Cornelius Gustav Gurlitt (Nischwitz, 1 januari 1850 – Dresden, 25 maart 1938) was een Duitse kunsthistoricus. Tijdens zijn leven schreef hij meer dan 90 boeken over architectuur, kunst, stedenbouw en politiek, en had daarmee een sterke invloed op de culturele ontwikkeling en de herwaardering van de barok en rococo.
Levensloop Cornelius Gustav Gurlitt werd geboren in Nischwitz op 1 januari 1850. Hij was de zoon van de Deens-Duitse kunstschilder Louis Gurlitt en diens derde echtgenote Elisabeth Lewald. Hij werd vernoemd naar zijn oom, de componist Gustav Cornelius Gurlitt.
Gurlitt was de halfbroer van archeoloog Wilhelm Gurlitt en de broer van kunsthandelaar Fritz Gurlitt, bankier Otto Gurlitt en pedagoog Ludwig Gurlitt. Zijn moeder Elisabeth was de zus van schrijfster en vrouwenrechtenactiviste Fanny Lewald. Gurlitt was afkomstig uit een artistieke familie: in zijn jeugd kwamen vele invloedrijke personen bij het gezin over de vloer, waaronder Friedrich Hebbel, Henrik Ibsen, Gustav Freytag en Julius Langbehn.
Gurlitt bezocht het gymnasium in Gotha, maar verliet deze opleiding vroegtijdig. Hij volgde hierna een timmermansopleiding, maar stapte over naar een opleiding voor architect. Omdat hij geen had behaald, studeerde hij als toehoorder aan de Berliner Bauakademie en volgde vervolgens tussen 1869 en 1872 colleges esthetiek en kunstgeschiedenis aan het Polytechnikum in Stuttgart. Daarna volgde hij lessen aan de Technische Hogeschool van Wenen. In 1871 voltooide Gurlitt zijn militaire dienstjaar en werkte daarna als architect. Hij gaf zijn baan als architect in 1874 op om kunstgeschiedenis te studeren bij Anton Heinrich Springer in Leipzig.
Gurlitt had een interesse in barokarchitectuur, een stijl die in deze periode weinig waardering kreeg, omdat het als decadent werd beschouwd. Bronnen over deze kunstperiode waren destijds schaars en Gurlitt reisde naar Praag en Berlijn om de stijl verder te bestuderen. In 1879 startte hij als assistent bij het Museum voor Decoratieve Kunsten in Dresden. Hij kreeg van Alwin Schultz de opdracht de hoofdstukken over barok voor de geactualiseerde versie van het werk van Karl Schnaase te schrijven. In 1883 publiceerde Gurlitt het werk dat een overzichtswerk was van de barokke decoratieve kunsten in Duitsland.
Gurlitt maakte een reis naar Italië om verder onderzoek te doen naar de barokstijl. Zijn interesse werd, onder meer door Italiaanse geleerden en een voormalig leraar, echter als merkwaardig beschouwd. In 1887 publiceerde hij een werk over Italiaanse barok, gevolgd door een boek over barok in de Nederlanden, Frankrijk en Engeland in 1888 en de barok in Duitsland in 1889. Deze werken waren onderdeel van de serie dat werd herzien tot . Hoewel hij geen universitaire opleiding had genoten, leverde dit werk hem een doctoraat in de filosofie op.
In 1888 trouwde Gurlitt met Marie Gerlach. Een jaar later werd hun eerste zoon Wilibald geboren, gevolgd door dochter Cornelia in 1890 en zoon Hildebrand in 1895.
In 1889 werkte Gurlitt kort aan de Technische Universiteit van Berlijn, maar werd in 1890 benoemd tot hoogleraar architectuur aan de Technische Universiteit Dresden. Na de dood van Richard Steche in 1893 volgde Gurlitt hem op als buitengewoon hoogleraar in de geschiedenis van de toegepaste kunsten. Steche was begonnen met de inventarisatie van kunstwerken in Saksen, een taak die Gurlitt na diens dood voortzette. Gurlitt werd in 1899 benoemd tot gewoon hoogleraar en vanaf 1900 stond hij studenten bij bij hun promotieonderzoeken. Een van zijn studenten was architect en architectuurhistoricus Hermann Muthesius. Vanaf 1902 doceerde Gurlitt tevens colleges over stedenbouw.
Naast zijn werk als hoogleraar was hij als redacteur betrokken bij het tijdschrift . In die hoedanigheid was hij tevens betrokken bij de publicatie van het radicale architectuurtijdschrift van architect Bruno Taut (1880–1938). Daarnaast droeg hij regelmatig bij aan het tijdschrift en schreef hij stukken voor dagbladen en architectuur- en cultuurtijdschriften.
In 1920 ging Gurlitt met emeritaat. Na zijn pensioen werd hij voorzitter van de mede door hem opgerichte , een functie die hij tot 1926 behield. Van 1922 tot en met 1926 was hij tevens initiatiefnemer en voorzitter van de , thans de (DASL).
De opkomst van het nationaalsocialisme in 1933 werd aanvankelijk door Gurlitt gesteund, maar hij werd door de Duitse overheid beschouwd als van Joodse afkomst. Gurlitt overleed in Dresden op 25 maart 1938 en werd aldaar begraven op het Johannisfriedhof.
Werken (selectie)
(1883)
(1887)
(1888) (1889) (1890) (1891) (1891) (1897) (1899) (1899) (1902) (1902) (1907/1912) (1914) (1915) (1917) (1919) (1919) (1920) (1921) (1924)
Eerbetonen In Dortmund werd de naar hem vernoemd. In Dresden bevindt zich een .
Categorie:Duits kunsthistoricus