Sophia Goudstikker (Rotterdam, 15 januari 1865 – München, 21 maart 1924) was een Nederlands-Duitse fotografe en vrouwenrechtenactiviste bij de Duitse burgerlijke vrouwenbeweging.

Goudstikker werd geboren in Rotterdam, maar verhuisde op jonge leeftijd met haar ouders naar Duitsland. In Dresden volgde ze een schildersopleiding aan de private kunstacademie van kunstenares Amalie Augspurg. Via haar leerde ze Anita Augspurg kennen met wie ze een liefdesrelatie kreeg en naar München verhuisde. Samen richtten ze daar in 1887 fotostudio Atelier Elvira op.

Goudstikker fotografeerde onder meer leden van de Beierse koninklijke familie, acteurs, schrijvers en vele andere vooraanstaande publieke figuren. Elf jaar na de oprichting, in 1898, werd ze benoemd tot Koninklijke Beierse Hoffotograaf en was daarmee de eerste vrouw die dit predicaat ontving. Daarnaast werd ze datzelfde jaar als eerste vrouw onderscheiden met de .

Naast haar werk als fotografe zette ze zich tevens in voor vrouwenrechten, met name voor hun rechtspositie. In 1898 was ze de medeoprichtster en voorzitster van een juridisch adviespunt voor vrouwen. Hoewel ze geen rechtenstudie had gevolgd, werd ze in 1908 de eerste vrouwelijke verdediger in de jeugdrechtbank van München. Ze bleef tot en met 1923 betrokken bij het juridisch adviescentrum en de vrouwenvereniging. Ze overleed in München op 21 maart 1924.

Jeugd en opleiding Sophia Goudstikker werd geboren in Rotterdam op 15 januari 1865. Ze was de dochter van Salomon Elias Goudstikker en Grietje Klisser. Haar vader was, net als meerdere andere familieleden, actief in de kunst- en antiekhandel. Het joodse middenklassegezin Goudstikker had in totaal twaalf kinderen, waarvan er vier op jonge leeftijd overleden. Sophia was de oudere zus van Mathilde Goudstikker, die net als zij fotografe werd.

De jeugd van Goudstikker werd gekenmerkt door de financiële problemen van haar vader. Doordat hij schulden had, kreeg het gezin dikwijls te maken met deurwaarders. Het gezin verhuisde om deze reden met enige regelmaat. Eind 1865 vertrok het gezin naar Hamburg, waar haar vader zijn handelsnetwerk verder probeerde uit te breiden. Na acht jaar, eind 1873, keerden zij terug naar Nederland en vestigden zich in Amsterdam. Eind 1878 werden zij uit het Amsterdamse bevolkingsregister geschrapt; zij waren op dat moment al vertrokken. Uiteindelijk vestigde het gezin zich in Dresden.

In Dresden volgde Goudstikker een jaar lang een schildersopleiding aan de private kunstschool van kunstenares Amalie Augspurg. Vrouwen werden in deze periode in Duitsland niet toegelaten tot de kunstacademie, waardoor een private opleiding haar enige mogelijkheid was. In tegenstelling tot andere vrouwen uit de middenklasse, is het waarschijnlijk dat Goudstikker schilderen niet als hobby zag, maar als volwaardige carrièrekeuze beschouwde.

Ontmoeting met Anita Augspurg Amalie Augspurg was de zus van actrice Anita Augspurg. In 1886 ontmoette de 21-jarige Goudstikker de zeven jaar oudere Anita en de twee kregen een liefdesrelatie. Augspurg omschreef Goudstikker als 'slim, artistiek begaafd en ondernemend'. Hun gezamenlijke drang naar artistieke en financiële onafhankelijkheid leidde ertoe dat ze besloten naar München te verhuizen om daar een fotostudio op te richten.

In deze periode stond München bekend als zeer modern op het gebied van kunst, cultuur en literatuur. De stad werd, naast Londen en Parijs, in de negentiende eeuw beschouwd als de belangrijkste stad op het gebied van de ontwikkeling en verspreiding van fotografie. Augspurg stelde dat München van alle grote steden intellectueel gezien het meest vrij, of in elk geval het meest onbevooroordeeld, was. Ze beschouwde de stad artistiek gezien 'van het grootste belang' en benadrukte de vele connecties met theater- en schilderskringen, en vooraanstaande persoonlijkheden.

