Julián Bermejo (Villanueva de San Carlos, 1777 - Cebu, 30 april 1851) was een prominent Spaanse rooms-katholieke geestelijke in de Filipijnen. Bermejo was lid van de orde van de Augustijnen en was jarenlang pastoor van Boljoon op het eiland Cebu. Verder was hij enkele jaren prior (overste) van het Augustijnenklooster bij de Santo Niño-kerk in Cebu. Bermejo was ook provinciaal (overste) van de orde van de Augustijnen in de Filipijnen van 1837 tot 1839.
Bermejo werd bekend door het systeem dat hij opzette om de parochie en wijde omgeving te verdedigen tegen de voortdurende aanvallen door moslims uit het zuiden. Dit systeem werd door het succes ook elders doorgevoerd en zorgde voor meer rust en veiligheid in de Visayas en delen van noordelijk Mindanao. Vanwege zijn inzet in de strijd tegen de moslimpiraten werd hij door zijn parochianen wel aangeduid met El Padre Capitan. Bermejo speelde daarnaast een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de regionale economie door het stimuleren van de landbouw en industrie in Boljoon en omgeving en schreef ook diverse boeken in het Spaans en het Cebuano, de regionale taal.
Biografie Vroege levensloop en carrière Julián Bermejo werd in 1777 geboren als zoon van Matías en Manuela Bermejo. Hij trad op 15-jarige leeftijd in bij de orde van de Augustijnen in het Real Colegio Seminario de los Agustinos in Valladolid en legde op 25 juli 1793 zijn kloostergeloften af. Begin december 1795 vertrok hij vanuit Cádiz als missionaris naar de Filipijnen. Na een lange reis kwam hij half maart aan in Veracruz, waarna hij, na een flinke reis over land, met 19 andere missionarissen op 12 juni 1796 vanuit de haven van Acapulco met de San Andres weer vertrok voor de reis naar de Filipijnen. In november 1796, bijna een jaar na zijn vertrek uit Spanje, arriveerde het schip met Bermejo uiteindelijk in Manilla.
Bermejo voltooide daar zijn kerkelijke opleiding in het klooster van San Agustín in Manilla en ontving de vereiste goedkeuring van de orde in 1800. Nadien verbleef hij geruime tijd in het Augustijnenklooster bij de Santo Niño-kerk in Cebu waar hij de lokale taal Cebuano leerde als voorbereiding op zijn werk als priester in deze regio. In 1802 werd Bermejo benoemd tot pastoor van de parochie Boljoon, een plaats aan de oostelijke kust in het zuidelijk deel van het eiland Cebu, als opvolger van de augustijn Manuel Cordero. De parochie omvatte naast de plaats Boljoon ook twee twee visitas, te weten Inisan (Nueva Caceres) en Mambaje en drie dorpen, Balintag (Balitang), Gavi en Molovolo (Molobolo). Al deze plaatsen liggen tegenwoordig in de gemeente Alcoy. In de periode van zijn benoeming kampten de religieuze kloosterordes in de Filipijnen met een flinke achteruitgang. Door een groot tekort aan geestelijken zagen de Augustijnen zich gedwongen om alle parochies op Leyte en in Antique over te dragen aan het bisdom Cebu. Ook een flink deel van de parochies in Iloilo en een deel van parochies in Capiz en Cebu ging over naar de seculiere geestelijken. Op het eiland Cebu waren in 1802 slechts vijf Augustijnse priesters actief, die gezamenlijk 28.294 mensen bedienden.
Pastoor van Boljoon en de verdediging tegen de moslimpiraten thumb|De kerk van Boljoon die werd voltooid onder leiding van Fr. Julian Bermejo Vanaf 1802 tot 1827 was Bermejo bijna onafgebroken priester van de parochie van Boljoon. Al direct in het begin van deze periode begon hij met het uitwerken van plannen om de verdediging van Boljoon en de omgeving tegen de terugkerende aanvallen door moslimpiraten uit het zuiden van de Filipijnen te verbeteren. Bij dergelijke aanvallen richtten de moro's verwoestingen aan en werd de christelijke bevolking gevangen genomen om als slaven verkocht te worden in Borneo. De kerk van Boljoon werd op het moment van zijn aantreden herbouwd, nadat het in 1782 was verwoest tijdens een dergelijke aanval. Hij rondde de bouw van de nieuwe kerk van Boljoon af en liet een fort en een uitkijktoren bouwen rondom de kerk, zodat deze voortaan beschermd zou zijn voor nieuwe aanvallen. In aanvulling daarop werd ook nog een bastion gebouwd op een rots, die bekend stond als de rots van Ily, aan de noordzijde van Boljoon. Hiermee was de plaats zelf goed beschermd.
