De Federalistische opstanden waren revoltes die in de zomer van 1793, tijdens de Franse Revolutie, in verschillende delen van Frankrijk uitbraken. Ze werden ingegeven door ongenoegen in provinciesteden over de toenemende radicalisering en centralisering van het politieke gezag in Parijs. Hoewel de insurrectionele steden en departementen het soevereine gezag probeerden te usurperen, was dit bedoeld als voorlopige maatregel en streefden ze niet naar een werkelijk federalisme. Die negatief geconnoteerde term kregen ze opgelegd door hun tegenstanders.Anne de Mathan, Le fédéralisme Girondin. Histoire d’un mythe national, in: Annales historiques de la Révolution française, 2018, nr. 3, p. 195-206. Gearchiveerd op 13 september 2021. In het grootste deel van het land was de aanleiding voor de opstand de machtsgreep van 31 mei en 2 juni, die een einde had gemaakt aan het girondijnse overwicht in de Nationale Conventie, ten voordele van de montagnards. Hoewel ze een gemeenschappelijke oorsprong en politieke doelstellingen hadden, waren de federalistische opstanden niet centraal georganiseerd of goed gecoördineerd. Ze vonden geen duurzame steun onder de bevolking, slaagden er niet in de girondijnse meerderheid te herstellen, en werden in de daaropvolgende maanden neergeslagen door de legers van de Conventie. Tegelijk werd in heel Frankrijk een begin gemaakt met de legale Terreur om de binnenlandse contrarevolutionaire dreiging – waartoe naast de royalisten ook de republikeinse federalisten werden gerekend – uit te schakelen.
Origine Na het uitroepen van de Franse Republiek zorgde onenigheid in de Nationale Conventie voor een constitutionele impasse, terwijl de sociaal-economische en geopolitieke situatie precair bleef. Toen de sansculotten in de Commune van Parijs in 1793 eisen begonnen te stellen aan de Conventie, zochten de girondijnen steun in de regio's buiten de hoofdstad, waar ze hun machtsbasis hadden. In veel delen van het land werden lokale en departementale besturen nog steeds gedomineerd door de notabele families die ze vóór de revolutie hadden geleid. Hun politieke opvattingen waren girondijns of royalistisch. Tegelijkertijd probeerden de jakobijnen ook buiten de hoofdstad de bevolking te mobiliseren tegen dit lokale establishment en voor een egalitaire republiek. Dit leidde tot gewelddadige confrontaties, verergerd door onderliggende sociale conflicten, in Lyon, Marseille, Bordeaux, Nantes en Rouen. In elk van deze steden hadden beide facties een sterke sociale basis: de jakobijnen onder een deel van de middenklasse en de behoeftigen, de girondijnen onder de meer welvarende bourgeoisie en de delen van de lagere klassen die aanstoot namen aan de antiklerikale maatregelen van de Conventie.
In de meeste betrokken steden brak de crisis uit na de aanhouding van 29 girondijnse afgevaardigden en twee ministers op 2 juni. Deze maatregel werd drie dagen later bekritiseerd door 17 conventionelen, waaronder Condorcet, en door de departementale besturen van de Somme, Haute-Vienne en Hautes-Alpes. Op 7 juni veroordeelden 75 deputés van de rechterzijde van de Conventie de acties van de Commune van Parijs en drongen er bij de departementen in het hele land op aan hen te steunen. Ondertussen ontsnapten verschillende getroffen girondijnen aan hun huisarrest en vluchtten naar de gewapende groepen die zich waren beginnen te vormen in de Normandische en Bretoense departementen. Zo gingen Buzot en Gorsas naar Eure, terwijl Pétion en vele anderen zich in Caen vestigden, dat hun hoofdkwartier werd. Ondertussen ging Brissot naar Moulins, Rabaut Saint-Étienne naar Nîmes, Rebecqui naar Marseille en Birotteau en Chasset naar Lyon.
