflicten niet heftig zijn, kunnen de verdedigingsmechanismen het ongemak kleiner maken. Is het conflict echter ernstig, zodat de verdedigingsmechanismen intensief worden gebruikt, dan is het enige dat ze doen, het buiten de werkelijkheid verbergen van de omvang van het probleem.

Verdringing Psychische energie die door verdringing buiten het bewustzijn wordt gehouden blijft wel bestaan. Vanuit het onbewuste zoekt deze energie een uitweg, hetgeen zich kan uiten in lichamelijke symptomen, zoals hysterische aanvallen. Door bewustwording van deze energie, of deze bewustzijnsinhoud, wordt ze weer toegankelijk voor de redelijke sturing door het Ich, en verdwijnen de pathologische symptomen. Dit bewustworden is mogelijk door de vrije associatie van de gedachten, en de duiding van de aldus blootgelegde bewustzijnsinhouden door de behandelende arts. Aanvankelijk ging Freud ervan uit dat neuroses veroorzaakt worden door verleiding in de kindertijd. Later liet hij deze gedachte los en ontwikkelde het idee van de kinderlijke seksualiteit, en het ontstaan van neuroses door stoornissen in de ontwikkeling van de kinderlijke seksualiteit.

Afweer Deze duiding kan weerstand oproepen bij de patiënt, voor wie de seksuele betekenis van zijn symptomen onwelgevallig zijn. Freud zag het als de taak van de arts om deze weerstand te breken, om zodoende de genezing mogelijk te maken.

Ontwikkeling van het libido In zijn theorie over de ontwikkeling van de persoonlijkheid onderscheidt Freud twee innig verbonden en parallel verlopende ontwikkelingsprocessen: de psychoseksuele ontwikkeling, en de ontwikkeling van het Ich.

Psychoseksuele ontwikkeling Volgens Freud slaat de term seksualiteit op gedrag dat lustervaringen meebrengt, en omvat dus ook lustgevende functies zoals voeding, ontlasting, aanraking, kijken. Freud werd in zijn ideeën beïnvloed door Ernst Haeckel, die stelde dat de ontwikkeling van het individu de ontwikkeling van de soort herhaalt. Deze ontwikkeling geldt ook voor de seksuele ontwikkeling van de soort, die via orale en anale fases richting genitale seksualiteit zou zijn geëvolueerd. (1996) Anna Freud, die werkte met getraumatiseerde kinderen, kwam tot de volgende fasen in de ontwikkeling van het lustleven: De orale fase De anale fase De fallische fase De latentiefase De genitale fase

Ontwikkeling van het Ich Als het kind ouder wordt, en zich bewuster wordt van zichzelf en zijn driften, vindt er een ontwikkeling plaats van het lustprincipe naar het realiteitsprincipe. Het kind leert omgaan met de eisen van de omgeving, en wordt beter in staat zich daaraan aan te passen. Hierbij is evenwicht belangrijk: te sterke aanpassing leidt tot de ontwikkeling van een vals zelf.Winnicott: Ego distortions in terms of true and false self Winnicott Maar een gebrek aan aanpassing leidt uiteraard tot deviant gedrag en uitsluiting uit de samenleving. Met de ontwikkeling van het Ich vindt er ook betere uitbouw van de verdedigingmechanismen plaats. De ontwikkeling van het Ich is uitgebreid bestudeerd in de Ego-psychologie.

Ontwikkelingen binnen de psychoanalyse Ontwikkeling van Freuds ideeën Het werk van Freud is omvangrijk en het beslaat vrijwel alle belangrijke menselijke activiteiten en maatschappelijke fenomenen. Freud heeft zijn hele leven aan deze theorie gewerkt waarbij hij zelf ook een ontwikkeling doorgemaakt heeft. Daarvan valt iets in zijn opvattingen over de steeds terugkerende begrippen als het libido en de verschillende driften te bespeuren. Aanvankelijk is het libido een seksuele drift die gaandeweg naar een soort vitalistische levensenergie lijkt te evolueren.

In veel van de huidige psychoanalytische theorieën valt vaak nog weinig van de oorspronkelijke ideeën van Freud te bespeuren.

Recent onderzoek levert andere inzichten over de werking van de hersenen op.; ; Principles of Neural Science Sigmund Freud wist zeer veel af van de hersenen als pathaloog anatoom. Van een groot deel van de hersenen noemde hij de werking 'unknown'. De huidige wetenschap weet ook lang niet alles. Wat een belangrijk verschil is is dat Sigmund Freud niet uitsluitend de hersenen maar het gehele zenuwstelsel, de zintuigen en het ruggenmerg betrok in zijn onderzoek naar de werking van de psyche (Gesammelte Werke).

Psychoanalytische vereniging thumb|300px|Groepsfoto voor de Clark University in 1909. V.l.n.r. voor: Sigmund Freud, Granville Stanley Hall, Carl Gustav Jung, v.l.n.r. achter: A.A. Brill, E. Jones, Sándor Ferenczi. Het genootschap dat Freud met zijn kring in het leven geroepen had was allerminst een homogeen gezelschap. Het genootschap maakte regelmatig turbulente ontwikkelingen door. Vaak betrof het ontwikkelingen die Freud zelf niet altijd wenste, zoals de conflicten met Carl Gustav Jung en diens vertrek uit het genootschap. Freud wilde een strikt wetenschappelijk gefundeerde theorie en therapeutische methode ontwikkelen. Georg Groddeck liet zich er echter op voorstaan dat hij een geheel onwetenschappelijke benadering hanteerde. Zijn boeken, Het Boek van het Es met 'brieven aan een vriendin' en de roman De Zielzoeker, ademen een frivoliteit en morele losbandigheid die niet goed past bij het imago dat het genootschap normaliter heeft. Groddeck wordt beschouwd als de grondlegger van de haptonomie wat niet vreemd is aangezien zijn therapeutische methoden vaak meer fysiek dan mentaal van aard waren.