Tenontosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende ornithischische dinosauriërs, behorend tot de groep van de Euornithopoda, dat tijdens het Vroeg-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
Vondst en naamgeving Barnum Brown vond in 1903, in dienst van het American Museum of Natural History, in Big Horn County, Montana wat wervels van een euornithopode, specimen AMNH 5854.
In 1927, 1931 en 1933 keerde hij naar het gebied terug, waarbij talrijke fossielen van Tenontosaurus werden opgegraven, in de Middle Dome-vindplaats in Wheatland County, Montana. Ze waren deel van een hele fauna die Brown van plan was te beschrijven maar waaraan hij, zoals zoveel van zijn projecten, nooit is toegekomen. Wel werd door Charles Lang in 1938 een skelet in het AMNH opgesteld, AMNH 3034, maar dat was zeer onnauwkeurig: men had de verbeende pezen van de staartbasis verwijderd zodat de staart niet recht achteruit stak maar golvend op de grond rustte. Daarbij werd de ontbrekende schedel aangevuld met een gefantaseerd model dat weinig overeenkomsten had met de werkelijkheid. left|thumb|Een van de vele gevonden skeletten De typesoort Tenontosaurus tilletti werd in 1970 benoemd en beschreven door John Ostrom, die al het materiaal van de vindplaats in de jaren zestig weer was gaan onderzoeken. De geslachtsnaam is afgeleid van het Klassiek Griekse τένων, tenoon, 'pees', een verwijzing naar de verbeende pezen die bij het bekken en de staartbasis de ruggengraat stijver maken. Brown was al van plan geweest het dier "Tenantosaurus kaiseni" te noemen naar zijn medewerker Peter Kaisen. De andere spelling berustte vermoedelijk op een schrijffout. De soortaanduiding eert het gezin van Lloyd Tillett dat de expedities van Ostrom altijd grote gastvrijheid had geboden. Omdat dit uit meerdere personen bestond, emendeerde George Olshevsky in 1991 de soortnaam naar Tenontosaurus tillettorum.
Het holotype AMNH 3040 is gevonden in de Himesafzetting van de Cloverlyformatie die dateert uit het Albien, ongeveer 110 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet zonder schedel. De paratypen zijn YPM 5456, een schedel en YPM-PU 16338, een tweede gedeeltelijk skelet.
Ostrom wees in 1970 talrijke specimina toe. De althans minimaal omschreven stukken omvatten AMNH 5854: wervels en een mogelijk ravenbeksbeen; AMNH 3010: een gedeeltelijk skelet; AMNH 3013: een romp met ledematen; AMNH 3020: voetbeenderen; AMNH 3012: de linkerhelft van de romp en ledematen van een jong dier; AMNH 3014: een gedeeltelijk skelet samen gevonden met een exemplaar en eierschalen van Deinonychus (AMNH 3015); AMNH 3011: een gedeeltelijk skelet; AMNH 3017: een gedeeltelijk skelet; AMNH 3031: een gedeeltelijk skelet; AMNH 3034: een onderkaak, de wervelkolom van de voorste rug tot en met de staartbasis en een achterpoot; AMNH 3043: een gedeeltelijk skelet; AMNH 3044: botfragmenten van alle delen van het skelet; AMNH 3045: een fragmentair skelet; AMNH 3050: stukken onderkaak en drie klauwen; AMNH 3062: een reeks van drieëndertig staartwervels; AMNH 3061: een gedeeltelijk skelet; AMNH 3063: een gedeeltelijk skelet; OMNH 10132: een gedeeltelijk skelet; YPM 16514: een gedeeltelijk skelet; BB #1: een gedeeltelijk skelet; YPM 5459: een gedeeltelijk skelet; YPM 5460: een gedeeltelijk skelet; YPM 5458: een gedeeltelijk skelet; YPM 5471: een schedel; YPM 5472: een schedel; YPM 5461: een gedeeltelijk skelet; YPM 5478: een gedeeltelijk skelet; YPM 5466: een gedeeltelijk skelet; YPM 5457: een gedeeltelijk skelet en YPM 5462: een gedeeltelijk skelet.
