Marija Bursać (Kamenica, 2 augustus 1920 – Vidovo Selo, 23 september 1943) was een Joegoslavisch partizaan die stierf in de Tweede Wereldoorlog. Zij werd als eerste vrouw onderscheiden met de Orde van de Nationale held.
Biografie Bursać werd op 2 augustus 1920 geboren in het dorp Kamenica, nabij Drvar in de regio Bosanska Krajina, in het noordwestelijke deel van Bosnië en Herzegovina (toen onderdeel van het Koninkrijk van Serviërs, Kroaten en Slovenen, dat in 1929 werd omgedoopt tot Joegoslavië). Ze was de oudste van vijf kinderen en net als andere meisjes uit het dorp ging Bursać niet naar school; alleen de jongens gingen naar de basisschool in Drvar. Als herderin tot haar veertiende hielp ze later haar moeder met huishoudelijk werk en landbouwwerkzaamheden.
In 1938 werd in Kamenica een basisschool geopend waar Velimir Stojnić een leerling-leraar was. Stojnić, lid van de Communistische Partij van Joegoslavië (Komunistička partija Jugoslavije of KPJ, sinds 1921 verboden), richtte een openbare bibliotheek, lees- en sportclubs en een cultureel-artistieke groep op. In 1939 richtte hij in Kamenica een geheime KPJ-cel op, de eerste communistische organisatie in de regio. Zijn ideologische overtuigingen leverden hem aanhang op onder de dorpsjeugd, waaronder Marija's broer Dušan. De autoriteiten werden al snel op de hoogte van Stojnić's activiteiten en hij werd in februari 1940 uit Kamenica verwijderd.
Tweede Wereldoorlog Op 10 april 1941, tijdens de invasie van Joegoslavië, riepen de asmogendheden de Onafhankelijke Staat Kroatië (Nezavisna Država Hrvatska of NDH) uit, die bijna heel het huidige Kroatië, heel het huidige Bosnië-Herzegovina en delen van het huidige Servië omvatte. De NDH werd gecontroleerd door de Kroatische nationalistische Ustašabeweging onder Ante Pavelić. Een van de beleidslijnen van de NDH was om de etnisch Servische bevolking van de staat te elimineren door middel van massamoorden, verdrijvingen en gedwongen assimilatie. De eerste Drvar-Serviërs werden gedood op 18 juni 1941. De wreedheden versnelden de vorming van twee grote verzetsbewegingen in bezet Joegoslavië. Royalisten en Servische nationalisten onder leiding van VKJ-kolonel Draža Mihailović richtten de Ravna Gora-beweging op, waarvan de leden bekendstonden als Četniks. De KPJ, onder leiding van Josip Broz Tito, besloot op 4 juli in Belgrado om een landelijke gewapende opstand te lanceren en de leden van de door de KPJ geleide troepen werden bekend als Partizanen.
Tussen 20 en 26 juli 1941 organiseerden lokale KPJ-leiders drie partizanendetachementen in de directe omgeving van Drvar. Een daarvan was het Kamenica-detachement. Bursać was een van de meest actieve vrouwen van het dorp, die voedsel en kleding verzamelde voor de opstandelingen en diende als koerier voor het kamp Kamenica. Op 27 juli bevrijdden de partizanen Drvar, waarmee de opstand in Bosnië-Herzegovina begon. In de daaropvolgende dagen werden ook andere delen van Bosanska Krajina bevrijd. Bursać en andere vrouwen uit Kamenica sloten zich aan bij de Odbor fonda (het Fondsencomité) om voedsel, kleding en andere benodigdheden in te zamelen voor de partizanen, en ze maakte kleding voor hen van wol en stof. In september 1941 sloot ze zich aan bij de Bond van de Joegoslavische Communistische Jeugd (Savez komunističke omladine Jugoslavije of SKOJ). Op 25 september 1941 veroverden Italiaanse troepen Drvar en Grahovo, maar de partizanen behielden de controle over de meeste dorpen in het gebied. Begin 1942 sloot Bursać zich aan bij het dorpscomité van het Vrouwenantifascistisch Front van Bosnië en Herzegovina (Antifašistički front žena Bosne i Hercegovine of AFŽ BiH), een belangrijke vrouwenorganisatie die was aangesloten bij de KPJ.
