Het Remaclusschrijn (Frans: châsse de saint Remacle) is het middeleeuwse reliekschrijn van de heilige Remaclus, dat bewaard wordt in de Sint-Sebastiaanskerk in de Belgische stad Stavelot (provincie Luik). Het met verguld zilver en koper beklede schrijn, dat zeer rijk versierd is, dateert uit het midden van de dertiende eeuw. Het wordt gerekend tot de meesterwerken van de Maaslandse edelsmeedkunst. Het Remaclusschrijn staat op de lijst van roerend cultureel erfgoed van de Franse gemeenschap in België. 'Châsse de saint Remacle de Stavelot' op patrimoineculturel.cfwb.be, geraadpleegd 4 maart 2026 (gearchiveerde link).
Geschiedenis Voorgeschiedenis: relieken van Remaclus Over de zevende-eeuwse bisschop en kloosterstichter Remaclus is weinig met zekerheid bekend. Hij zou tussen 671 en 675 zijn overleden in het door hem gestichte klooster van Stavelot. (1985): De bisschoppen van Maastricht [Vierkant Maastricht #5], p. 58. Stichting Historische Reeks Maastricht, Maastricht. . Daar werd hij ook begraven. Op 25 juni 680 liet abt Godwin relieken van de kloosterstichter in het altaar van de kloosterkerk plaatsen, die drie weken eerder was ingewijd. Deze elevatio ofwel "verheffing tot de eer der altaren" stond in de middeleeuwen gelijk met een heiligverklaring. Het oorspronkelijke graf van Remaclus zou in 1042, in de tijd van abt Poppo van Stavelot, zijn herontdekt. Wat er over was van zijn gebeente werd toen vermoedelijk in een reliekschrijn geplaatst. Over het uiterlijk van dit schrijn is niets bekend; wel over de plaatsing ervan. Het schrijn stond opgesteld op een hoge sokkel (lectica) van goud en zilver, achter het hoogaltaar in de apsis van de kerk. De apsis van de door Poppo gebouwde abdijkerk bezat een ommegang met een rondboogarcade, geïnspireerd door de Heilig Grafkerk in Jeruzalem. Mogelijk werd de sokkel ondersteund door zuiltjes, zodat men er onderdoor kon lopen, zoals bekend is van andere bedevaartkerken.Kockerols (2017), pp. 1-2.
In de tijd van abt Wibald van Stavelot, omstreeks 1150, is vermoedelijk een nieuw schrijn vervaardigd, tegelijkertijd met het ambitieuze Remaclusretabel. Van het schrijn is niets bewaard gebleven; van het retabel slechts enkele emailfragmenten. Wel bestaat er een zeer gedetailleerde zeventiende-eeuwse tekening van het retabel, mogelijk een kopie van een oudere tekening. Daarop is ook een schrijn te zien, dat echter geen gelijkenis vertoond met het nog bestaande, dertiende-eeuwse schrijn, en dat dus vermoedelijk het twaalfde-eeuwse schrijn voorstelt, dat blijkbaar in de zeventiende eeuw nog bestond. Gesteld kan worden dat het retabel van den beginne bedoeld was om een centraal gepositioneerd reliekschrijn te bevatten, dat in elk gevel niet groter was dan de op de tekening aangegeven nis.
Van het schrijn op de tekening uit ca. 1665 is alleen de voorgevel te zien, een voor die tijd typerende puntgevel, die in dit geval uit twee delen bestaat: een rechthoekig paneel en daarboven een driehoekig, frontonachtig paneel. Op het onderste paneel zijn onder een drielobboog drie, waarschijnlijk in reliëf weergegeven figuren te zien. De gevelindeling met drie figuren onder een drielobboog is bekend van enkele andere schrijnen: de Noodkist in Maastricht, het Heribertschrijn in Keulen-Deutz en het gedemonteerde Odaschrijn uit Amay, waarvan zich een twaalfde-eeuwse gevel in het British Museum in Londen bevindt. Als het oude Remaclusschrijn inderdaad omstreeks 1150 is ontstaan, zijn de andere schrijnen waarschijnlijk navolgingen daarvan. De drie afgebeelde figuren zijn Christus (in het midden), die Petrus (ter rechterzijde) en Remaclus (ter linkerzijde) zegent. Ook dit is een bekend thema in de Maaslandse kunst. Op het Maastrichtse westwerkaltaar uit ca. 1150-1160 overhandigt Christus hemelse kronen en hemelsleutels aan Petrus (ter rechterzijde) en Servaas (ter linkerzijde). Het fronton bevatte volgens de tekening een kruisreliek, dat omhoog gehouden werd door twee engelen, zoals ook te zien is op het Luikse kruistriptiek van Sainte-Croix. Onder het reliek staat de Latijnse tekst: SIGNVM SANCTE CRVCIS ("het teken van het heilig kruis"). De vrij gedetailleerd getekende sierrand rondom de voorgevel bestond uit afwisselend versierde en onversierde plaatjes, vrijwel identiek met de sierrand van de Odagevel in het British Museum.