Samen met latere vondsten werd een tachtigtal specimina aan de soort toegewezen uit alleen al de Cloverlyformatie, van zowel volwassen als jonge dieren. Een belangrijk exemplaar is OU 10144, een skelet zonder schedel van een pasgeboren dier, in 1990 door Catherine Forster gemeld in het kader van een volledige beschrijving van het postcraniaal skelet van Tenontosaurus. Daarnaast zijn grotere vondsten gemeld uit de Paluxyformatie van Texas en verder resten uit Idaho, Utah, Maryland, Arizona en Oklahoma, alles uit het Onder-Krijt. Het hele skelet is bekend maar het meeste materiaal is nog niet beschreven.
In 1997 benoemde Dale Winkler een tweede soort: Tenontosaurus dossi. De soortaanduiding eert rancher James Doss op wiens ranch in Parker County, Texas het holotype is gevonden, FWMSH 93B1, in een laag van de Twin Mountains Formation die dateert uit het Aptien. Doss schonk het skelet aan het Fort Worth Museum of Science and History. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet. Een tweede skelet, FWMSH 93B2, is aan de soort toegewezen. De validiteit van de soort en zijn identiteit met Tenontosaurus zijn omstreden.
In 2013 beschreef Jonathan Tennant het postcraniaal skelet aan de hand van specimen LL.12275. In 2015 werd de schedel in groot detail beschreven aan de hand van een nieuw specimen, OMNH 58340, gevonden in 2000. In 2019 werden van dit specimen afwijkingen door infecties beschreven. In 2021 werd de hand van dit specimen in detail beschreven.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|upright=1.7|Skelet in het North Carolina Museum of Natural Sciences De lengte van Tenontosaurus wordt meestal aangegeven als ongeveer zeven à acht meter en het gewicht soms zo hoog als twee ton. Gregory S. Paul gaf in 2010 voor Tenontosaurus tillettorum een lagere lengte van zes meter bij een gewicht van zeshonderd kilogram. T. dossi zou wat groter geweest zijn met zeven meter en één ton. De lengte is bij Tenontosaurus geen goede aanwijzing voor het gewicht omdat de staart zo lang is.
De staart van Tenontosaurus kon tot vier meter lang worden en was tweemaal zo lang als de romp. De forse maar smalle en gespierde romp rustte op lange achterpoten en brede, vijfvingerige voorpoten. Hij liep meestal op vier poten.
In 2015 werden enkele onderscheidende kenmerken van Tenontosaurus tillettorum vastgesteld. De praemaxilla, het voorste snuitbot, draagt geen tanden. De beennaad tussen de voorhoofdsbeenderen en de wandbeenderen is ongeveer even lang als twee derden van de gecombineerde breedte overdwars van de voorhoofdsbeenderen. De neusbeenderen zijn anderhalfmaal zo lang als de voorhoofdsbeenderen. Het schouderblad is naar achteren gekromd en heeft een verbreed bovenste uiteinde. De tweede vinger draagt een klauw maar de derde heeft daar slechts een stompje. De onderste schacht van het dijbeen is recht.
Daarnaast werd in 2015 eigenschappen bepaald die het geslacht Tenontosaurus als geheel zouden kenmerken, dus inclusief Tenontosaurus dossi. Het neusbeen wordt overlapt door de opgaande tak van de praemaxilla. De tak van het jukbeen naar het postorbitale vormt van het jukbeen het achterste punt. In bovenaanzicht heeft het wandbeen een driehoekig profiel. De bijtrand van het gezamenlijk predentarium van de onderkaken heeft schijntandjes. De voorrand van het schouderblad heeft een zijwaarts gebogen bult. Van het schaambeen is de voorste processus praepubicus overdwars afgeplat en rechthoekig in zijaanzicht. Het zitbeen heeft op de middelste hoogte op de voorrand een processus obturatorius.
In 1997 werden zeven onderscheidende kenmerken van T. dossi gegeven. De praemaxilla draagt tanden. De schacht van het schaambeen is langer. Het vijfde middenvoetsbeen is langer. De onderkant van het achterblad van het darmbeen heeft in het geheel geen groeve voor de Musculus caudofemoralis brevis. Het aantal maxillaire tanden is lager. De praemaxilla draait minder naar buiten. Het predentarium van de onderkaak draagt minder schijntandjes. De meeste van deze kenmerken zijn basaal.
