Anneliese (Ilsa) Kohlmann (Hamburg, 23 maart 1921 – West-Berlijn, 17 september 1977) was een Duitse concentratiekampbewaker tijdens de Tweede Wereldoorlog.
In november 1944 werd Kohlmann aangesteld als SS-bewaker in concentratiekamp Neugraben, een subkamp van Neuengamme. Kohlmann was openlijk lesbisch en ontwikkelde een relatie met een vrouwelijke kampgevangene, waarbij sprake was van een machtsongelijke seksuele relatie.
In mei 1946 stond ze tijdens het tweede Bergen-Belsenproces terecht voor het mishandelen van gevangenen. Ze werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, die ze vanwege haar seksuele geaardheid in afzondering uitzat.
Na de Tweede Wereldoorlog had ze moeite haar leven opnieuw op te pakken. Ze kampte met financiële moeilijkheden en gezondheidsproblemen. Ze overleed in West-Berlijn op 17 september 1977.
Levensloop Anneliese Kohlmann werd geboren in Hamburg op 23 maart 1921. Haar moeder was een alleenstaande vrouw met financiële moeilijkheden, haar vader was onbekend. Toen ze vier jaar oud was werd ze geadopteerd door Georg en Margaretha Kohlmann, en groeide op in een christelijk middenklassengezin waar het nationaalsocialistische gedachtegoed centraal stond. Haar adoptievader was leraar aan de Hamburgse private Wahnschaff-Schule en medeauteur van het antisemitische schoolboek .
Kohlmann ging naar een hogere meisjesschool, maar stopte in 1938 met haar opleiding. Tijdens haar dienstjaar werkte ze als kokkin bij het Duitse Rode Kruis. Toen ze twintig was vond ze een baan bij de spoorwegmaatschappij en ging daarna werken als tramconducteur.
In februari 1940 werd ze lid van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Toen ze eenentwintig was verliet ze het ouderlijk huis en trok ze in bij een vrouw met wie ze mogelijk een liefdesrelatie had. Kohlmann identificeerde zichzelf als lesbisch en had meerdere relaties met vrouwen. Hoewel homoseksualiteit verboden was in het Derde Rijk, werden vrouwen onder paragraaf 175 niet veroordeeld. miniatuur|Gedenkplaat in Neugraben.
Kampbewaker Op 4 november 1944 werd Kohlmann opgeroepen door het Duitse arbeidersbureau waar ze werd gerekruteerd als bewaker in concentratiekamp Neugraben, een subkamp van Neuengamme, nabij Hamburg. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog was het nagenoeg onmogelijk om een dergelijke aanstelling te weigeren. De 500 vrouwelijke gevangenen in het kamp werden aangesteld om te helpen bij de wederopbouw van de stad. Hamburg was in 1943, tijdens Operatie Gomorrah, en 1944 ernstig beschadigd geraakt.
In het kamp ontwikkelde Kohlmann een relatie met de joodse gevangene Helene SommerDit is een schuilnaam die gebruikt wordt door historica Anna Hájková. In 2020 startte de dochter van Sommer een rechtszaak tegen haar om de identiteit van haar moeder te beschermen. . De uit Praag afkomstige Sommer was blokoudste en werd omschreven als een zeer mooie vrouw. Kohlmann's seksuele voorkeur was vrij algemeen bekend. Ze had een kort kapsel, bekend als , dat in de lesbische subcultuur van de jaren twintig en dertig een populaire keuze was bij masculiene vrouwen. Kohlmann kreeg om die reden onder gevangenen de bijnaam 'Bubi'. Hoewel er een scheve machtsverhouding tussen Kohlmann en Sommer bestond, leek hun relatie volgens Kohlmann oprecht: Sommer zou haar hebben voorgesteld om na afloop van de oorlog samen naar Praag te gaan en de twee waren volgens diverse getuigenissen fysiek intiem. Daarnaast zou Kohlmann haar kleding, schoenen en eten hebben gegeven. Sommer zat samen met haar moeder in het kamp en had haar eigen veiligheid en die van haar moeder als motief om de relatie gaande te houden. Homoseksuele relaties, ook tussen gevangenen, werden door medegevangenen echter sterk bekritiseerd. Voordat Sommer naar Neugraben werd gedeporteerd had ze in Auschwitz gezeten, waar ze een relatie had met kampoudste Willy Brachmann, een crimineel uit Hamburg. Deze relatie had ze waarschijnlijk tevens met het doel haar eigen leven en dat van haar moeder te redden.