thumb|Ruïne van een uitkijktoren langs de kust bij Oslob, die werd gebouwd onder leiding van pater Julián Bermejo De andere delen van Boljoon en plaatsen in de buurt bleven kwetsbaar. En omdat latere aanvallen zich op die verder gelegen plaatsen als Balitan, Inisan en Mambaje richtten, bedacht Bermejo een meer ambitieus plan waarbij in de loop der tijd een keten van bastions en uitkijktorens op rotsen en landtongen werd gebouwd. De keten liep op een bepaald moment van Carcar noordelijk van Baljoon tot aan Tañon in uiterste zuiden van het eiland Cebu over een lengte van 96 kilometer. Met behulp van een door Bermejo bedacht systeem van vlagsignalen communiceerden men tussen de torens en konden inwoners worden gewaarschuwd voor de aanwezigheid van de Moros. Hier stopte Bermejo echter niet. In 1808 verbleef hij enkele maanden in Manilla waar hij met succes om geld vroeg om ook de Straat van Tañon af te kunnen sluiten voor de piraten door de bouw van fortificaties in Tañon en aan de andere zijde in Sibulan op het eiland Negros. Aan beide zijden werden tevens een falconet en een 2-ponder kanon geplaatst. Hij profiteerde bij het verkrijgen van financiering van de goede relatie van de toenmalige augustijnse provinciaal Joaquín Martínez de Zúñiga (1806–1810) met de koloniale bewindvoerders. Daarnaast droeg ook de Augustijnse kloosterorde waartoe Bermejo behoorde regelmatig financieel bij aan de verdedigingswerken. Zo beval provinciaal Hilarión Díez tijdens een rondreis langs de parochies van Cebu op 2 juli 1820 vanuit Boljoon dat het klooster van Santo Niño 4.000 pesos diende te verdelen over de verschillende dorpen, die besteed moesten worden aan de verdediging van de zuidoostkust van Cebu.
Naast de fortificaties werd ook een kleine vloot van zeven barangayanes gebouwd. Dit waren snelle ondiepe boten, die zeer geschikt waren om de moro-piraten te achtervolgen. Ook vormde hij enkele compagnieën van elk 30 man, die hij voorzag van wapens en persoonlijk trainde in het gebruik ervan. Verder selecteerde hij enkele commandanten om de compagnieën aan te voeren.
Confrontaties met de moro's thumb|Een replica van een balangay of barangay boot Er zijn geen complete verslagen van alle confrontaties met de moro's, maar van enkele van de meer gewelddadige incidenten en aanvallen zijn wel details bekend. Op 15 november 1812 bijvoorbeeld klonk alarm vanuit het bastion of de rots van Ily, ten noorden van Boljoon. Een vloot met in totaal zo'n 600 mannen was waargenomen in de buurt van Dalaguete op zo'n 15 kilometer van Boljoon. Na een signaal van Bermejo voeren zeven barangayanes onder leiding van Juan Gregorio erop uit om de moslimvloot te onderscheppen. De barangayanes wisten daarbij, ondanks het ondertal, ondersteund door artillerievuur vanuit de bastion bij Ily uiteindelijk de confrontatie te winnen. De leider van de moslimvloot, een bekeerde christen genaamd Orandín werd daarbij gedood en onthoofd. Ook werden vijf vijandelijke pancos tot zinken gebracht en werd één schip veroverd. Daarop bevonden zich diverse beruchte piraten die verantwoordelijk waren voor eerdere aanvallen. In totaal vielen in de vloot van Bermejo 6 doden en aan de zijde van de moro's waren meer dan 60 dodelijke slachtoffers te betreuren. Niet lang daarna keerden de moro's weer terug met de bedoeling om wraak te nemen. Een kleine vloot van boten uit Boljoon wist de moro's echter weer weg te jaren. Drie pancos werden tot zinken gebracht en eentje wist men te veroveren. De overige drie wisten te vluchten.
