Bernhard Witte (Aken, 7 augustus 1868 − Schwarzrheindorf, 11 december 1947) was een Duits edelsmid en restaurator, gespecialiseerd in kerkelijke kunst. Hij droeg de eretitel "goudsmid van de Heilige Stoel en de pauselijke paleizen".
Levensloop Bernhard Witte was de oudste zoon van August Witte (1840-1883) en Margarethe Pohl (1838-1912). Zijn vader was edelsmid in dienst van de Dom van Aken. Zijn moeder was een zus van de beeldhouwer Wilhelm Pohl. Na het voltooien van zijn goudsmidopleiding nam hij op negentienjarige leeftijd de werkplaats voor religieuze kunst van zijn vader over. Deze werkplaats, "August Witte GmbH", direct naast de Dom van Aken gelegen, werd na het vroege overlijden van zijn vader tijdelijk beheerd door een broer van zijn moeder en een leerling-goudsmid. Bernhard Witte verplaatste de werkplaats later naar een ruimer pand aan de Karlsgraben 29 in Aken, waardoor hij opdrachten voor grotere objecten kon aannemen.
Net als zijn vader werd hij benoemd tot kapittelgoudsmid (Stiftsgoldschmied). Daarnaast werkte hij voor tal van andere kerkelijke opdrachtgevers, onder andere uit de Benelux, Italië, Hongarije en Rusland. Onder zijn opdrachtgevers bevonden zich Henry Fitzalan-Howard, de 15e hertog van Norfolk, keizer Peter II van Brazilië, de aartsbisschop van Chicago en de patriarch van Jeruzalem. In 1895 werd hij door paus Leo XIII benoemd tot "goudsmid van de Heilige Stoel en de pauselijke paleizen". Van 1926 tot 1928 werkte de latere bekend geworden goudsmid Fritz Schwerdt als emailleur en tekenaar in de werkplaats van Bernhard Witte.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het bedrijf enige tijd werd voortgezet in Pforzheim (1942-1945). Nadat de Akense werkplaats in 1945 door bombardementen werd verwoest beëindigde Witte de werkzaamheden, waarmee een einde kwam aan de tachtigjarige geschiedenis van het bedrijf. Hij verhuisde met zijn gezin naar de pastorie van zijn broer Karl Witte (1877-1950) in Schwarzrheindorf bij Bonn. Karl Witte was daar pastoor van de Sint-Clemenskerk. Hij overleed in Schwarzrheindorf en werd, net als zijn vrouw later, bijgezet in de familiegrafkelder op de begraafplaats Ostfriedhof in Aken.
Huwelijk en nakomelingschap Bernhard Witte was getrouwd met Franziska Wenders (1877-1959), met wie hij twee zonen had: August Witte (III) (1909-1945/46), was van plan in de voetsporen van zijn vader te treden en het bedrijf als derde generatie over te nemen. Hij voltooide zijn opleiding in het bedrijf van zijn vader en bleef daar werken aan zijn eigen ontwerpen tot hij als soldaat werd uitgezonden. Hij werd door de Sovjets gevangengenomen en werd sinds 1945/46 als vermist beschouwd in de omgeving van Tbilisi. De volgende werken worden aan hem toegeschreven, maar ze kunnen ook in samenwerking met zijn vader zijn ontstaan: 1930: gouden Madonna voor de Dom van Hildesheim, tentoongesteld in het Rijnlands Staatsmuseum Bonn. 1933 en 1939: Hindenburg-bokaal voor het Akense paardensporttoernooi CHIO Aachen. Bernhard Witte (1922-1989) werd, net als zijn oom, priester; hij was de laatste pastoor van de parochie Uedelhoven/Ahrdorf (Blankenheim).
