miniatuur|rechts|alt=Winter (1909) is een Verkade-album van de Nederlandse natuurbeschermer Jac. P. Thijsse, geïllustreerd met verzamelplaatjes van L.W.R. Wenckebach, J. van Oort en Jan Voerman jr.|Winter (1909) is een Verkade-album van de Nederlandse natuurbeschermer Jac. P. Thijsse, geïllustreerd met verzamelplaatjes van L.W.R. Wenckebach, J. van Oort en Jan Voerman jr. Winter is een Verkade-album uit 1909, geschreven door Jac. P. Thijsse. Het album vormt een reeks met de jaargetijden Lente (1906), Zomer (1907) en Herfst (1908). Illustraties voor in het album konden worden verkregen door het inleveren van bonnen die bij Verkade-producten zaten ingesloten. Zij werden getekend door Willem Wenckebach, Cornelis Rol en Jan Voerman jr.
Inhoud van het album Het album laat zien hoe in de winter de meeste natuur zich terugtrekt om zich voor te bereiden op de lente. In zes hoofdstukken behandelt Thijsse de verschillende aspecten van de winter – verzamelde plaatjes kunnen worden ingevoegd om de tekst te illustreren Het begin van de winter: Thijsse beschrijft hoe de bladeren vallen en de winter intreedt. Toch vindt hij nog paddenstoelen: van amethistzwammen en de wijde stekelzwam tot de fascinerende aardsterren in de duinen. Na een storm loont een strandwandeling: aangespoelde zeevogels zoals de zeemeeuw, zeekoeten en papegaaiduikers liggen langs de vloedlijn. Winterbloemen: De kersttijd nadert, maar van echt winter is geen sprake. Thijsse ziet kamerplanten die in de winter bloeien: chrysanten, primula's, cyclamen, de droogbloeiende aronskelk en bolgewassen als Romeinse hyacinten en krokussen. Buiten bloeien winterjasmijn (afkomstig uit Noord-China) en de kerstroos tot grote vreugde van enkele bijen. Hij onderscheidt tevens de altijdgroene coniferen in de tuin: Thujopsis, cipres en Thuja, en bespreekt uitvoerig de verschillende dennen- en sparrensoorten in bos en duin. In ijs en sneeuw: Bij strenge vorst gaat hij schaatsen. Thijsse beschrijft het ijs zelf (met gasbelletjes en bevroren waterplanten zichtbaar door het ijs), het dierenleven eronder en hoe vogels in de winter gevoed kunnen worden: een drinkbak buiten, zaad strooien, kokosnoten ophangen en een voederstammetje van reuzel en broodkruimels. Koolmezen, pimpelmezen, roodborstjes, vinken en de zeldzame kuifleeuwerik verschijnen. Roofdieren als hermelijnen en wezels laten hun sporen achter in de sneeuw. Januari in het bos: Na de dooi wandelt Thijsse door het bos en geeft een uitgebreide les over korstmossen die een samenleving van schimmeldraden. In de elzenbomen ontdekt hij sijsjes en staartmezen. Meesjes trekken in groepen door het bos; galwespjes leggen in eikenknopjes hun eitjes. Wintergasten: In en rondom het huis overwinteren muizen, insecten, bromvliegen en muggen. Op de zuiderzee wemelt het van eenden en duikers: zwarte zeeëenden, toppereendjes, tafeleenden, smienten, brilduikers, zaagbekken en de beroemde eidereend. Langs het strand zijn strandlopertjes te zien. In de duinen verschijnen roofvogels als slechtvalken en zeearenden. Thijsse pleit voor bescherming in plaats van bejaging. Het einde van de winter: Door takken van hazelaar, els en kers in water te zetten, kun je de lente alvast binnenhalen. Thijsse sluit af met vroeg bloeiende heesters (peperboompje, Japanse hazelaar), de eerste madeliefjes, sneeuwklokjes en crocussen. Ganzen en wilde zwanen trekken in februariavonden noordwaarts als teken dat de winter definitief wijkt.
Categorie:Verkade-album Categorie:Jac. P. Thijsse