Atelier Elvira In München volgden Augspurg en Goudstikker een opleiding tot fotograaf. Hoogstwaarschijnlijk deden zij dit in de winter van 1886/1887 bij Pauline Albert, de weduwe van hoffotograaf Joseph Albert. Mogelijk waren Augspurg en Goudstikker al eerder in aanraking gekomen met fotografie aan de kunstschool van Amalie Augspurg. Fotografie was in deze periode zeer populair en voor vrouwen een geschikte beroepskeuze, daar er geen specifieke opleiding voor nodig was en er geen beperkingen bestonden het vak uit te oefenen.

In juli 1887 openden Augspurg en Goudstikker fotostudio Atelier Elvira aan de 15. Ze konden de onderneming financieren dankzij een erfenis die Augspurg had gekregen van haar grootmoeder. De studio was gelegen nabij het dat eigendom was geweest van koning Lodewijk I van Beieren en diens broer prins Karel van Beieren. Ook de naam van de studio had een koninklijke connectie: het was een verwijzing naar prinses Elvira van Beieren (1868-1943), de kleindochter van Lodewijk I van Beieren.miniatuur|Advertentie voor fotostudio Atelier Elvira (1895)Studiofotografie werd in deze periode weinig gedaan door vrouwelijke fotografen. Met name vrouwen en moeders voelden zich aangetrokken tot de bijzondere sfeer in de door de vrouwen geleide studio. Goudstikker specialiseerde zich in kinderfotografie en hun unieke positie in het door mannen gedomineerd werkveld leidde al snel tot commercieel succes en financiële onafhankelijkheid.

In 1891 openden ze een tweede vestiging van Atelier Elvira in Augsburg, die gerund werd door Sophia's jongere zus Mathilde Goudstikker. De studio was gelegen naast het theater in de . Dit was commercieel gezien een goede zet, aangezien foto's van artiesten voor veel publiciteit zorgden en verkocht konden worden als verzamelobjecten.

Cliënteel miniatuur|Groepsfoto met leden van het . Van links naar rechts: Anita Augspurg, Marie Stritt, Lily von Gizycki, Minna Cauer en Sophia Goudstikker. (ca. 1894)Onder het cliënteel van Atelier Elvira bevonden zich vele vooraanstaande publieke figuren, waaronder leden van de Beierse koninklijke familie, en dankzij Augspurgs connecties in de theaterwereld ook acteurs, schrijvers en kunstenaars. In de studio werden onder andere bekende vrouwenrechtenactivisten zoals Helene Lange, Ika Freudenberg, Emma Haushofer-Merk, Hedwig Dohm en Gabriele Reuter gefotografeerd. In 1899 werd een portretserie van de leidsters van de Duitse vrouwenbeweging gepubliceerd.

De studio was een populaire plek voor vrouwen die betrokken waren bij de vrouwenbeweging. Ze lieten zich portretteren in verschillende rollen; als schrijfster, filosofe, aan een bureau, als danseres of amazone. Ze werden afgebeeld als moderne, zelfverzekerde vrouwen, wat haaks stond op het ideaalbeeld van de huisvrouw in het Duitse Keizerrijk.

Privé

Augspurg en Goudstikker waren twee opmerkelijke persoonlijkheden in München. Ze waren openlijk lesbisch, hadden beiden kort haar, rookten, fietsten, droegen broeken en reformkleding, en reden paard in een herenrijhouding. Hun aanwezigheid veroorzaakte opschudding in het conservatieve München, waar ze zowel een bron van bewondering als van veel minachting waren, maar gebruikten hun reputatie voor de promotie van hun fotostudio. Hun studio diende tevens als trefpunt voor homo's en lesbiennes, met name voor de opkomende lesbische feministische gemeenschap.miniatuur|Freudenberg (links) en Goudstikker (z.d.)

Tot 1893 was Augspurg betrokken bij de fotostudio als fotograaf. Dat jaar vertrok ze naar het Zwitserse Zürich om een rechtenstudie te volgen. Dit leidde ertoe dat de twee vrouwen midden jaren negentig van de negentiende eeuw uit elkaar groeiden. Augspurg verlegde haar focus steeds meer naar het radicaal vrouwenrechtenactivisme, Goudstikker naar haar carrière. In 1898 gingen zij uit elkaar.Sommige bronnen stellen dat zij in 1896 al uit elkaar waren.

