Hermann Joseph Schnitzler (Monschau, 13 januari 1905 − Keulen, 15 december 1976) was een Duits kunsthistoricus, gespecialiseerd in middeleeuwse kunst.
Leven en werk Hermann Schnitzler kwam uit een familie van textielfabrikanten in Monschau. Hij bezocht het Kaiser-Karls-Gymnasium in Aken en behaalde daar in 1924 zijn diploma. Aanvankelijk studeerde hij muziek in Stuttgart, daarna kunstgeschiedenis aan de Humboldtuniversiteit van Berlijn bij Adolf Goldschmidt en aan de Rheinische Friedrich-Wilhelms-Universiteit in Bonn bij Paul Clemen. Hij promoveerde in 1930 bij Clemen met een proefschrift over middeleeuwse edelsmeedkunst, een werk dat al meteen opzien baarde. Vervolgens werkte hij kort als assistent van Wilhelm Koehler aan de Harvard-universiteit in Cambridge, Massachusetts.
Van 1934 tot 1935 nam Schnitzler deel aan de inventarisatie van kunstmonumenten in het Rijnland (met name in de regio Koblenz). Hij wordt gezien als degene die het vroeggotische reliëf De ruiter van Bassenheim identificeerde als een vroeg werk van de Meester van Naumburg.
Vanaf 1936 werkte hij in het Museum Schnütgen in Keulen, eerst als assistent, vervolgens vanaf 1937 als conservator en ten slotte van 1953 tot 1970 als directeur van het museum. Vanwege de Tweede Wereldoorlog richtte hij zich aanvankelijk vooral op het terugvinden en conserveren van kunstwerken die toebehoorden aan zijn museum en de stad Keulen. In mei 1956 kon hij het museum heropenen met een nieuwe tentoonstelling in de romaanse Sint-Ceciliakerk. Schnitzler was in de naoorlogse periode betrokken bij talrijke tentoonstellingen van middeleeuwse religieuze kunst, waaronder Werdendes Abendland an Rhein und Ruhr, een tentoonstelling over vroegmiddeleeuwse kunst in Essen in 1956.
Vanaf 1948 doceerde hij aan de universiteit van Bonn en in 1954 werd hij daar benoemd tot erehoogleraar kunstgeschiedenis. Zijn onderzoek richtte zich op de kerkschatten uit de vroege en hoge middeleeuwen in de Maas-Rijnregio. Hij leverde met name een belangrijke bijdrage aan de studie van de edelsmeedkunst uit de twaalfde en dertiende eeuw, de middeleeuwse ivoorsnijkunst en de Ottoonse boekverluchting. Van Schnitzler zijn de inmiddels algemeen aanvaarde noodnamen 'Paulusmeester' en 'Petrusmeester' voor de twee twaalfde-eeuwse edelsmeden die aan de Noodkist in Maastricht werkten. Laatstgenoemde zou verantwoordelijk zijn voor het Karelsschrijn in de Dom van Aken. Ook de term Rillenfaltenstil (groef- of ribbelplooienstijl) voor de stijl van de Petrusmeester zou van hem zijn. (1985): Der Schrein des heiligen Servatius in Maastricht und die vier zugehörigen Reliquiare in Brüssel, pp. 105-107. Zentralinstitut für Kunstgeschichte, München, .
Schnitzler was ook geïnteresseerd in moderne kunst en muziek. Hij was bevriend met de Keulse schilders Joseph Fassbender, Hubert Berke en Hann Trier. Hij adviseerde talloze verzamelaars bij het opbouwen van hun kunstcollecties, waaronder Wilhelm Hack, Ernst en Marthe Kofler-Truniger, Peter en Irene Ludwig, Heinrich en Walter Neuerburg, en Herrmann en Maria Schwartz.
Schnitzler was tweemaal gehuwd: van 1938 tot 1962 met Agnes Renard (1902-1962), met wie hij een zoon had, en van 1968 tot zijn dood met Liselotte Lafrenz (1914-1978). Hij overleed in 1976 op 71-jarige leeftijd in zijn appartement in Keulen-Lindenthal. Hij is begraven op de Keulse begraafplaats Melaten en zijn literaire nalatenschap, waaronder de dagboeken die hij decennialang bijhield, wordt bewaard in het Rheinischen Archiv für Künstlernachlässe in Bonn.
Bibliografie (selectie) 1934: Die Goldschmiedeplastik der Aachener Schreinswerkstatt. Beiträge zur Entwicklung der Goldschmiedekunst des Rhein-Maas-Gebietes in der romanischen Zeit (proefschrift). Düren 1935: 'Ein unbekanntes Reiterrelief aus dem Kreise des Naumburger Meisters', in: Zeitschrift des Deutschen Vereins für Kunstwissenschaft, jrg. 2, pp. 398–423 1944 [met Hans Erich Kubach & Fritz Michel]: Die Kunstdenkmäler des Landkreises Koblenz (in de reeks Die Kunstdenkmäler der Rheinprovinz vol. 16, deel 3) Düsseldorf, L. Schwann (herdruk 1981, ) 1950: Der Dom zu Aachen. Düsseldorf, Schwann 1956: Alte Kunst im Schnütgen-Museum. Essen, Tellus 1957: Rheinische Schatzkammer, deel 1. Düsseldorf, Schwann 1959: Rheinische Schatzkammer, deel 2. Düsseldorf, Schwann 1960: Große Kunst des Mittelalters aus Privatbesitz (tentoonstellingscatalogus). Keulen, Schnütgen-Museum 1967: [met Peter Bloch]: Die ottonische Kölner Malerschule, deel 1. Düsseldorf, Schwann 1970: [met Peter Bloch]: Die ottonische Kölner Malerschule, deel 2. Düsseldorf, Schwann
Categorie:Duits kunsthistoricus Categorie:Duits conservator Categorie:Duits museumdirecteur Categorie:Duits hoogleraar