Het klooster Weerd (ook wel: Weert, Weerdt, of Waard, Fries: Weard of Weart, officieel: Templum Domini, mogelijk ook: Silva St. Mariae) was een vrouwenklooster ten zuiden van het Friese dorp Morra. Het klooster is waarschijnlijk kort voor 1200 gesticht vanuit het nabijgelegen Sint-Bonifatiusklooster in Dokkum. Weerd fungeerde als priorij van Dokkum en werd vanuit daar bestuurd. Het klooster werd in 1569 geplunderd en in brand gestoken waarna het klooster in 1580 definitief opgeheven werd.
Geschiedenis Het klooster was gelegen in een hoger gelegen gebied ten opzichte van het lager gelegen gebied De Kolken ten zuidoosten van Morra. Het gebied rond het klooster wordt begrensd door de Morrastervaart en de Keechsdyk aan de westkant, de Zuider Ee aan de zuidkant en de Headamsterwei aan de oostkant.Rienks, K.A. & Walther, G.L. (1984). Binnendiken en slieperdiken yn Fryslân. 2e ed. Leeuwarden: Osinga. pp.115-116.
Stichting Weerd werd gesticht vanuit het Sint-Bonifatiusklooster te Dokkum. Aanvankelijk was dit klooster in Dokkum een dubbelklooster (een klooster voor zowel mannen als vrouwen). Het Bonifatiusklooster zou rond 1175 onder het gezag van de premonstratenzers gekomen zijn. / Bärenfänger, R. & Mol, J.A. (2013). Die ehemaligen Klosterplätze im Küstengebiet / De voormalige kloosterplaatsen in het kustgebied. In: J. Kegler (Ed.) (2013). Land der Entdeckungen / Land van ontdekkingen. Die Archäologie des friesischen Küstenraums / De archeologie van het Friese kustgebied. Aurich: Ostfriesische Landschaft. pp.296-309. Echter vereiste aansluiting onder het rechtlijnige Steinfeld een strikte scheiding en werden de vrouwen ondergebracht in een nieuw klooster: Weerd.Vliet, K. van (2002). In kringen van Kanunniken. Munsters en kapittels in het bisdom Utrecht 695-1227. PhD. Universiteit van Amsterdam. Beschikbaar via: Dare.uva.nl. [Geraadpleegd op 25 juli 2021]. Hoewel ruimtelijk gescheiden, bleven beide gemeenschappen geleid worden door één abt. Weerd zou kort voor 1200 gesticht zijn daar de abt van Dokkum vanaf dan voorkomt als abt in plaats van prelaat.Mol, J.A. (2004). De Bonifatiusabdij. In: M. Schroor (Red.) (2004). Geschiedenis van Dokkum, hart van Noordelijk Oostergo. Dokkum: Stichting Historia Doccumensis. pp.50-51. Het klooster wordt vermeld in de vita van abt Siardus van Mariëngaarde (†1230) waar melding wordt gemaakt van de genezing van zuster Bawe Roorda.Lambooij, H.T.M. & Mol, J.A. (2001). Vitae Abbatum Orti Sancte Marie. Vijf abtenlevens van het klooster Mariëngaarde in Friesland. Hilversum: Uitgeverij Verloren. Het klooster wordt voor het eerst vermeld in 1401.Berg, H.M. van den (1983). Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. 's-Gravenhage: SDU uitgeverij. Hoewel het klooster eigenlijk Templum Domini heette, stond het bekend als Weerd, de naam van de terp waarop het klooster gelegen was.Mol, J.A. (2020). De namen van Friese kloosters. Historisch Tijdschrift Fryslân, 26(2), pp.16-20. De naam "Weerd" is afgeleid van het Oudfriese "werth", hetgeen wierde/terp betekent.Gildemacher, K.F. (2008). Terpen en terpnamen. Een naamkundig en historisch-geografisch onderzoek naar vijf naamtypen in Fryslân. Leeuwarden: Fryske Akademy/Afûk. Tevens zou het klooster de naam Silva St. Mariae (Mariënbos) gehad hebben al wordt dit ook wel bestreden.Backmund, N. (1952). Monasticon praemonstratense id est historia atque canoniarum candidi et canonici ordinis praemonstratensiss. Volume 2. Straubing: Attenkofersche Buchdruckerei.