Skelet Schedel thumb|De schedel heeft een groot neusgat De schedel van Tenontosaurus is laag en lang. Ook in bovenaanzicht is de schedel zeer langwerpig waarbij de snuitpunt echter een opvallende ronde verbreding toont en de onderste zijkanten van het achterste deel zeer breed zijn. De snuit is ook in zijaanzicht sterk afgerond met een bol profiel dat doorloopt tot aan de oogkassen. In de ronding van de snuit bevindt zich een enorm ovaal naar achteren hellend neusgat dat zich schuin naar achteren voorzet in een grote langwerpige depressie die de hele bovenste zijkant van de snuit uitholt. Onder het achterste uiteinde daarvan ligt in de zijkant van de snuit maar een kleine fenestra antorbitalis, een ovaal die eveneens naar achteren helt. De oogkas is relatief klein en hoog geplaatst. Er achter en iets lager ligt een klein afgerond onderste slaapvenster dat kleiner is dan de oogkas. Daaronder ligt bij veel exemplaren een tweede, kleinere, opening in de zijwand, op de grens van het jukbeen en het quadratojugale. Dit wordt wel gezien als een secundair onderste slaapvenster. De gepaarde bovenste slaapvensters op het schedeldak zijn niervormig en langgerekt.
De praemaxilla omvat van onderen uit bijna het hele neusgat. De zijwand van de praemaxilla is eveneens sterk verdiept door de uitholling rond het neusgat. De praemaxillae vormen samen een beneden de kaakrand afhangende beenkern van de bovensnavel. Ze zijn bij T. tillettorum tandeloos. Dat geldt voor de meeste Iguanodontia maar als T. dossi inderdaad een tanddragende directe voorouder van T. tillettorum voorstelt, moet deze eigenschap bij die laatste zich apart ontwikkeld hebben want het is niet aannemelijk dat de rest van de groep van Tenontosaurus afstamt. In bovenaanzicht is deze bek U-vormig. De zijwanden ervan zijn breder dan de kaakranden en springen achteraan een stuk in. Ze overlappen daarbij de voorste takken van de bovenkaaksbeenderen die weer de platte voorkanten van de ploegschaarbeenderen overgroeien, een wellicht unieke configuratie. De interne vleugels van de praemaxillae vormen een hard verhemelte in de bek dat echter nog ingekeept wordt door de ploegschaarbeenderen. De opgaande tak van de praemaxilla wordt niet door het neusbeen overlapt maar past in een groeve in de zijkant daarvan, een basaal kenmerk. Beide opgaande takken kepen de neusbeenderen tot over de helft van hun lengte in. De lange tak van de praemaxilla onder het neusgat raakt het traanbeen en sluit zo het bovenkaaksbeen uit van het neusbeen, een afgeleid kenmerk dat bij meer afgeleide soorten alleen ontbreekt bij Zalmoxes. De oogkas is ruwweg driehoekig waarbij de voorrand een verticale rechte lijn vormt en de achterrand afgerond is. Van de bovenrand van de oogkas maakt het voorhoofdsbeen maar een klein deel uit, een afgeleid kenmerk. De achterste tak van het bovenkaaksbeen articuleert met het jukbeen. Het quadratojugale is groot en het jukbeen raakt het quadratum niet, een basaal kenmerk. Evenzeer basaal is dat een foramen quadraticum ontbreekt alsmede een inkeping in de voorrand van het quadratum; het secundaire onderste slaapvenster kan daar een voorloper van zijn. Het quadratum is lang en overdwars afgeplat met een licht bolle achterrand. Het squamosum raakt intern het jukbeen. Op het achterhoofd zijn de processus paroccipitales haakvormig en aan hun uiteinden naar beneden gebogen. Het wandbeen raakt in de zijwand van de hersenpan het proöticum niet, een basaal kenmerk. Het basioccipitale raakt de laterosfenoïden.