thumb|Lancering van de Spaceshuttle Columbia in 1981, de eerste spaceshuttle van NASA Ruimtevaart is de menselijke activiteit in de ruimte, buiten de aardse dampkring. Volgens de Fédération Aéronautique Internationale (FAI) begint de ruimte op een hoogte van 100 kilometer, de Kármánlijn. De Amerikaanse luchtmacht en de Amerikaanse luchtvaartautoriteit FAA hanteren echter een minimale hoogte van 80,5 kilometer (50 mijl).
Ruimtevaart wordt mogelijk gemaakt door middel van verschillende lanceersystemen, vaak via raketlancering vanaf een lanceerbasis. Een raket produceert tijdens een lancering een stuwkracht die groter is dan de aardse zwaartekracht, waardoor de raket opstijgt. Vervolgens wordt vaak de horizontale snelheid vergroot waardoor de raket, althans de payload, in een baan om de aarde wordt gebracht. Sommige ruimtevaartuigen blijven voor onbepaalde tijd in de ruimte, sommige vallen uit elkaar tijdens atmosferische terugkeer en andere bereiken een planetair oppervlak.
De Sovjetische kosmonaut Joeri Gagarin was de eerste mens in de ruimte aan boord van Vostok 1. Voorbeelden van bemande ruimtevluchten zijn de maanlanding van de Apollo en het spaceshuttleprogramma van de Verenigde Staten, het Sovjetische Sojoez-programma, evenals het internationaal ruimtestation (ISS). Voorbeelden van onbemande ruimtevaart zijn ruimtesondes die de baan om de aarde verlaten, of satellieten in een baan rond de aarde, zoals communicatiesatellieten.
Ruimtevaart wordt gebruikt bij ruimteonderzoek, zoals verkenning van het zonnestelsel, en bij commerciële activiteiten zoals ruimtetoerisme en satelliettelecommunicatie. Andere niet-commerciële toepassingen van ruimtevluchten zijn onder meer ruimtetelescopen, spionagesatellieten en andere satellieten die de Aarde of andere hemellichamen observeren.
Literatuur en grondleggers
thumb|Een voetstap op het maanoppervlak thumb|De Hubble Space Telescope thumb|het Internationaal Ruimte Station ISS thumb|SpaceShipOne Verhalen en fantasieën waarin de mens de aarde verlaat en de wijze waarop zijn al heel oud. Rond het jaar 160 publiceerde de Griek Lucianus van Samosata (Aletheis Historiai, Waarachtige verhalen) en de dialoog Ἰκαρομένιππος (Ikaromenippos, De Luchtreis) waarin hij beschrijft hoe een schip in een zware storm door de wind de lucht in wordt geblazen en op de maan belandt.
In de literatuur
In 1865 publiceert Jules Verne zijn boek De la terre à la lune (Van de aarde naar de maan), waarin hij nauwkeurig omschrijft hoe een ruimtevaartuig wordt afgeschoten door een kanon (in Florida, Verenigde Staten) en naar de maan reist. Frappant zijn de vele overeenkomsten tussen zijn boek en de Apollovluchten naar de maan die meer dan honderd jaar later plaatsvonden. Rond 1900 publiceerde de schrijver H.G. Wells onder andere The War of the Worlds en The First Men in the Moon, verhalen waarin reizen door de ruimte een belangrijke rol spelen.
Grondleggers van de moderne ruimtevaart Zes belangrijke grondleggers voor de moderne ruimtevaarttechniek zijn de wetenschappers Hermann Ganswindt (1856-1934), Konstantin Tsiolkovski (1857-1935), Robert Goddard (1882-1945), Hermann Oberth (1894-1990), Sergej Koroljov (1906-1966) en Wernher von Braun (1912-1977). Zij zouden allen hebben bevestigd geïnspireerd te zijn door de verhalen van schrijvers als Verne en Wells.
Geschiedenis van de ruimtevaart Eerste bereiken van de ruimte Het eerste door de mens gemaakte object dat volgens een later opgestelde definitie de ruimte bereikte, was een door Duitsland ontwikkelde ballistische raket genaamd de V-2. Dit gebeurde tijdens een testvlucht in juni 1944. De eerste geslaagde vlucht van de V-2-raket (ook wel A2) vond bijna twee jaar eerder plaats in Peenemünde op 3 oktober 1942. Na de Duitse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog kwamen deze raketten in handen van de Amerikanen en de Sovjets die de raketten in grote aantallen in beslag namen. Ook werden de Duitse raketgeleerden na de oorlog ingezet voor de ruimtevaartprogramma's van beide landen.