Werken (selectie) Bernhard Witte creëerde voornamelijk edelsmeedwerken in neoromaanse en neogotische stijl. Hij omarmde ook de art nouveau, waarmee hij zijn artistieke horizon verbreedde. Tot zijn belangrijkste werken behoren:Van enkele werken uit het begin van de 20e eeuw is niet zeker of ze van Bernhard of August (II) Witte zijn, doordat in de bronnen slechts vermeld wordt dat ze door "August Witte" zijn vervaardigd, soms met de toevoeging "Aken". Vermoedelijk betreft dit werkstukken van Bernhard Witte, de bedrijfsleider van de Akense vestiging van August Witte GmbH. thumb|Siersloten voor het Mariaschrijn 1885: miskelk in de schatkamer van de Dom van TrierToegeschreven aan August Witte, wat qua datering noch voor August (I) Witte, noch voor August (II) Witte kan kloppen. 1888, 1895, 1902, 1909, 1925, 1930, 1937 en 1945: siersloten voor het Mariaschrijn in de Dom van Aken, ter gelegenheid van de heiligdomsvaart van Aken. Dit waren sloten die Witte versierde met ornamenten of heraldische afbeeldingen, waardoor ze een bijzondere betekenis kregen. 1891: baldakijn van het hoofdaltaar in de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht (het altaar zelf was in 1882 voltooid door zijn vader, August Witte). (1985): Der Schrein des heiligen Servatius in Maastricht und die vier zugehörigen Reliquiare in Brüssel, p. 400. Zentralinstitut für Kunstgeschichte, München. . 1893: Mariakroon in de Heilig Hartkerk in Aken, vermoedelijk bedoeld als vlaggenmasttop; de met juwelen bezette kroon is opgedragen aan de Gemeenschap van Christelijk Leven, een Maria-congregatie van jonge kooplieden in Aken 1893: reliekhouder van Sint-Petrus in de vorm van een reliekenprocessie 1895: ostensorium met relikwieën van verschillende heiligen 1896: reliekschrijn van Sint-Arnoldus thumb|Quriniusschrijn in Neuss 1896–1900: Quirinusschrijn in de Quirinusmunsterkerk in Neuss; de figuren van heiligen en andere personen en de reliëfs met scènes uit het leven van Sint-Quirinus zijn gemaakt door zijn broer August Witte (II) 1897: monstrans voor de begraafplaatskapel van het Campo Santo dei Teutonici e dei Fiamminghi in Rome 1899: miskelk voor het Vaticaan 1899/1900: hoogaltaar (koper of messing) voor de kapel van het klooster "Onder de Bogen" in MaastrichtHet is mogelijk dat dit werk door August (II) Witte is vervaardigd, die toentertijd de nevenvestiging van het bedrijf August Witte GmbH in Den Haag leidde. Vermoedelijk werd met "August Witte" de hoofdvestiging in Aken bedoeld, geleid door Bernhard Witte. 1903: neoromaans reliekschrijn van de heiligen Wiro, Plechelmus, Otgerus voor de Basiliek van de H.H. Wiro, Plechelmus en Otgerus in Sint Odiliënberg 1906: stichtingskelk voor de nieuwe benedictijnenabdij in Kornelimünster 1908: neogotische sokkel voor het borstbeeld van Sint-Servaas in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht 1910: tabernakel voor de Heilig Hartkerk in Aken; vervangen in 1933 1911/1912: Corona-Leopardusschrijn voor de schatkamer van de Dom van Aken, in opdracht van Alfons Bellesheim; de figuren werden gemaakt door de beeldhouwer Carl Esser 1915–1920: kopieën van de keizerlijke regalia voor het Stadhuis van Aken, in opdracht van keizer Wilhelm II; Witte nam de Stefansbeurs, het rijksevangelieboek, het rijkskruis en de sabel van Karel de Grote voor zijn rekening (samen met Paul Beumers). 1918: neoromaans hoogaltaar van de Heilig Sacramentskerk in Dillingen/Saar 1926–1937: restauratie van de ambo van Hendrik II in de Dom van Aken (met gebruikmaking van de evangelistenmodellen die rond 1875 door de beeldhouwer Wilhelm Pohl waren gemaakt) 1928–1932: diverse liturgische voorwerpen voor Buckfast Abbey (Devon, Engeland): doopvont, adelaarslezenaar, hoogaltaar met een replica van het Pinksterretabel van Stavelot, en een replica van de Barbarossaluchter in de Dom van Aken. ca. 1932/1933: restauratie van het Lothariuskruis in Aken: Witte opende het kruis, repareerde de gebroken houten kern door zilveren hoekstukken in te brengen en verving gedeeltelijk de gouden zijbeplating; vervolgens verwijderde hij de zegelstenen – in totaal 39 – en verving ze door cabochons, geslepen stenen die beter overeenkwamen met de andere stenen in het kruis. De verwijderde zegelstenen zijn in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. ca. 1942: pectorale voor kardinaal Joseph Frings, voltooid in Pforzheim, aangezien de werkplaats vanwege de oorlog gesloten was.
Categorie:Duits edelsmid Categorie:Restaurator Categorie:Christelijke kunst