Wilhelm Paul Karl Bockamp (17 september 1891 in Duisburg — 12 mei 1965 in Keulen) was een Duitse Advocaat en reserve-luitenant in de Wehrmacht, die tijdens de Duitse bezetting in de Tweede Wereldoorlog als Gevolmachtigde van Rijkscommissaris Seyss-Inquart vanaf 1940 belast was met het beheer van het Nederlandse kroonbezit. Toen Adolf Hitler in 1941 vanwege de radiotoespraken van koningin Wilhelmina vanuit Londen de liquidatie van de kroonbezittingen gelastte, ging Bockamp aarzelend aan de slag om het culturele erfgoed van het koningshuis bijeen te houden. Daarnaast zette hij zich in voor Nederlandse hofmedewerkers die in moeilijkheden waren geraakt met de bezettingsmacht.
Leven Familie Karl Bockamp werd geboren in Duisburg als eerste zoon van Geheimen Justizrat en Landgerichtsdirektor Julius Bockamp (1860-1931) en zijn vrouw Luise, geboren Wintzer (1867-1927). Door de overplaatsingen van zijn vader bracht hij zijn schooltijd door in Gelsenkirchen, Duisburg-Ruhrort en Keulen. Sinds 30 juni 1922 was Bockamp getrouwd met Hildegard Olga Johanne, geboren Schmidt (1900–1948). Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren.Verein alter Bonner Alemannen e.V. (uitg.): Lebensbilder – Karl Bockamp (SS 1909). Alemannen-Zeitung. 47e jaargang, deel 2; Bonn, september 1970; p. 40–42
Studieperiode Na zijn Abitur in Keulen in 1909 begon hij een studie Rechtsgeleerdheid in Bonn en trad hij met Pasen van datzelfde jaar toe tot de Burschenschaft Alemannia Bonn,Willy Nolte (uitg.): Burschenschafter-Stammrolle. Verzeichnis der Mitglieder der Deutschen Burschenschaft nach dem Stande vom Sommer-Semester 1934. Berlijn 1934, p. 43. net als eerder zijn vader en later zijn jongere broer Werner (1894-1916), die tijdens de Eerste Wereldoorlog sneuvelde in de Slag aan de Somme bij Bapaume.Werner Bockamp S.S. 13, Eerboek van de Burschenschaft Alemannia te Bonn 1914–1919, Digitale collectie van de Universitäts- und Landesbibliothek Bonn, Dortmund 1922, p. 118–120; geraadpleegd op 15 december 2024 Na een semester in Berlijn en München keerde hij terug naar Bonn, waar hij eind 1912 zijn Referendarexamen aflegde. Hij onderbrak zijn juridische stage in het najaar van 1913 om als Einjährig-Freiwilliger dienst te doen bij het 2e Westfaalse Feldartillerie-regiment 43 in Wesel. Tijdens dit dienstjaar brak de Eerste Wereldoorlog uit, waardoor Bockamp naar het westelijke en oostelijke front werd gestuurd. Zijn laatste militaire rang in het Deutsches Heer was Leutnant der Reserve als regimentsadjudant in het Reserve-Feldartillerie-Regiment 59 (R.F.A.R.).Staatsbibliothek zu Berlin: Rundbuch der Offiziere des Reserve-Feldartillerieregiments 59, Erwerbungen von 1997 bis 2021, 2021, p. 128 Hij werd onderscheiden met het Frontkämpferehrenkreuz en het EK I en EK II. Na het einde van de oorlog zette Bockamp zijn stage voort en promoveerde hij aan de Juridische faculteit van de Universiteit van Heidelberg met het proefschrift Die Gesellschaft mit beschränkter Haftung als Kartellorganisation (verschenen in 1923)Informatie van de juridische faculteit van de Ruprecht-Karls-universiteit tot Dr. jur. promoveerde. In april 1921 legde hij het juridische Große Staatsprüfung af en vestigde zich als advocaat in Keulen, eerst bij de Amts/Landgericht Köln en daarna bij het Oberlandesgericht Keulen.Flip Maarschalkerweerd: De achterblijvers, Het hof na de vlucht van Wilhelmina – 1940–1945. Uitgeverij Balans, Amsterdam 2023; p. 92
