Liesbet van Keerbeke (geboorte- en overlijdensdatum onbekend) was een zestiende-eeuwse beenhouwster in de stad Leuven. Op 20 oktober 1566 stapte ze naar de stadsraad om verzet aan te tekenen tegen een ordonnantie die weduwen van beenhouwers verbood nog langer vlees te verkopen in het vleeshuis. Dat verbod dreigde deze weduwen in armoede te doen belanden.

Door het verzet van Liesbet van Keerbeke paste het stadsbestuur de wet aan. Voortaan mochten weduwen opnieuw vlees verkopen in het vleeshuis. Haar optreden wordt later gezien als een voorbeeld van hoe vrouwen kunnen opkomen voor de eigen sociale en economische rechten. Hiermee kan zij gezien worden als een voorloopster van het feminisme. thumb|Vleeshuis Leuven vóór 1914

Historische context van het beenhouwersambacht Leuven Het beenhouwersambacht was in zestiende-eeuws Leuven een van de machtigste gilden van de stad. De leden hadden het recht om schepenen in de stadsraad te kiezen. De stadsraad, gevormd door 21 gezworenen, bestond uit elf leden uit de patricische geslachten en tien uit de ambachten. Omdat er ruim 40 Leuvense ambachten waren, werden ze verdeeld in tien naties die elk een zetel in de stadsraad kregen. Het beenhouwersambacht vormde samen met de vissers één van die tien naties.

De vleeshandel vond plaats in het vleeshuis. In de Pensstraat, achter het vleeshuis vond de aanvullende handel in secundaire vleesproducten plaats, zoals spek en pensen. In tegenstelling tot steden als Antwerpen had het Leuvense beenhouwersambacht nooit een volledig erfelijk of gesloten karakter.

Vrouwen in het beenhouwersambacht in Leuven miniatuur|Pensstraat Ook vrouwen speelden een actieve rol in het beenhouwersambacht. Een ordonnantie uit 1458 stelde al vast dat alleenstaande dochters uit beenhouwersfamilies pensen, gebraden en gezouten vlees mochten verkopen als officieel ambachtslid. Ook getrouwde vrouwen fungeerden als volwaardige partners in het familiebedrijf.

De architectuur van het Vleeshuis in Leuven lijkt de rolverdeling tussen vrouwen en mannen in het slagersvak te weerspiegelen. Vaak wordt aangenomen dat vrouwen slechts aan de penskramen buiten mochten verkopen, terwijl de binnenste verkoopbanken een mannelijk domein waren. Het Leuvense ambachtsstatuut van 1518 nuanceert dat beeld. Volgens die reglementen mochten vrouwen bij afwezigheid van hun man toezicht houden vóór de verkoopbank. De eigenlijke verkoop werd uitgevoerd door een aangestelde gezel.

De ordonnantie van 1566 Op 6 oktober 1566 kwam de positie van de beenhouwersvrouwen onder druk te staan. Op verzoek van jongere ambachtsgezellen vaardigde de stadsraad een ordonnantie uit die weduwen volledig verbood in het vleeshuis te verkopen. De jongere gezellen vreesden immers concurrentie en wilden voorkomen dat weduwen hun zonen de overname van het bedrijf zouden belemmeren.

De stadsraad erkende zelf dat hiermee een oude costumen, een gevestigde gewoonte, werd doorbroken. De bepaling luidde dat weduwen niet meer mochten 'vercoopen doen noch late vercoopen, coopmaken, in de banck staen off yemand van eens ander banck roepen'.

Het verzet van Van Keerbeke Twee weken - volgens een andere bron twee jaar - na de uitvaardiging van de ordonnantie van 1566 verscheen Liesbet van Keerbeke voor de stadsraad. Ze vroeg om een individuele uitzondering op de ordonnantie. Ze stelde dat ze als arme weduwe zonder de zaak van haar voormalige echtgenoot haar kinderen niet meer kon onderhouden. Daarnaast argumenteerde Liesbet dat weduwen in alle andere Leuvense ambachten steeds het beroep van de overleden echtgenoot hadden verdergezet. De raad willigde haar verzoek in en stond haar toe de handel voort te zetten.

Haar optreden had directe navolging. Minder dan een jaar later, op 6 september 1567, verkreeg ook de weduwe Margriet Schrijvers hetzelfde privilege, ditmaal via een formeel geding voor de schepenbank.

Gevolgen Het verzet van Liesbet van Keerbeke en Margriet Schrijvers zorgde ervoor dat de stadsraad in 1570 een nieuwe wet aannam. Volgens deze nieuwe wet mochten alle weduwen van beenhouwers weer officieel in het vleeshuis verkopen. Wel bleef hun aanbod voorlopig nog beperkt tot pensen en bereid vlees. In 1655 kregen ze hun volledige verkooprechten definitief terug. In de achttiende eeuw voerden mannen en vrouwen het beenhouwersambacht bijna gelijkwaardig uit.

De zaak van Van Keerbeke toont dat vrouwen zich konden verzetten, ook in een wereld die hen structureel beperkte.

Categorie:Persoon in de 16e eeuw Categorie:Geschiedenis van Leuven