13e-18e eeuw: ontstaan en gebruik van het schrijn Volgens twee bewaard gebleven brieven plaatsten de monniken van Stavelot tussen 1263 en 1268 de relieken van Remaclus over van het oude schrijn naar het nieuwe, thans nog bestaande schrijn. Het betreft twee brieven van de monniken van Stavelot aan hun collega's in de abdij van Solignac, in de Franse regio Limousin. Beide benedictijnse abdijen hadden een sterke band met Remaclus. De eerste brief is gedateerd 13 juni 1263 en vermeldt het voornemen om een reliek van Remaclus van Stavelot naar Solignac te sturen. Dit zou gebeuren zodra de relieken te Stavelot van het oude naar het nieuwe, "glorieuze" schrijn werden overgebracht. De tweede brief, gedateerd 13 mei 1268, vermeldt de overdracht van het reliek aan de abdij van Solignac.Van den Bossche (2004), pp. 80-81. Om deze reden is het ontstaan van het Remaclusschrijn in het verleden in de jaren zestig van de dertiende eeuw geplaatst. Zie Kunsthistorische analyse voor alternatieve dateringen.
thumb|Zijkant van de tronen van Christus en Maria, gefotografeerd tijdens de restauratie in 1953. Links in het medaillon een wapenschild, mogelijk van een onbekende opdrachtgever. Rechts een bisschop, Remaclus? Waarom het bestaande schrijn werd vervangen, mogelijk al na een eeuw, is niet bekend. Mogelijk was het beschadigd geraakt tijdens eens belegering of plundering of tijdens een zogenaamde 'noodprocessie', waarbij het reliekschrijn van een plaatselijke heilige in processie werd rondgedragen om onheil (ziektes, plagen, hongersnoden) af te wenden. Een andere mogelijkheid is dat men behoefte had aan een meer eigentijds schrijn, waarvan men wellicht voorbeelden in de omgeving had gezien, zoals het Onze-Lieve-Vrouweschrijn in Hoei, het Odaschrijn in Amay en het Maurusschrijn, destijds in de abdij van Florennes. Na de voltooiing van het nieuwe schrijn en de overbrenging van de relieken van Remaclus tussen 1163 en 1168, kreeg het oude schrijn een nieuwe bestemming als reliekschrijn van een andere abt van Stavelot, de heilige Papolin.
Over een eventuele functie van het (nieuwe) schrijn in de liturgie is weinig bekend. Historische documenten bevestigen dat het schrijn zich permanent op het priesterkoor bevond, waar ook het koorgestoelte stond. Tijdens het bidden en zingen van de getijdengebeden bevonden de monniken zich dus meerdere keren per dag in de directe nabijheid van de relieken van de patroonheilige.
Omstreeks 1715 vond een restauratie plaats door de benedictijn Dom Gille Paschasi en zijn neef, die kapucijner monnik was. 'Châsse de saint Remacle de Stavelot' op balat.kikirpa.be, geraadpleegd 3 maart 2026.