Politieke betrokkenheid In de Weimarrepubliek was Bockamp actief in de Deutsche Volkspartei (DVP). Hij werd door Gustav Stresemann in toespraken genoemd.Wolfgang Elz: Gustav Stresemann Reden 1927, Historisches Seminar Universität Mainz, 2020, p. 9 en 141 In 1926 werd hij kiesdistrictvoorzitter van de DVP voor het Kiesdistrict Keulen-Aken. Bij de provinciale parlementsverkiezingen in Pruisen eind 1929 behaalde Bockamp een mandaat voor de DVP en was hij van 1930 tot 1933 lid van de Rheinischen Provinziallandtag (Rijnlandse Provinciale Landdag) in Düsseldorf.André Thiede: Politische Personensammlung von Mandatsträgern der Weimarer Republik von 1930–1933, 2023; geraadpleegd op 31 augustus 2024Landeshauptmann der Rheinprovinz: Uitslag van de verkiezingen van 17-11-1929 voor de provinciale volksvertegenwoordiging van de Rijnprovincie, Sonderbeilage zum Regierungsamtsblatt, Düsseldorf, 20 december 1929; p. 7Afgevaardigden van de Rijnlandse provinciale volksvertegenwoordigingen 1888–1933 (naar woonplaats), Archive im Rheinland, Landschaftsverband Rheinland, 2009; p. 11
Tijdens de Tweede Wereldoorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Bockamp, volgens gegevens uit 1944 in de personeelsdossiers van het OLG Keulen, van 15 mei 1940 tot 20 juni 1943 als Oberleutnant (Eerste luitenant) d.R. (der Reserve) z.V. (zur Verfügung) in de Wehrmacht. Hij was op 1 mei 1933 lid geworden van de NSDAP (lidnummer 2.131.131).Bundesarchiv R 9361-IX KARTEI/3371426 Daarnaast was hij lid van de Nationalsozialistischer Rechtswahrerbund (NSRB) en de Reichsluftschutzbund.Flip Maarschalkerweerd: De achterblijvers, Het hof na de vlucht van Wilhelmina – 1940–1945. Uitgeverij Balans, Amsterdam 2023; p. 94–95
Beheerder van het Nederlandse kroonbezit Slechts twee weken na de vlucht van de koninklijke familie en de capitulatie van Nederland voor de Wehrmacht werd het aanvankelijke militaire bestuur van de bezette Nederlanden omgevormd tot een Duits civiel bestuur onder rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart. Seyss-Inquart publiceerde op 24 juni 1940 een verordening inzake de "inbeslagname en verkoop van het vermogen van de levende leden van het huis Nassau-Oranje" en stelde baron Kurt Freiherr von Schröder aan als beheerder van het koninklijk vermogen. Voor de dagelijkse gang van zaken stelde Von Schröder Karl Bockamp voor, die ervaring had met vermogensbeheer, en zorgde ervoor dat deze werd vrijgesteld van zijn tijdelijke functie bij het Generalkommando in Münster.Flip Maarschalkerweerd: De achterblijvers, Het hof na de vlucht van Wilhelmina – 1940–1945. Uitgeverij Balans, Amsterdam 2023; p. 86, 88–89 Gezien het steeds beter georganiseerde verzet van de Nederlanders tegen de Duitse bezetting, onder andere in de vorm van stakingen en sabotage, werd sinds begin 1941 in het Rijkscommissariaat gewerkt aan plannen om de persoonlijke bezittingen van het koningshuis te onteigenen. Officieel werd het besluit pas genomen nadat koningin Wilhelmina in een uitzending op Radio Oranje op 31 augustus 1941 de Duitse legers als "horden" had bestempeld. De commissaris-generaal voor de veiligheid van het bezette Nederland Hanns Albin Rauter maakte het besluit tot "liquidatie van het kroonbezit" wegens "onverantwoordelijk gedrag jegens de bezettingsmacht" op 16 september 1941 bekend in de Deutsche Zeitung in den Niederlanden (jaargang 2, nr. 104, blz. 1).Flip Maarschalkerweerd: De achterblijvers, Het hof na de vlucht van Wilhelmina – 1940–1945. Uitgeverij Balans, Amsterdam 2023; blz. 121 e.v. Dit was voor Von Schröder aanleiding om zich terug te trekken, zodat de liquidatieopdracht volledig bij Bockamp kwam te liggen, die nu de verantwoordelijkheid moest nemen voor een enorme hoeveelheid goederen en het talrijke hofpersoneel.Elsa M. van der Laaken: A point of reference. Xlibris Corp., 2002; p. 48–49 Zijn ambtswoning was in het paleis Nordeeinde in Den Haag.
