Een shtadlan (Hebreeuws: שְׁתַדְּלָן , Jiddisch: שתּדלן), of hofjood, was een invloedrijke Joodse notabele bij vorstelijke hoven in Europa die vaak optrad als bemiddelaar namens de lokale Joodse gemeenschap bij de autoriteiten van een niet-Joodse samenleving.. Zij vertegenwoordigden de belangen van de gemeenschap, met name die van een Joods getto van een stad, en werkten als een "lobbyist" die met de autoriteiten onderhandelde over de veiligheid en het welzijn van de Joden. Het proces van Joodse bemiddeling staat bekend als shtadlanut.Hebrew Academy entry. The related word שַׁדְלָן (shadlan) also exists but refers to a modern lobbyist.
Shtadlanim (meervoud van shtadlan) hanteerden uiteenlopende strategieën om namens de Joodse gemeenschap te bemiddelen. Zij dienden smeekschriften in, trachtten handvesten of decreten te laten handhaven en maakten gebruik van financiële giften of andere middelen om gunsten te verwerven. Zo benadrukte Elyakim Zelig uit Jampol (tegenwoordig ) tijdens een missie naar Rome in 1757 de noodzaak om de gunst van de paus te verkrijgen, in een poging steun te verwerven voor de verdediging van Joden tegen beschuldigingen van bloedsmaad.
De shtadlan speelde een belangrijke rol in de joodse gemeenschap, met name in het Pools-Litouwse Gemenebest. Een vooraanstaande shtadlan was Barukh ben David Yavan, geboren in het begin van de 18e eeuw. Yavan speelde een cruciale rol in talrijke geheime missies tussen de koning van Polen, Augustus III, en Frederik II van Pruisen, en droeg zo bij aan het beëindigen van de Oostenrijkse Successieoorlog. Yavan stond ook in contact met een pauselijke nuntius in Warschau, waardoor hij vele Talmoeds kon redden na het dispuut van Kamieniec, dat ertoe leidde dat de meeste Talmoeds werden verbrand.
Bekende voorbeelden in Nederland zijn de bankiers Tobias Boas uit Den Haag en Baruch Levi Gomperts uit Nijmegen. Toen in 1744 keizerin Maria Theresa van Oostenrijk de verdrijving van Joden uit Praag beval, intervenieerde zij, op aandringen van , een van de leidende figuren in de campagne onder Europese Joodse notabelen om de gedwongen verdrijving te voorkomen, bij de Staten-Generaal en de Engelse koning. Zij onderhielden het contact tussen de Joodse gemeenschappen binnen de Republiek en in de communicatie tussen deze gemeenschappen en de autoriteiten over alle aangelegenheden rond hulpverlening aan de Praagse Joden.
Een Joodse gemeenschap (kehilla) beheerde doorgaans haar interne aangelegenheden zelfstandig. Het contact met de buitenwereld — waaronder de belastinginning en de naleving van de aan de gemeenschap opgelegde beperkingen en verplichtingen — werd verzorgd door een intern bestuursorgaan.
In het zeventiende-eeuwse Europa trad de shtadlan, parallel aan de opkomst van het absolutisme, steeds nadrukkelijker naar voren als bemiddelaar tussen de Joodse gemeenschap en de monarchieën die de regio bestuurden. De functie werd door de overheid toegewezen en de functionaris kon zelfs de status van koninklijk ambtenaar verkrijgen. Hoewel hij formeel uitsluitend de belangen van de Joodse gemeenschap behartigde, fungeerde de shtadlan in de praktijk vaak als instrument van de regering.
Tijdens de late 19e eeuw werd het gebruik van de pers en de publieke opinie een belangrijk instrument in de activiteiten van de shadlan, en raakte het nauw verbonden met hulpverlening aan slachtoffers van pogroms in Rusland en de opkomst van het zionisme.
Traditioneel werden shtadlanim gezien als beschermers van Joodse gemeenschappen en genoten zij goedkeuring van de heersende Joodse religieuze autoriteiten van die gemeenschappen. Hoewel de shtadlan vaak wordt afgeschilderd als het toonbeeld van joodse politieke machteloosheid en als de directe en indirecte oorzaak van het onvermogen van de joodse gemeenschap om zichzelf te vertegenwoordigen en te verdedigen, hebben andere waarnemers, voornamelijk traditionele joden, de shtadlan juist neergezet als de aloude, onbaatzuchtige leider van de joodse gemeenschap.
Categorie:Jiddische uitdrukking Categorie:Joodse cultuur