Bloeiperiode Het klooster ressorteerde als priorij onder het moederklooster te Dokkum. Vanuit Dokkum werden dan ook de prior en de keldermeester aangesteld.Smits, E. (1993). De geschiedenis van de Norbertijner kloosters in Oostergo. [online] Beschikbaar via: Hvnf.nl. [Geraadpleegd op 25 juli 2021]. Intreden in het klooster was voorbehouden aan vrouwen van een voorname afkomst daar hierbij ook een gift verlangd werd.Mol, J.A. (1999). Kloosters in Friesland. In: N. Karstkarel & P. Karstkarel (Red.) (1999). Kloosterpad. Een bedevaart in het oosten van Friesland. Leeuwarden: Friese Pers Boekerij. pp.7-13. Het klooster werd dan ook bevolkt door zusters uit een adellijke familie. Naast Bawe Roorda komen ook Auck Ropta en Syts van Hemmema voor als zusters. Daarnaast waren er niet nader genoemde leden van de families Mennema van Hiaure en Siuxma van Waaxens ingetreden.Noomen, P.N. (2009). De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners. Hilversum: Uitgeverij Verloren.
Weerd vergaarde het nodige bezit door giften en bedenking van het klooster in testamenten. Verder zijn meerdere testamenten bewaard gebleven waarin vaten bier en geldbedragen aan het klooster geschonken worden.Verhoeven, G. & Mol, J.A. (1994). Friese testamenten tot 1550. Leeuwarden: Fryske Akademy.
Opheffing De toenmalige grietman van Oostdongeradeel Rinthie van Aytta, een broer van de bekende staatsman Viglius, maakte melding van een inval in het klooster van de watergeuzen in 1569 waarbij het convent in brand gestoken werd en alle "tilbare" goederen meegenomen werden. Een deel van de buit werd vervolgens in Emden verkocht.Andreae, A.J. (1886). Het verzet der Friezen tegen de Spaansche dwingelandij, gedurende het tijdvak 1566-1574. De Vrije Fries, 17, pp.387-534. Het kloosterbezit werd in 1580 door de Staten van Friesland geconfisqueerd. Dit werd overgedragen door conventuaal Ansck Luytesdochter welke naderhand zou gaan wonen in het Sint Anthonygasthuis te Leeuwarden. Gezien de niet geringe inkomsten van het klooster deed de magistraat van Dokkum een verzoek bij de Hertog van Anjou om naast de voormalige kloostergoederen van de abdij in Dokkum ook aanspraak te kunnen maken op de inkomsten van de kleinere kloosters Sion en Weerd. Dit werd niet ingewilligd.Apeldoorn, L.J.V. (1915). De kerkelijke goederen in Friesland: beschrijving van de ontwikkeling van het recht omtrent de kerkelijke goederen in Friesland tot 1795. Deel 2. PhD. Leeuwarden: Meijer & Schaafsma. pp.464-465.
Het kloostergoed in Morra was later onderverdeeld in verschillende boerderijen. Zo wordt in de floreenkohieren van 1640 melding gemaakt van twee sates "Cloosterlandt" en is er sprake van een "Sathe thoe Weert" welke bekend stond als "In het Clooster tot Weerd". Deze laatste boerderij was in 1640 in het bezit van Edzard Jacob Clant en in 1700 van Derk Jacob Clant. In 1701 werd boerderij van 129 pondematen te Morra geruild tegen bezit in Uithuizermeeden door Gerhard Horenken van Dijksterhuis, getrouwd met Bouwina Clant, dochter van Derk Jacob Clant. Door deze ruil kwam het bezit toe aan Aldegonda Maria Clant, een andere dochter van Derk Jacob Clant.Groninger Archieven (2021). Akte van ruiling, waarbij Gerhard Horenken van Dijksterhuis, mede voor zijn minderhjarige dochter Margareta Josina Horenken, aan Alegonda Maria Clant afstaat een plaats groot 129 pondematen te Morra in Friesland, tegen een plaats groot 88 grazen te Uithuizermeeden, 1701. [online] 880 Verzameling archivalia E. Fransema, 1555 - 1910. 15.2.146. Groningen: Groninger Archieven. Beschikbaar via: Groningerarchieven.nl. [Geraadpleegd op 25 juli 2021]. Deze landerijen zouden later in het bezit komen van de plaatselijke boerengeslachten Botma en Sinia.Notenbomer, H. & Jansma, B. (1980). Morra, 750 jaar. Morra: Eigen beheer.
Blijkens een tekening van Jacobus Stellingwerff uit 1723 was er in de 18e eeuw nog een gotisch rechthoekig gebouw van het klooster aanwezig. Gezien de versieringen van het gebouw kan het een rectorswoning of een gastenverblijf geweest zijn. De restanten van muurwerk op de tekening zouden erop kunnen wijzen dat dit gebouw zich buiten de kloostermuur bevond.