Aarzelende uitvoering als werkprincipe Omdat Bockamp, net als Schröder, het besluit van Hitler afkeurde, probeerde hij een snelle liquidatie te voorkomen. Het was zijn bedoeling om het kroonvermogen na de oorlog aan koningin Wilhelmina terug te kunnen geven.Elsa M. van der Laaken: A point of reference. Xlibris Corp., 2002; p. 48 Aan het begin van zijn werkzaamheden in Den Haag had Bockamp aan zijn vrouw Hildegard geschreven dat hij met een delicate taak was belast. Hij bevond zich in een bedrijfscultuur waarin loyaliteit aan de koninklijke familie voorop stond. Dat maakte het voor hem niet gemakkelijk. Aan de andere kant maakte de mededeling van Schröder aan het hof dat Wilhelmina bij haar terugkeer in Nederland haar bezittingen zou aantreffen zoals ze die had achtergelaten, het handelen van Bockamp gemakkelijker.Flip Maarschalkerweerd: De achterblijvers, Het hof na de vlucht van Wilhelmina – 1940–1945. Uitgeverij Balans, Amsterdam 2023; p. 108 In een vertrouwelijke toespraak voor leden van het hof had Bockamp in september 1941 laten doorschemeren dat hij de liquidatie van het vermogen voorzichtig en genuanceerd wilde aanpakken en dat niet alles te gelde moest worden gemaakt. Zo kon hij voorkomen dat de leden van het hof, die tegen de inbeslagname van de kroongelden waren, collectief hun ambt zouden neerleggen. Zelf schreef hij dat hij had ingestemd met zijn benoeming tot liquidateur met de uitgesproken bedoeling de zaak met vertraging te behandelen.Flip Maarschalkerweerd: De achterblijvers, Het hof na de vlucht van Wilhelmina – 1940–1945. Uitgeverij Balans, Amsterdam 2023; p. 86, 344–345
Inventaris van het Huis van Oranje Onder leiding van Bockamp werd voor het eerst een inventaris en balans van het Huis von Oranje opgesteld. Afgezien van 3 miljoen gulden aan obligaties en aandelen in buitenlandse effectenrekeningen werd het persoonlijke vermogen van de koningin geschat op ongeveer 13 miljoen gulden, waarvan 9 miljoen in onroerend goed 1,5 miljoen in inventaris en 2,5 miljoen in effecten. Dat was een "nogal teleurstellend resultaat", aldus Bockamp in een brief aan zijn vrouw, omdat men van een aanzienlijk hoger bedrag was uitgegaan. Tijdens een diner op 31 augustus 1940 in hotel Huis ter Duin prees Seyss-Inquart in aanwezigheid van Schröder en Bockamp het snelle resultaat.Flip Maarschalkerweerd: De achterblijvers, Het hof na de vlucht van Wilhelmina – 1940–1945. Uitgeverij Balans, Amsterdam 2023; p. 110
Wat werd geboekt en wat niet Voorlopige beslissingen voor de balans waren al genomen tijdens bijeenkomsten met de hofcommissie en de financiële ambtenaren van het hof in juli 1940, waar Bockamp had bevestigd dat de kroonlanden en paleizen niet tot het privébezit van de koninklijke familie behoorden, omdat ze staatseigendom waren. Ze vielen daarom niet onder zijn bevoegdheid. Dat gold niet voor de paleizen Soestdijk en Lange Voorhout, die privé-eigendom waren van het Huis Oranje. Er werd een inventaris opgemaakt van de roerende goederen van de paleizen Noordeinde, Huis ten Bosch en Paleis Amsterdam werden geïnventariseerd. Op de inventarislijsten van de roerende goederen werd in rood aangegeven wat privébezit was, in blauw de voorwerpen waarvan het eigendom onzeker was, en de rest, die als staatseigendom gold, bleef kleurloos. Deze procedure bleek echter onwerkbaar, omdat er een vermenging was van staatseigendom en eigendom van de koningin. "De enorme omvang en het grote aantal bezittingen mogen geen verbazing wekken. Het ging tenslotte om een vorstelijke collectie die door de eeuwen heen was verzameld", aldus historicus Maarschalkerweerd.Flip Maarschalkerweerd: De achterblijvers, Het hof na de vlucht van Wilhelmina – 1940–1945. Uitgeverij Balans, Amsterdam 2023; p. 105
Sommige fondsen, zoals het Fonds voor Weduwen en Weezen van het personeel der Koninklijke Hofhouding, het Adelsfonds en de inkomsten uit het Nationaal Geschenk, die door de schatbewaarder werden beheerd, bleven buiten het bereik van de Duitse toezichthoudende autoriteiten, omdat ze op grond van hun rechtsvorm niet tot de bezittingen van de Oranje-familie behoorden. Ook de paarden uit de privébezittingen van koningin Wilhelmina mochten in eerste instantie niet worden aangeraakt. In augustus 1940 werden echter vier paarden uit de stal van Soestdijk in beslag genomen. Wehrmachtbefehlshaber Friedrich Christiansen had zijn zin gekregen met de beslissing dat de paarden niet onder het beheer van Schröder vielen.Flip Maarschalkerweerd: De achterblijvers, Het hof na de vlucht van Wilhelmina – 1940–1945. Uitgeverij Balans, Amsterdam 2023; p. 110–111