Begin 1813 werd opnieuw een vloot waargenomen. Deze grote vloot voer op dat moment in de buurt van Oslob en bestond uit 48 boten met naar schatting 1000 man afkomstig uit Basilan en Mindanao aan boord. Er werd alarm geslagen, waarop de barangayanes vanuit Boljoon onder leiding van Miguel Cabanlit in de achtervolging gingen. Het kwam uiteindelijk tot een confrontatie voor het eiland Pangangan voor de kust van Bohol. Ondanks het feit dat de moro's ruimschoots in de meerderheid waren wisten de barangayanes met behulp van de nauwkeurig schietende falconetten toch de grote Moro-vloot af te schrikken. Een van de boten zonk en de rest besloot om te vluchten. In andere delen van de Filipijnen waren aanvallen van de moro's dat jaar meer succesvol. Zo werden voor de kust van Camarines koopvaardijschepen overvallen en bij Zamboanga werden de sloep Teresa en een patache genaamd Matilde met kostbare lading van de koloniale staat veroverd. Ook werd in september 1813 de plaats Panamao in Leyte aangevallen.
De kusten van Cebu bleven vanaf 1814 redelijk gevrijwaard van aanvallen. In 1815 werd Danao ten noorden van de stad Cebu nog enige tijd geblokkeerd, maar verder bleef het in Cebu, met dank aan het verdedigingssysteem van Bermejo behoorlijk rustig. Volgens sommige bronnen vreesden de moro's die de wateren rond Cebu doorkruisten Bermejo. Aan het begin van de jaren '20 kregen ze hem bijna in handen toen een grote vloot van panco's de twee barangayanes waarmee Bermejo samen met een andere Augustijnse priester Bermejo Gigantes en hun gezelschap richting de Filipijnse hoofdstad Manilla onderweg waren. De Augustijnen verloren in het gevecht dat ontstond een van de barangayanes, maar wisten twee panca's te veroveren en voeren daarmee uiteindelijk door naar Manilla. In 1823 wisten de moro's wel de toenmalige Augustijnse provinciaal Pedro de Santa Eulalia in handen te krijgen toen de boot waarmee hij onderweg was van Taytay naar Culion overvallen werd door dertien panca's. De Augustijnen betaalden daarna voor zijn vrijlating het voor die tijd enorme bedrag van 20.000 pesos.
Opstand van Juan Diyong In het jaar 1815 vond er een gebeurtenis plaats die niets te maken had met de aanvallen door de moslimpiraten, maar waar Bermejo door zijn verworven reputatie wel gevraagd werd om te helpen. Via Pedro Cabanlit, een van de commandanten van de barangayanes kreeg Bermejo te horen dat er onrust was ontstaan onder de inwoners van Sibonga, Tinaan en Naga nadat een rijke Chinese-mesties gelieerd aan de parian (Chinese wijk) van Cebu, die bekend stond als dato Blas en eigenlijk Blas Crisostomo heette, landbouwgrond van deze lokale bewoners gebruikte om zijn kabouwossen en geiten op te laten grazen.
Onder leiding van een zekere Juan Diyong trokken daarop enkele honderden landbouwers, bewapend met bolo's naar Cebu om daar hun beklag te doen bij de autoriteiten van de stad. Aangekomen in Cebu bleken zowel Alcalde Mayor (provinciaal gouverneur) Juan N. Andrade als bisschop Joaquín Encabo de la Virgen de Sopetrán niet aanwezig. De menigte bezette kortstondig het fort en bemachtigde een kanon, maar er werd niet geschoten. Op verzoek van de Alcalde Mayor Andrade bemiddelde Bermejo uiteindelijk met de opstandelingen en wist hij hen er van te overtuigen om weer terug te keren naar hun dorpen, zonder dat er daadwerkelijk geweld gebruikt werd.
Dagohoy-opstand in Bohol