In 1899 kreeg Goudstikker een nieuwe relatie met vrouwenrechtenactiviste Friederike 'Ika' Freudenberg. Zij hadden elkaar in 1892 leren kennen tijdens de algemene vergadering van vrouwenvereniging Reform in Wiesbaden. In 1894 was Freudenberg naar München verhuisd om zich in te zetten voor de burgerlijke vrouwenbeweging, waardoor zij zich in dezelfde kringen begaven. In de zomer van 1899, enkele maanden na de dood van Freudenbergs vriendin Emmy Preußer, trok Freudenberg in bij Goudstikker in haar nieuwgebouwde woning aan de 3a. Goudstikker en Freudenberg vormden als snel een hechte relatie op werk- en privégebied. In hun salon ontvingen ze vele personen uit de kunst- en literaire wereld. Ze bleven samen tot de dood van Freudenberg in 1912.miniatuur|Prins Rupprecht van Beieren met zijn vrouw Marie Gabriëlle in Beieren en hun kinderen prins Luitpold en prins Albrecht (1906)

Prijzen en onderscheidingen In 1895 werd Goudstikker door het tijdschrift gepresenteerd als de eerste vrouwelijke professionele fotograaf. Drie jaar later, in juni 1898Sommige bronnen noemen 1894 als jaar waarin ze dit predicaat ontving., kreeg Goudstikker als eerste vrouw het predicaat (Koninklijke Beierse Hoffotografe) nadat ze kroonprins Lodewijk III van Beieren had gefotografeerd. Datzelfde jaar ontving ze als eerste vrouw de en verwierf daarmee een hoge maatschappelijke status. Daarna kreeg Goudstikker nog drie andere hoftitels. Ze fotografeerde onder meer prins Albert van België, kroonprinses Marie van Roemenië, prins Alfons van Beieren en prinses Hilda van Luxemburg.

In 1898 kreeg ze het Beierse staatsburgerschap en het staatsburgerschap van München. Datzelfde jaar bekeerde ze zich tot het protestantisme. In deze periode lieten veel joden uit de middenklasse in het Duitse Rijk zich bekeren als onderdeel van hun poging tot assimilatie.

Gebouw miniatuur|Voorgevel van Atelier Elvira In 1898 kreeg bevriend architect August Endell de opdracht een nieuwe gebouw voor Atelier Elvira te ontwerpen. Goudstikker was zelf ook betrokken bij het ontwerp van de gevel en het interieur. De in art nouveaustijl opgetrokken façade werd in 1898 afgerond.

De groene gevel aan de straatkant had nauwelijks ramen om te voorkomen dat fel zonlicht de studio zou binnenkomen. Op de façade was een violet en turkoois gekleurd asymmetrische bas-reliëf geplaatst. Dit reliëf in de vorm van een draakachtig figuur was dertien bij zeven meter groot en werd gebaseerd op Japanse prenten zoals het werk Onder de golf voor de kust van Kanagawa van Hokusai en illustraties uit de boeken van Ernst Haeckel. De onthulling van de voorgevel zorgde voor een schandaal. Het werd omschreven als 'octopus-rococo' en het pand zag er volgens sommigen uit als een 'Chinese ambassade'. Het gebouw kreeg door het reliëf al snel de bijnaam ('Drakenkasteel'). Vrouwenrechten Kort na de verbouwing van de studio in 1898 verliet Augspurg atelier Elvira definitief. In 1907 verkocht zij haar aandeel in het bedrijf aan Goudstikker. Een jaar later besloot Goudstikker de studio te verhuren aan Emma Pförtner-Uibeleisen zodat Goudstikker zich volledig kon richten op haar werk voor de vrouwenrechtenbeweging.

Goudstikker was op dat moment al geruime tijd betrokken bij initiatieven die zich bezig hielden met vrouwenrechten. In 1889 sloot ze zich aan bij de In 1891 werd de naam veranderd in . van onderwijshervormster Hedwig Kettler. Deze organisatie zette zich in voor het recht van vrouwen om alle vakken aan de universiteit te mogen studeren.

In april 1894 was Goudstikker medeoprichtster van het . Het initiatief voor deze vrouwenvereniging kwam van Anita Augspurg en had als doel de 'systematische en volledige participatie van vrouwen in alle aspecten van ons openbare leven'. Goudstikkers engagement bij deze vereniging kan worden gezien als een vroege uiting van haar feministische overtuigingen.