In maart 1945 werd Kohlmann overgeplaatst naar het subkamp Tiefstack. Een maand later werd het kamp opgeheven en werden de gevangenen op transport gesteld naar concentratiekamp Bergen-Belsen. Kohlmann begeleidde het transport en hielp bij de ontsnapping van vier vrouwen. Bij aankomst in het kamp werd ze door de commandant terug naar Hamburg gestuurd. Samen met Brachmann, die naar Hamburg was teruggekeerd, vertrok Kohlmann per fiets richting het kamp om Sommer te zoeken. Kohlmann verkleedde zich als gevangene en Brachmann hielp haar het kamp op 13 april 1945 binnen te gaan. Kohlmann wist Sommer in het kamp op te sporen en de twee bleven tot de bevrijding van het kamp door de Britten op 15 april 1945 samen.miniatuur|Vrouwelijke bewakers in Bergen-Belsen bij de bevrijding van het kamp (april 1945). Rechts: Anneliese Kohlmann. Bevrijding en veroordeling miniatuur|Kohlmann (augustus 1945) Kohlmann werd na de bevrijding van het kamp door de gevangenen overgedragen aan de Britten die haar op 17 april arresteerden. Ze werd vervolgens, samen met andere bewakers, gedwongen te helpen bij het opruimen van de lijken. Deze gebeurtenis werd door de Britse fotograaf George Rodger gefotografeerd en gepubliceerd in het Amerikaanse . Kohlmann is in diverse foto's zichtbaar.
Na haar arrestatie werd ze overgebracht naar een gevangenis in Celle. Kohlmann stond op 16 mei 1946 terecht voor een Brits militair tribunaal tijdens het tweede Bergen-Belsenproces voor de mishandeling van gevangenen. Hoewel Sommer aanwezig was tijdens het proces, getuigde ze niet. Kampoudste Brachmann sprak zich tijdens het proces positief over Kohlmann uit. Door overlevenden werd Kohlmann veelal omschreven als 'fatsoenlijk en onschuldig', maar werd door anderen omschreven als gewelddadig en seksueel pervers. Kohlmann zou met name oudere gevangenen mishandelen en fysiek geweld gebruiken als gevangenen ongehoorzaam waren. Een gevangene verklaarde gezien te hebben hoe Kohlmann een oudere vrouw sloeg totdat zij het bewustzijn verloor. Een andere gevangene stelde dat Kohlmann haar meer dan dertig keer met een stok in het gezicht en op haar lichaam had geslagen. Kohlmann gaf toe dat ze geweld had gebruikt, maar stelde dat ze dat enkel deed als er geen andere mogelijkheid was en pleitte niet schuldig te zijn.
Over haar verblijf in Bergen-Belsen verklaarde ze dat ze onofficieel en zonder toestemming naar het kamp was gekomen om Sommer te helpen. Ze stelde bevriend met haar te zijn en samen met haar en enkele andere Tsjechische vrouwen na de oorlog naar Praag te gaan. Ze leefde, tot haar ontdekking, een aantal dagen samen met Sommer in het kamp als vrouwelijke gevangene, aldus Kohlmann. In een getuigenis stelde de moeder van Kohlmann dat Kohlmann had gesproken over de vreselijke omstandigheden in het kamp, neerslachtig oogde en haar werk als bewaker niet wilde voortzetten.
Kohlmann kreeg een gevangenisstraf van twee jaar opgelegd. Het jaar dat ze in voorarrest had doorgebracht, werd niet in mindering gebracht. Ze werd, omdat ze lesbisch was, in eenzame opsluiting gehouden in de gevangenis van Fuhlsbüttel.
Naoorlogse jaren Na haar vrijlating in mei 1948 had Kohlmann moeite haar leven opnieuw op te pakken. Ze had gezondheidsproblemen en haar ouders hadden niet voldoende financiële middelen om haar te onderhouden. Enkele jaren na de oorlog, overleden haar beide ouders. Na enkele jaren als sekswerker te hebben gewerkt, vond ze eind jaren vijftig een baan als vrachtwagenchauffeur. In 1965 verhuisde ze samen met haar partner naar Berlijn. Ze werkte in het ziekenhuis van Zehlendorf als kokkin en stierf op haar werkplek op 17 september 1977. Ze werd 56 jaar oud.
In media Het theaterstuk (2013) werd gebaseerd op het verhaal van Kohlmann en Sommer.
Categorie:Historische lhbti'er Categorie:Naziconcentratiekamppersoneel