Eerste kunstmaan: start ruimtewedloop
De eerste kunstmatige satelliet, van Sovjet-makelij, was de Spoetnik 1 in 1957. In hetzelfde jaar werd het eerste levende wezen in de ruimte gebracht, het hondje Laika met de Spoetnik 2, gevolgd door lanceringen met andere ruimtehonden. In 1958 volgden de Amerikanen met de Explorer I. De Amerikanen specialiseerden zich in de inzet van aapjes voor het testen van de fysieke reacties op het ruimteleven. Op 31 januari 1961 lanceerden de Amerikanen de eerste aap de ruimte in met hun Mercuryprogramma als voorbereiding op de eerste menselijke vlucht. De Sovjets lanceerden echter als eerste een mens de ruimte in met hun Vostokprogramma. Op 12 april 1961 werd Joeri Gagarin in een baan om de aarde gebracht. De eerste Amerikaan, Alan Shepard zou volgen op 5 mei 1961. Shepard maakte echter alleen een suborbitale ruimtevlucht. Pas op 20 februari 1962 werd de eerste Amerikaan, John Glenn in een baan om de aarde gebracht. Ook de eerste ruimtewandeling werd door een Sovjet kosmonaut, Aleksej Leonov gemaakt op 18 maart 1965.
Race naar de Maan thumb|left|200px|Lancering van de Gemini 11 Als reactie hierop en om de achterstand in de ruimtewedloop in te halen, beloofde de Amerikaanse president John F. Kennedy in zijn State of the Union in 1961 dat er voor het einde van het decennium een Amerikaan op de maan zou staan. Door de NASA werd toen het voorbereidende Geminiprogramma gestart, waarmee ervaring werd opgedaan met bemande ruimtevluchten en zelfs met ruimtewandelingen. Het Apolloprogramma resulteerde in 1969 uiteindelijk in wat Kennedy had beloofd; op 21 juli 1969 zette Neil Armstrong als eerste mens voet op de maan. Hij sprak de befaamde woorden: That's one small step for a man, one giant leap for mankind (Dit is een kleine stap voor een mens, maar een grote sprong voor de mensheid). Vanaf toen landde er tot 1972 zes keer een Apollo-maanmodule op de maan.
Na de eerste paar maanlandingen in 1969-1971 was de spanning er voor het grote publiek af. Even nog was de reddingsoperatie voor het mislukte derde schot naar de maan, de Apollo 13, (1970) sensationeel, maar bij de Apollo 17 (1972) was de kritiek op de vele miljarden die dit kostte te groot geworden en werd het project gestopt. NASA moest in de jaren daarna meer knokken voor haar bestaan en ging diverse internationale samenwerkingsverbanden aan.
Ruimtestation
De Sovjet-Unie had de race naar de maan verloren en hun eigen maanprogramma was uitgelopen op een fiasco mede door de dood van hun belangrijkste raketwetenschapper Sergej Koroljov. Maar men had wel een betrouwbaar bemande ruimtevaartprogramma ontwikkeld in de vorm van het Sojoezprogramma. Hoewel het ruimtevaartprogramma van de Sovjet-Unie grotendeels publicitair op de achtergrond lag, en mede door de Koude Oorlog grotendeels geheim was, tekende zich een doel af dat de Sovjets tot hun inzet maakten: ruimtestations. Al vanaf de vroege jaren 1970 werd hieraan gewerkt. De Sovjets bouwden grote wetenschappelijke expertise op over het langdurig verblijf van mensen in de ruimte.
In 1971 werd door de toenmalige Sovjet-Unie het eerste ruimtestation genaamd Saljoet 1 gelanceerd. Dit station was de eerste in een serie van Sovjet ruimtestations wat uiteindelijk uitmondde in het modulaire ruimtestation Mir welke van 1986 tot 1996 rond de aarde draaide. In 1973 lanceerden de Amerikanen hun ruimte station geraamd Skylab welke tot 1979 om de aarde zou draaien. In 1998 werd de eerste module van het Internationaal ruimtestation (ISS) gelanceerd. De belangrijkste bijdragen aan dit station werden geleverd door de Sovjets, Amerikanen, Europeanen, Japanners en Canadezen. Omdat Amerika niet toestaat dat China deel neemt aan het ISS is China zelf een ruimtestation-programma gestart. Dit programma genaamd Tiangong omvat twee kleine ruimtestations (Tiangong 1 & 2) bedoeld om technologie te testen en moet uitmonden in een groter ruimtestation ter grootte van de MIR. De kernmodule van dit grotere station werd in 2021 gelanceerd.