Bezit Hoewel het klooster wat betreft eigendom een eenheid vormde met het klooster te Dokkum, bleek het klooster bij de opheffing in 1580 een oppervlak van 1733 pondemaat (637 hectare) te bezitten.Mol, J.A. (2002). De materiële grondslagen van de Premonstratenzer kloosters in Westlauwers Friesland. In: H. Janssens (Red.) (2002). Norbertijnen in Westlauwers Friesland, 10, pp.7-24. Weerd had onder meer bezit in Anjum, Ee, Engwierum, Jouswier, Lioessens, Metslawier, Morra, Nes, Niawier, Paesens en Westergeest.Mol, J.A. & Nieuwland, P. (1993). Rekken fan de kleasteropkomsten yn Fryslân oer it boekjier 1606/1607, opmakke troch Joannes Henrici [Rhala]. In P.L.G. van der Meer, J.A. Mol, & P. Nieuwland (Red.) (1993). Administrative en fiskale boarnen oangeande Fryslân yn de ier-moderne tiid. Leeuwarden: Fryske Akademy. pp.35-153.Meer, P.L.G. van der & Mol, J.A. (2013). De Beneficiaalboeken van Friesland, 1543. Leeuwarden: Fryske Akademy/Afûk. Daarnaast was de Fridshuistera State ten noorden van Metslawier een kloosterboerderij van 115 pondemaat. Bij het opmaken van de inventaris van de pachters is er een eiken kast welke "van de convente Weert van de Priorinne geschoncken is". Het klooster bezat verder boerderijen te Tibma, Klein Medhuizen en Stiem. Onder Engwierum bezat het klooster vijf boerderijen op het Engwierumer Nieuwland inclusief buitendijks land. Dit duidt mogelijk op betrokkenheid van het klooster bij het inpolderen van dit gebied.Tolsma, R. (1989). Pleatsen yn Eastdongeradiel. Metslawier: Friese Maatschappij van Landbouw. Daarnaast had het klooster een aandeel in de veengebieden tussen Kuikhorne, Dantumawoude en Triemen. Eind 15e en begin 16e eeuw is sprake van verschillende geschillen over dit veen tussen lokale eigenaren enerzijds en de kloosters van Dokkum, Klaarkamp, Sion en Weerd anderzijds.Molen, S.J. van der (1978). Turf uit de Wouden: Bijdrage tot de geschiedenis van de hoogveengraverij in Oostelijk Friesland tot 1900. Leeuwarden: De Tille.
Monnikhuis Weerd bezat onder meer een uithof nabij Ezumazijl. Onder Anjum pachtte ene Popke Monick in 1511 130,5 pondemaat van het klooster. In de periode 1578-1580 wordt melding gemaakt van "Muncke saete bij Esamasyll" toebehorende aan het klooster.Tresoar (2016). Wyger Gabbez., dijkgraaf van Dongerdeel ten oosten van de Paesens, verklaart ontvangen te hebben van Oene Jansz., in de jaren 1578 en 1579 wonende op Muncke saete bij Esamasyll, de somma van 374 goudgulden 13 stuiver ten behoeve van de werkzaamheden aan de tot die zate behorende dijken in 1578, een en ander volgens bijgaande opgave o.a. in Ruyme Putma hemrik, de Smalle handen, Wilma hemrik, Oesteners hemrik en de Panya voet van Aal Bauckema dijken, waarin begrepen de 200 gulden hoofdsom van de voorafgaande rentebrief (d.d. 18 augustus 1578: rg. 1), en verschaft hem naast het recht uit die brief het gebruik van de in dat jaar gemaakte "nye toen".; Datum den II May anno 1580. [online] 232-27. Klooster Templum Domini te Weerd bij Morra. Beschikbaar via: Archieven.tresoar.nl. [Geraadpleegd op 25 juli 2021]. In de kloosteropkomsten van 1606/1607 wordt te Anjum nog melding gemaakt van "Ede Reiners int clooster 124 pond." Het voormalige uithofcomplex was gelegen op een terp welke nog steeds herkenbaar is.Worst, D. & Coppens, S. (2021). Landschapsbiografie van Noardeast-Fryslân. It Ferhaal van it Lânskip. [pdf] Dokkum: Gemeente Noardeast-Fryslân. Beschikbaar via: Noardeast-fryslan.nl. [Geraadpleegd op 25 juli 2021]. Het geheel is gelegen aan de huidige Monnikhústerwei.
Huidige situatie