In deze grote steden hadden de notabelen en grote kooplieden die de sterkste aanhangers van de Gironde waren, voldoende invloed en steun om te voorkomen dat de jakobijnen de macht zouden overnemen. In de kleinere steden misten ze echter de aantallen om in te gaan tegen de radicale politieke clubs, die loyaal wilden blijven aan de Conventie en die gehoor gaven aan oproepen tot patriottische eenheid tegen de contrarevolutie en de buitenlandse invasie. Enthousiast zagen ze dat de constitutionele impasse was doorbroken en dat in juni de democratische grondwet van het jaar I was aangenomen. Omgekeerd weigerden de federalisten deze grondwet te erkennen, onder meer omdat hij afzag van de voorziene decentralisatie. De beschuldiging van federalisme aan hun adres mag dan al overtrokken zijn geweest, een beperking van de centrale macht was wel degelijk een van hun doelstellingen.Jacqueline Chaumié, "Les Girondins", in: Albert Soboul (ed.), Girondins et Montagnards, 1980, p. 43. Gearchiveerd op 7 juli 2023.
De opstand had drie belangrijke regionale centra: het westen (voornamelijk Rennes en Caen), het zuidoosten (Lyon, Marseille en Toulon) en het zuidwesten (Bordeaux).
Normandië en Bretagne Op 9 juni werden de twee vertegenwoordigers op missie van de Conventie in Normandië, Gilbert Romme en Prieur de la Côte d'Or, in Caen gearresteerd door federalisten. Op 13 juni gaven Buzot en Gorsas in Eure het sein voor de opstand. Ze verklaarden dat de Conventie niet langer een vrije instelling was, riepen op om met vierduizend man naar Parijs te marcheren en stuurden commissarissen naar naburige departementen om ook daar tot opstand te bewegen.
In Ille-et-Vilaine vormden het departement en het stadsbestuur van Rennes een centraal comité om de protesten te coördineren. Het werd al snel vervoegd door afgevaardigden van Finistère en Morbihan. Côtes-du-Nord besloot daarentegen dat het belangrijker was vrijwilligers te sturen naar Nantes, bedreigd door de Vendée-rebellen, dan naar Normandië. In totaal stuurden de Bretoenen slechts 1700 mannen naar Normandië.
In Caen, het hoofdkwartier van de Federalistische opstand, vormden Buzot, Guadet, Pétion, Barbaroux, Louvet, Salle en andere girondijnen een centrale vergadering voor verzet tegen onderdrukking. Ze zwoeren haat tegen de anarchisten en beloofden de gelijkheid, de eenheid en de ondeelbaarheid van de Republiek te handhaven. Als commandant van hun departementale milities stelden ze generaal Georges Félix de Wimpffen aan, die het jaar voordien Thionville met succes had verdedigd tegen de hertog van Brunswijk.
Wimpffen verzamelde een federalistisch leger van vijfduizend man, zette Puisaye aan het hoofd van de voorhoede en marcheerde naar Évreux. De Conventie antwoordde door een kleine troepenmacht van 1500 man op hen af te sturen, die in de avond van 13 juli nabij Pacy-sur-Eure tot de aanval overging. De verraste federalistische colonne brak en sloeg bij het eerste kanongeluid op de vlucht. Deze ontmoeting, die doden noch gewonden maakte, werd bekend als de slag bij Brécourt. Wimpffen was niet in staat zijn troepen te hergroeperen. De Bretoenen besloten naar huis te gaan en namen de girondijnse leiders uit Caen mee. Hierna zakte ook in Normandië de Federalistische opstand snel in mekaar. Op 29 juli werden Gilbert Romme en Prieur de la Côte d'Or ongedeerd vrijgelaten en op 2 augustus opende Caen de poorten voor het Conventieleger.
Op de dag van de slag bij Brécourt vermoordde Charlotte Corday, geïnspireerd door de federalisten in Caen, Marat in Parijs. Zijn dood wekte heftige gevoelens op. Hij werd geëerd als een martelaar en Corday werd terechtgesteld, maar de Conventie legde Normandië geen straffen op zoals ze dat later wel deed met Lyon en Marseille. Romme en Prieur de la Côte d'Or zorgden ervoor dat de lokale clubs niet werden onderdrukt. Zelfs tijdens het Schrikbewind waren er geen executies in Caen.