Onbemande ruimtevaartprogramma Naast bemande ruimtevaart probeerden de Verenigde Staten en Sovjet-Unie elkaar ook af te troeven met de verkenning van het zonnestelsel en andere planeten. De voorkeur van de Sovjets lag bij Venus, waar de Amerikanen gingen koersen op Mars met hun Pioneer projecten.
Spaceshuttleprogramma
Na de maanlandingen begonnen de Amerikanen in het midden van de jaren 70 met de ontwikkeling van Spaceshuttle. De gedachte achter de ontwikkeling van het bouwen van een herbruikbaar ruimteschip was om op goedkope en regelmatige basis ruimtemissies te kunnen uitvoeren. De Sovjet-Unie ontwikkelden ook een eigen Ruimteveer, maar dit programma kwam abrupt tot een einde met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie.
Internationale samenwerking In 1975 werden een Amerikaanse Apollo-module en een Sovjet Sojoez-module in de ruimte gekoppeld in het kader van het Apollo-Sojoez Test Project.
Door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werd het Sovjetische ruimtevaartprogramma per 1 december 1991 opgeheven. In 1992 werd in de nu onafhankelijk geworden Russische Federatie het agentschap Roskosmos opgericht, in een poging om met de restanten van het Sovjetische ruimtevaartprogramma een doorstart te maken. Vanwege het einde van de Koude Oorlog in 1991 en de economische crisis die volgde op de desintegratie van de Sovjet-Unie kwam de staatsfinanciering voor Roskosmos een veel lager niveau te liggen dan bij de Sovjetische voorganger. Ook de Amerikaanse ruimtevaart kreeg ernstige klappen te verwerken: na het verongelukken van de Spaceshuttle Challenger in 1986 lag de bemande ruimtevaart in Amerika bijna drie jaar lang stil.
NASA en Roskosmos, de ruimtevaartorganisaties van de VS en van Rusland, besloten daarom tot een verregaande vorm van samenwerking. De Russen zouden hun langlopende project, het Sovjetische ruimtestation Mir, opgeven en samen met de Amerikanen en de Europese ruimtevaartorganisatie ESA werken aan het International Space Station ISS. Inmiddels is een basisversie van de ISS al enige jaren actief.
Na de Space Shuttle De ramp met de Spaceshuttle Columbia in 2003 luidde het einde in van het Spaceshuttleprogramma. Ter vervanging creëerde president George W. Bush het Constellationprogramma. Het moest een goedkoper alternatief worden voor de Space Shuttle in de vorm van een wegwerpraket met capsule, in de lijn van het Apolloprogramma van de jaren 1960. De bedoeling was opnieuw een capaciteit te ontwikkelen voor reizen naar de Maan en op termijn, vanaf een maanbasis, naar Mars. Met de Space Shuttle werd nog wel doorgegaan om de bevoorrading en de afbouw van het ISS niet in gevaar te brengen: de laatste lancering van een Shuttle was die van de Atlantis op 8 juli 2011, in totaal de 135ste lancering van een Space Shuttle. (2019), hoofdstuk 1 "Space 1.0, The Final Act". (2018), hoofdstuk 6 "Human Spaceflight after the Cold War". (2017), hoofdstuk 7 "Memory: Preserving Meaning". Nieuwe modules van de ISS waren namelijk te groot voor de uit de Sovjettijd stammende Sojoez en moesten absoluut met de Space Shuttle omhooggebracht worden. Om de bevoorrading niet in gevaar te brengen, besloten de Russen voorlopig geen toeristen meer mee te nemen. Pas in 2005 ging de derde ruimtetoerist naar het station.
Door de focus op Constellation nam de Amerikaanse steun voor het ISS af. Rosaviakosmos koos dan voor een zelfstandige uitbreiding en voor nauwere samenwerking met de ESA, onder meer voor de montage van een robotarm. Het feit dat de Russen ruimtetoeristen meenamen naar het ISS (vier tot in 2006, voor 20 miljoen dollar) leidde tot spanningen met de NASA.