alt=Johann Mayrhofer door Moritz von Schwind (1868)|miniatuur|Johann Mayrhofer door Moritz von Schwind (1868) alt=Franz Schubert door J. Kriehuber (1846)|miniatuur|Franz Schubert door J. Kriehuber (1846) Nachtstück is een lied (D. 672) van Franz Schubert gecomponeerd in 1825 naar een tekst van Johann Mayrhofer uit 1819.
Geschiedenis In 1814 leerde Johann Mayrhofer de zeventienjarige Franz Schubert in Wenen kennen en werd intiem met hem bevriend. Mayrhofer was jurist en kreeg in 1818 een baan als boek- en toneelcensor bij de Kaiserliche Hofkriegsrat en Polizeihofstelle. Door zijn vaste baan kon hij zich een eenkamerappartement veroorloven en bood hij in de jaren 1818-1821 de armlastige Schubert huisvesting. De vriendschap bleek voor beiden artistiek erg productief. Mayrhofer die gedichten en libretto's schreef maakte de jonge Schubert vertrouwd met de eigentijdse Duitse poëzie. Schubert was onder de indruk van zijn lyrische gedichten. Hij zette in de loop van een kleine tien jaar niet minder dan 47 verzen en twee operalibretto's van diens hand op muziek. In 1825 toonzette Schubert het lied Nachtstück dat in oktober 1819 door Mayrhofer geschreven werd, maar pas in 1824 gepubliceerd werd in zijn bundel Gedichte, uitgegeven bij Friedrich Volke in Wenen; de enige bundel die nog tijdens diens leven uitkwam. Schubert herzag zijn eerste versie van Nachtstück kort nadien en deze werd als Opus 36 nr. 2 door Cappi & Capelli in 1825 in Wenen en uitgegeven. De oorspronkelijke versie kwam pas in openbaarheid in 1895 in Wenen bij Breitel & Härtel in de complete editie Franz Schuberts Werke.
Tekst Mayrhofer kampte met chronische zwaarmoedigheid. Zijn werk als censor onder het repressieve regiem van von Metternich stond hem als vrijheidslievend literator sterk tegen en ook zijn homoseksuele geaardheid moest onder datzelfde politieregiem verborgen blijven. In 1830 probeerde hij tevergeefs een eind aan zijn leven te maken door in de Donau te springen. Maar in 1836, gedurende een cholera-epidemie, beëindigde hij zijn leven definitief door uit het raam van zijn kantoor te springen. Niet opmerkelijk dus dat in zijn poëzie de thema’s vervreemding en eenzaamheid sterk aanwezig zijn. Hoewel in de vroeg-romantiek deze thema’s allesbehalve uitzonderlijk waren. Was de verbeelding van de middeleeuwse dood een afschrikwekkend geraamte met een zeis, onder invloed van het humanisme in de zestiende eeuw werd dit concept omgebogen naar de dood als een verlossende instantie met de verlokking van zoete slaap. In de achttiende eeuw bleef dit benadrukt. Te denken valt aan Bachs aria “Komm süßer Tod, du Schlafes Bruder” (BWV 56). En bij de dichters van de vroege negentiende eeuw als Heine en Tieck, treft men de dood als metafoor voor verlossing en bevrijding of opgaan in het Al ook veelvuldig aan. De thematiek van Nachtstück vormt dus bepaald geen uitzondering. Ook de nacht als hogere spirituele werkelijkheid zoals in het werk van Novalis speelt in dit gedicht een rol (“O heilige Nacht”), evenals de stilte die culmineert in de dood. Eveneens is als gebruikelijk de natuur in dit vers niet zomaar een locatie, maar weerspiegelt een innerlijke stemming of verlangen (De groene bomen die ruisen “Schlaf süß, enz.”).
Ook de eenzaamheid van de oude man ’s nachts alleen in de natuur is een kenmerkend beeld. Kortom, het gedicht past volledig in het tijdsbeeld, maar is evenzeer een uitgesproken persoonlijke expressie van de dichter Mayrhofer.
Lied NachtstückWenn über Berge sich der Nebel breitetUnd Luna mit Gewölken kämpft,So nimmt der Alte seine Harfe und schreitetUnd singt waldeinwarts und gedämpft:“Du heilige Nacht:Bald ist’s vollbracht,Bald schlafe ich ihn,Den lange Schlummer,Der mich erlöstVon allem Kummer.”Die grünen Bäume rauschen denn:“Schlaf süß,”du guter alter Mann”;Die Gräser lispeln wankend fort:“Wir decken seinen Ruheort”;Und manche liebe Vogel ruft:“O lasst ihn ruhn in Rasengruft!”Der Alte horcht, der Alte schweigt,Der Tod hat sich zu ihm geneigt.
Schubert was de eerste componist die het lied ontwikkelde van een melodie met eenvoudige begeleiding tot een eigen kunstvorm met tekst evenwaardig aan de muziek. “[...] melodieën begeleiden mij mijn hele leven, enerverend en kalm, labiel en mysterieus, mistroostig en opgewekt, zoals het leven zelf”, citeert Mayrhofer zijn vriend Schubert in Erinnerungen an Franz Schubert een jaar na diens dood.
Het stuk voor zangstem en piano is een doorgecomponeerd lied met een driedelige structuur (ABA) met repeterende motieven. Het lied vangt aan in C-majeur om duisternis en ernst weer te geven. De piano roept het landschap en de levende natuur op in het eerste deel (maten 1-17) en benadert in deel twee met vertraagd tempo het tokkelende harpspel van de oude man met arpeggio’s. Schubert instrueerde in de partituur de pianist om het sustainpedaal te gebruiken ter imitatie van de in de tekst genoemde harp. De melodielijn van de zangstem is verhalend en zoals de tekst vertelt “gedämpft”. De toonsoort beweegt naar majeur waar de natuur tegen de man spreekt. Aan het eind verstomt de stem, immers “der Alte schweigt” en de piano roept de “den langen Schlummer” op.
Externe links Partituur
Categorie:Compositie van Franz Schubert