De girondijnse leiders ontvluchtten Caen en kwamen op 8 augustus aan in het Bretoense Quimper. Ze vonden er weinig steun voor hun opstand, zelfs niet onder een boerenbevolking met sterke monarchistische neigingen en een afkeer van de levée en masse. Saint-Malo bereidde zich voor om over te lopen naar de Britten zoals Toulon had gedaan, maar de Conventietroepen voorkwamen dit met een snel ingrijpen. Op 21 september verlieten Pétion, Barbaroux en de anderen Bretagne en zeilden vanuit Lanvéoc naar Bordeaux, waar ze hun strijd wilden voortzetten.
De Conventie stuurde Jean-Baptiste Carrier naar Rennes om de orde te herstellen. Hij arriveerde op 1 september en bleef tot 5 of 6 oktober. In die vijf weken zuiverde hij het openbaar ambt van federalisten, girondijnen en monarchisten. Er waren geen executies onder zijn bewind. Contrarevolutionairen werden opgesloten in lokale gevangenissen (de gevaarlijksten op de Mont Saint Michel) of naar Parijs gestuurd voor berechting. Carrier voerde een bijzonder intense campagne tegen de plaatselijke geestelijkheid en had plannen voor een "noyade" (massale verdrinking) zoals hij later in Nantes zou ondernemen, maar hij kon zijn plan niet uitvoeren door de Britse blokkade van Saint-Malo. Na het vertrek van Carrier naar Nantes liet zijn opvolger Esnue-Lavallée de meeste gevangenen vrij.
Lyon In Lyon, na Parijs de grootste stad van Frankrijk, liepen de spanningen tussen de facties in de eerste helft van 1793 hoog op. Net als in Marseille steunden de meeste secties de girondijnen, maar een kleine en vastberaden groep jakobijnen was van plan de macht in de stad over te nemen onder hun charismatische leider Joseph Chalier. Op 9 maart kregen de jakobijnen de controle over de stad.
Een vergadering van de secties reageerde op 29 mei door het jakobijnse bestuur te vervangen. De vertegenwoordigers op missie Gauthier en Nioche, die net aankwamen, werden onder bewaking gesteld. 's Nachts werden de aanhangers van Chalier gearresteerd en de volgende dag werd een man genaamd Coindre burgemeester. Chalier en zijn vrienden werden berecht.
In de dagen na de val van de girondijnen in Parijs zag de Conventie de ontwikkelingen in Lyon als onderdeel van een grotere opstand die het gezag van de centrale regering bedreigde. Inderdaad legden de opstandelingenleiders van Lyon in de maand die volgde contact met aangrenzende departementen en met andere opstandige steden zoals Marseille, Nîmes en Bordeaux. Lyon riep de plaatsvervangende afgevaardigden op om een Nationale Conventie te vormen in Bourges, als alternatief voor de Conventie in Parijs. In tegenstelling tot de federalistische steden in Normandië en Bretagne, slaagde Lyon erin een aanzienlijke strijdmacht van zo'n tienduizend man op de been te brengen, geleid door de royalistische graaf van Précy.
De Conventie stuurde Robert Lindet om te onderhandelen met de leiders in Lyon, maar hij vond de lokale vertegenwoordigers in een compromisloze stemming. Hun onverzettelijkheid werd gesterkt door de aanwezigheid in Lyon van Jean Bonaventure Birotteau, een van de verdreven girondijnse afgevaardigden. Op 30 juni 1793 benoemden 207 regionale afgevaardigden een Republikeinse Volkscommissie voor de Openbare Veiligheid van Rhône-et-Loire. Prompt vaardigde deze een proclamatie uit aan de legers, de burgers en alle departementen de republiek. De Nationale Conventie reageerde op 12 en 14 juli met een reeks decreten. Ze verklaarden Birotteau vogelvrij, ontsloegen de leiders van Lyon en ze bevalen het Leger van de Alpen om de orde in Lyon te herstellen.
De federalistische autoriteiten in Lyon executeerden Chalier op 16 juli, samen met een aantal van zijn medewerkers. Toen het leger van de Conventie onder Kellermann naderde, bereidden ze zich voor op een belegering. Ondanks oproepen kregen ze geen hulp uit andere delen van Frankrijk. De graaf van Précy versterkte de schansen en mobiliseerde een leger van 12.000 à 14.000 man.