Na 1797 In de Franse tijd (1794-1814) was het abdijvorstendom Stavelot-Malmedy, samen met het Prinsbisdom Luik en de Zuidelijke Nederlanden, onderdeel van de Eerste Franse Republiek. Op last van de Franse overheid werden alle geestelijke instellingen in 1797 opgeheven, ook de meer dan 1100 jaar oude abdij van Stavelot. Daarbij werd de abdijkerk aan de eredienst onttrokken, gevolgd door de geleidelijke sloop van de meeste gebouwen, en raakte de zeer rijke kerkschat verspreid. Al in 1794, toen de Franse revolutionaire troepen het Luikerland bezetten, waren de meeste monniken de Rijn over gevlucht naar Hanau, vlakbij Frankfurt am Main. De kerkschat namen ze daarbij mee op karren. Veel kostbare voorwerpen werden geschonken aan de families die de benedictijnen in Hanau onderdak boden. Later werden diverse van deze voorwerpen op de internationale kunstmarkt verhandeld en kwamen in privécollecties en museumcollecties terecht. Zo bevindt zich het bekende kruistriptiek van Stavelot tegenwoordig in de Morgan Library & Museum in New York, en het Pinksterretabel in het Musée national du Moyen Âge in Parijs. Twee andere voorwerpen, het draagaltaar van Stavelot en de reliekhouder van paus Alexander, zijn onderdeel van de permanente collectie van het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel.Van den Bossche (1991), p. 7. Van de reliekhouders zijn in Stavelot alleen het schrijn van Remaclus en de reliekbuste van abt Poppo nog te zien. Het schrijn werd eveneens meegenomen naar Hanau, maar keerde in 1805 terug. Het bevindt zich sindsdien in de parochiekerk van Stavelot, de Sint-Sebastiaanskerk.
thumb|left|230px|Houtgravure van het schrijn, in 1866 verschenen in Arsène de Noües La châsse de Saint Remacle à Stavelot Aan het einde van de negentiende eeuw zette de pastoor-deken, tevens abt, Philippe Jadot (1885-1906) zich in voor de heropleving van de Remaclus-cultus. Hij liet onder andere een gouden reliekbuste van de heilige vervaardigen. Tijdens zijn decanaat werd het Remaclusschrijn tentoongesteld in een soort houten kast, genaamd "De Triomf van Sint-Remaclus", in het rechter pseudotransept. In 1911 stalen dieven twee reliëfbeeldjes van het schrijn, Christus en Paulus. Enkele dagen later werden ze in Parijs teruggevonden, maar het duurde twee jaar voor ze terugkeerden naar Stavelot. Vervolgens werd een plan opgesteld voor de bouw van een crypte om de kerkschat beter te kunnen beschermen. De in de crypte gerealiseerde schatkamer was vanaf het begin voor het publiek toegankelijk.Van den Bossche (1991), p. 8.
thumb|Door A. Scuvie in 1923-24 verwijderde emailplaatjes en bruinvernisplaquette (die zich onder Christus' troon bevond) In 1898 organiseerde pastoor-deken Jadot de eerste heiligdomsvaart van Stavelot, een zevenjaarlijks feest ter ere van Remaclus, wellicht geïnspireerd door de Heiligdomsvaart van Maastricht en die te Aken. De tweede heiligdomsvaart vond plaats in 1905, echter zonder het schrijn, dat zich te Luik bevond ter gelegenheid van Wereldtentoonstelling aldaar. Bij de volgende editie, in 1912, was het schrijn weer het middelpunt van de festiviteiten. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kon de zevende editie in 1940 niet doorgaan. In 1975 werd het Remaclusschrijn voor het laatst meegedragen in een processie, waarna men die traditie liet varen vanuit het oogpunt van conservering. 'Septennales 2024. Légendes de saint Remacle' op evechedeliege.be, 8 september 2024. geraadpleegd 5 maart 2026.
Het schrijn werd in 1923-1924 gerestaureerd door de edelsmid Albert Scuvie van het Luikse atelier Wilmotte. In 1952-1953 vond opnieuw een restauratie plaats, ditmaal door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK).
Anno 2026 staat het schrijn weer op het koor opgesteld, in een glazen vitrine op een moderne altaartafel, vóór het barokke hoofdaltaar.
Beschrijving Het Remaclusschrijn bestaat uit een eikenhouten kern bekleed met platen van deels verguld koper en zilver. Daarop zijn verschillende edelsmeedtechnieken toegepast, zoals drijf- en repousseerwerk, pointilleerwerk, filigraanwerk, stempelwerk, graveerwerk, bruinvernis, champlevé-email en inlegwerk met diverse soorten edelstenen. Het schrijn heeft de vorm van een huis (het "hemelhuis") of zaalkerk met zadeldak. Het is 207 cm lang, 58,3 cm breed en 94 cm hoog en is daarmee qua afmetingen het grootste Rijn-Maaslandse schrijn, na het Driekoningenschrijn in de Dom van Keulen. Het is tevens een van de meest weelderig versierde schrijnen uit de middeleeuwen.Van den Bossche (2004), p. 79.
Korte zijden