Op 13 juni 1942 werd Drvar heroverd door de partizanen. Bursać hielp de partizanen om hun gewonden naar veldhospitalen in de bergen te dragen. Ze was een van de meest actieve leden van Kamenica's SKOJ-organisatie. Het Partizanencommando schakelde jongeren in om tarwe en andere gewassen uit de vallei te oogsten en deze te vervoeren naar opslagfaciliteiten op de berg Grmeč. De arbeiders (voornamelijk jonge vrouwen) werden georganiseerd in eenheden van militaire stijl, die medio augustus werden samengevoegd tot de vier bataljons tellende "1e Krajina Landbouw Stootbrigade'". Bursać werd benoemd tot politiek commissaris van de "3e Compagnie" van het "2e Bataljon" van de brigade. Ze werd aan het einde van de zomer van 1942 toegelaten tot de KPJ en begin 1943 werd ze voorzitter van het dorpscomité van de Verenigde Federatie van Antifascistische Jeugd van Joegoslavië (Ujedinjeni savez antifašističke omladine Jugoslavije of USAOJ).
In januari 2043 werd door de asmogendheden een groot offensief opgezet onder de naam Operation Weiss. Daarop richtte Tito op 4 februari 1943 de uit vier bataljons bestaande ""10e Krajina Brigade"" op, die 800 leden omvatte, met ongeveer 120 vrouwen. Bursać werd toegewezen aan het 2e Bataljon en werd de volgende maand overgeplaatst naar de 3e Compagnie van het 3e Bataljon. Tot september 1943 vocht ze tegen de Ustaša, Duitsers, Italianen en anticommunistische Četniks rond Grahovo, Knin, Vrlika, Livno en de berg Dinara. Ze werd geprezen om haar moed en vaardigheid in de strijd en diende als verpleegster. In ze in het voorjaar 1943 ziek werd, werd Bursać naar huis gestuurd om te herstellen.
In september 1943 kregen het 2e en 3e bataljon van de 10e Krajina Brigade en een bataljon van het Drvar-Petrovac Partizanen Detachement de opdracht om de versterkte basis, Stützpunkt Podglavica aan te vallen. Bursać meldde zich vrijwillig om handgranaten te gooien naar de bunkers en machinegeweernesten die de basis beschermden. Hoewel haar compagniescommandant bezwaar maakte omdat ze er nog steeds ziek uitzag, stond Bursać erop de granaten te gooien. De drie partizanenbataljons vielen de basis op 18 september om 23 uur vanuit drie richtingen aan. Bursać en haar groep granaatwerpers vernietigden verschillende bunkers voordat ze onder vuur kwamen te liggen van een andere bunker. Ze vernietigden de bunker, maar zij liep een ernstige beenwond op. De partizanen veroverden delen van de basis en trokken zich voor zonsopgang terug na de aankomst van Duitse versterkingen uit Vrtoče en Kulen Vakuf. Na de slag werden Bursać en andere zwaargewonde partizanen op brancards naar het veldhospitaal in het dorp Vidovo Selo gebracht, zo'n 40 kilometer verderop. Bursać had veel bloed verloren en haar wond ontwikkelde gangreen. Ze stierf op 23 september 1943 in Vidovo Selo en werd met militaire eer begraven in Kamenica.
Nalatenschap miniatuur|Joegoslavische postzegel uit 1984. Bursać werd op 15 oktober 1943 uitgeroepen tot Volksheld van Joegoslavië, de eerste vrouw die deze eer te beurt viel.
De Joegoslavische schrijver Branko Ćopić schreef een gedicht, Marija na Prkosima ("Marija in Prkosi"), over Bursać. Na de oorlog werden scholen, straten en organisaties in Joegoslavië naar haar vernoemd en ook een wijk in Belgrado droeg haar naam.
Een strip uit 2013, Marija na Prkosima, werd gepubliceerd in het Servische dagblad Danas als onderdeel van het stripproject Odbrana utopije ("Verdediging van de utopie"). De strip van grafisch kunstenaar Lazar Bodroža combineerde gebeurtenissen uit Bursać's leven met verzen uit Ćopić' gedicht en linkse visuele symboliek.
In 1984 werd in Joegoslavië een postzegel uitgegeven met haar beeltenis.
Zie ook Vrouwen in de Joegoslavische volksbevrijdingsstrijd
Categorie:Joegoslavisch verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog