Françoise Badar (21 januari 1624–1677) was een belangrijke figuur in de ontwikkeling van de kantnijverheid in het Valenciennes in de zeventiende eeuw. Ondanks moeilijke omstandigheden in haar kinder- en jeugdjaren (armoede, overlever van de pest, aanranding door verschillende mannen), leerde zij in Antwerpen kantklossen en zich ontwikkelen tot handelaar. Françoise keerde met deze kennis later terug naar Valenciennes, waar zij een belangrijke rol speelde in de ontwikkeling van het kantambacht. Daarnaast was zij oprichtster en overste van de Dochters van de Heilige Familie in Valenciennes. miniatuur|Mademoiselle Francoise Badar
Biografie Françoise Badar was dochter van Michel en Cathérine Maillard, jongste van hun kinderen.
Zij ontwikkelde zich in de zeventiende eeuw tot een opmerkelijke onderneemster en sociaal geëngageerde vrouw binnen de kantnijverheid en richtte een tehuis voor weeskinderen op.
In de brontekst van de zeventiende eeuw wordt ze beschreven als een devoot en gehoorzaam meisje dat vanaf haar tien jaar afzag van de pleziertjes van haar kindertijd.Horion, Marguerite-thérèse. Histoire de la vie de Mademoiselle Françoise Badar. Valenciennes: Jean-François Broncart, 1726. (Histoire de la vie de Mademoiselle Françoise Badar Fondatrice, & premiére ... - Marguerite-thérèse Horion - Google Boeken) Ze hield vanaf die leeftijd haar moeder gezelschap met wie ze een intense uitwisseling aanging, over god en haar toekomst. Moeder voorspelde dat Françoise moeder zou worden van vele weeskinderen. Bij het uitbreken van de pest werd Françoise geïsoleerd van de besmette familieleden omdat God, volgens haar moeder, plannen met haar had. De moeder en verschillende kinderen stierven. Beroofd van hun bezittingen door de pestwachters bleven de vader en enkele kinderen achter. Françoise was dertien toen ze haar moeder verloor en vijftien toen ze met instemming van haar vader door haar broer naar een handelaar in Dendermonde werd gebracht, waar ze maar een jaar bleef: toen ze op een dag, alleen in huis, verrast werd door een man die haar lastigviel ("omdat ze mooi en handig was"), ontsnapte ze hieraan door in de rivier naast het huis te springen.Horion, Marguerite-thérèse. Histoire de la vie de Mademoiselle Françoise Badar. Valenciennes: Jean-François Broncart, 1726, B. Alleen en terneergeslagen dacht ze een roeping van God te hebben om naar Antwerpen te gaan. Nadat ze tijdens haar bootreis opnieuw een opdringerige man op afstand had moeten houden kwam ze in Antwerpen aan. Het verhaal was dat haar gewoonte een kruisteken te slaan op onvoorspelbare momenten, maakte dat de man in kwestie plots verdween, wat ze als een teken interpreteerde dat hij de Duivel zelf was geweest. In Antwerpen ging ze werk zoeken door zich van deur tot deur voor te stellen als winkelmeisje, maar werd ze herhaaldelijk in een bordeel ondergebracht. Ze deed een gelofte van kuisheid als ze zou kunnen ontsnappen.Horion, Marguerite-thérèse. Histoire de la vie de Mademoiselle Françoise Badar. Valenciennes: Jean-François Broncart, 1726, B3. Toen dat lukte zag ze in een kerk in extase - "als in een spiegel" - visioenen over haar toekomst: het tehuis dat ze later zal oprichten "en honderd andere dingen die ik niet kende."
Ze leerde kantklossen en bleek hier veel talent voor te hebben, iets wat al gauw de ronde deed. Ze leerde er met name de oude Vlaamse steek en raakte betrokken bij de kanthandel. In deze stad deed ze gedurende zes jaar waardevolle ervaring op, zowel in de technische aspecten van het kantwerk als in de commerciële kant van de sector.
Na deze periode keerde Badar terug naar haar geboortestad Valenciennes, waar zij een kantwerkhuis oprichtte. Ondanks de moeilijke omstandigheden, de stad werd in die tijd meermaals belegerd, wist haar onderneming te floreren. Haar kennis van kanttechnieken en haar ondernemingszin vormden de basis van dit succes.
In 1661 kocht Françoise Badar een groot huis waarin zij een gemeenschap stichtte voor jonge meisjes. Deze meisjesschool, de congregatie van de dochters van Sint-Jozef, gevestigd in de Rue du Chaudron. Naast religieus en basisonderwijs leerden wezen en ‘gevallen meisjes’ er naaien en kantklossen. Daar kregen zij onderwijs en leerden zij het kantambacht. Het huis bestond uit verschillende werkhuizen waar naar schatting tweehonderd tot driehonderd meisjes tegelijk konden leren en werken. In deze ateliers werden zowel kloskant als naaldkant vervaardigd.
De meeste kantklossters bleven naamloos en onbekend.
Blijkbaar combineerde Badar haar vakkennis en handelsgeest met een uitgesproken sociale bekommernis. Ze wilde jonge vrouwen in haar stad niet alleen een vak leren, maar ook zorgen voor hun bestaanszekerheid en hun geestelijk welzijn. Haar initiatief bood meisjes kansen op economische zelfstandigheid en een gestructureerde leef- en leeromgeving.
Dit soort vrouwelijke ondernemingszin, verbonden met sociale en educatieve doelstellingen, sluit aan bij bredere ontwikkelingen in de Zuidelijke Nederlanden in die periode. Vergelijkbare initiatieven bestonden binnen religieus geïnspireerde gemeenschappen, zoals die van de Apostelinnen.
Categorie:Belgisch ondernemer Categorie:Persoon in de 17e eeuw