thumb|God de Vader (1497), een van de gewelfschotels voor de librije van de Domkerk thumb|Wenteltrap (1507) naar het altaar op het Heilig Graf in de Domkerk. Bijschrift: Afteyckeninge van den wenteltrap Inde Domkerck tot Vtrecht achter het Choor soot tegenwoordich nog in wesen is, ende door Lanckheit van tijd in veele delen geschonden.E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters (1965) De Dom van Utrecht. Den Haag: Staatsuitgeverij. Tekening van E. Mengelberg uit 1877, naar een origineel uit ca. 1640. Jan Eerstensz van Schayck (ca. 1470 – in of voor 1527) was een Noord-Nederlands beeldsnijder. Van Schayck wordt naast Adriaen van Wesel en de 'Meester van de Utrechtse Stenen Vrouwenkop' gerekend tot de belangrijkste meesters van de Utrechtse beeldhouwkunst in de 15e eeuw."Beeldhouwkunst voor de beeldenstorm", Centraal Museum Utrecht.
Leven en werk Jan van Schayck was een zoon van Eerst van Schayck de Oude en Margriet. Hij was twee maal gehuwd en had ten minste twee kinderen. Uit zijn huwelijk met Hillegond Gerritsdr Zas werd Ernst van Schayck (ovl. 1564) geboren. Ernst was vicaris (1515) en kanunnik (1528) van de Pieterskerk, hij schonk in 1554 een memorietafel als altaarstuk aan de Pieterskerk, waarop de familiewapens Van Schayck en Zas zijn afgebeeld.Llewellyn Bogaers en Arie de Groot (2002) "Van anonieme graven tot persoonsgebonden grafmonumenten: Zeven eeuwen grafcultuur in de Utrechtse Pieterskerk", Trajecta, jrg 11, nr. 3 (2002), p. 211-243; P.J.J. van Thiel (1976) All the paintings of the Rijksmuseum in Amsterdam. Amsterdam: Rijks-Museum. Afdeling Schilderijen. Beschreven onder nr. A 4486 op p. 687 en als "Drieluik met de steniging van Stephanus en de legende van het vinden van zijn graf" in de online collectie van het Rijksmuseum Amsterdam. Jan van Schayck overleed voor december 1527, toen werd zijn tweede echtgenote vermeld als "Jan van Scayck die beeltsnijders wedue".Jan W. Klinckaert "Jan Eerstenss. van Schayck (ca. 1470 – before 1527), beeldesnyder in Utrecht", in Barbara Rommé, red. (1999) Der Niederrhein und die alten Niederlande. Kunst und Kultur im späten Mittelalter. Bielefeld: Verlag für Regionalgeschichte. Schriften der Heresbach-Stiftung Kalkar, Band 9, .
Diverse leden van de familie Van Schayck waren actief als schilders.G.J. Hoogewerff, "De Utrechtse kunstenaarsfamilie Van Schayk", Oudheidkundig Jaarboek, 1923, p. 28-34; J.A.L. de Meyere, "Utrechtse schilderkunst in de tweede helft van de 16de eeuw", Jaarboek Oud-Utrecht, 1978. Jan van Schayck koos voor de beeldhouwkunst. Hij was in de periode 1494-1523 als beeldsnijder/beeldhouwer werkzaam in de stad Utrecht en werkte in hout en in steen. De stad kende in zijn tijd meerdere bloeiende beeldhouwateliers, mede vanwege de bouw van de Utrechtse kathedraal, de Domkerk, die z'n hoogtepunt beleefde tussen 1460 en 1520. Dat Van Schayck niet alleen voor incidentele opdrachten, maar ook in loondienst aan de Dom werkte, blijkt onder andere uit de betalingen van de fabriekskamer van de Dom aan hem zijn twee knechten. In de periode dat het schip werd gebouwd en afgewerkt (1508-1509) ontvingen zij ten minste 388 daglonen.Micha Leeflang en Kees van Schooten, red. (2012), Middeleeuwse beelden uit Utrecht, 1430-1530. Antwerpen: Ludion. Van Schayck gebruikte voor zijn mensfiguren "een zeer herkenbaar gelaatstype, dat wordt gekarakteriseerd door de uitpuilende ogen met de opgezwollen oogleden, de kleine wipneus en het relatief smalle mondje. Uit het aangezicht spreekt meestal een ingetogen of weemoedige uitdrukking."Jan Klinckaert (1997) De verzamelingen van het Centraal Museum Utrecht: 3 Beeldhouwkunst tot 1850. Utrecht: Centraal Museum. p. 106-109, .
Gewelfschotels Een van de werken die Van Schayck voor de Domkerk maakte is een serie van negen gewelfschotels in avendersteen voor de nieuwe librije.M. van Vlierden (2004) Hout- en steensculptuur van Museum Catharijneconvent. Zwolle: Waanders Uitgevers / Utrecht: Museum Catharijneconvent, . Hij kreeg in 1497 zestien Rijnlandse gulden betaald om "die sloetsteyn ende capitelen mit halfbeelden te maken in der librien". De serie met voorstellingen in hoogreliëf bestaat uit een centrale steen met God de Vader, vier kleinere ronde stenen met de kerkvaders Augustinus, Gregorius, Hiëronymus en vermoedelijk Ambrosius en nog eens vier ronde stenen met de symbolen van de vier evangelisten. De steen van God de Vader is 47 x 49 centimeter, de ronde stenen hebben een diameter van ca. 32-34 centimeter. De schotels werden met behulp van ijzeren ogen aan de achterzijde onder de kruisingen van het netgewelf gehangen.Zoals gebruikelijk aan het einde van de 15e eeuw, eerder werden dergelijke stenen als sluitstenen als één geheel met de ben geplaatst (Van Vlierden, 2004: 193-194). In 1826 werden de gewelfschotels vanuit de nalatenschap van de Utrechtse archivaris Petrus van Musschenbroek (1764-1823) geveild en kwamen op verschillende plekken terecht. De gewelfschotel van God de Vader werd in 1872 aan het Bisschoppelijk Museum Haarlem geschonken, waarvan de collectie is ondergebracht bij het Museum Catharijneconvent. Deze steen werd in 1996 gerestaureerd door Paulus Reinhard. De schotel met vermoedelijk Ambrosius was in 1826 al verdwenen, de andere drie schotels met kerkvaders werden opgenomen in de collectie van het Centraal Museum te Utrecht. De vier ronde stenen met de evangelistensymbolen, de engel van Matteüs, de leeuw van Marcus, de os van Lucas en de adelaar Johannes, werden in 1945 geschonken aan het Victoria & Albert Museum in Londen.Roof boss with emblem of St. Matthew, The Lion of St Mark, Symbol of St. Luke en The Eagle of St John, Victoria and Albert Museum. Oorspronkelijk waren alle schotels gepolychromeerd, de polychromie werd uitgevoerd door Ernst van Schayck en Dirck Scay.God de Vader, collectie Museum Catharijneconvent.
Enkele werken 1497: Dertien eikenhouten panelen voor de sacristiepoort van de Domkerk (vier daarvan zijn verloren gegaan). Het beeldhouwwerk van de poort werd verzorgd door Henric Bontmaker. 1497-1498: Werk voor de Buurkerk in Utrecht. 1497: Dertien gewelfschotels voor de librije van de Domkerk. 1502-1503: Snijwerk voor het orgel van de Domkerk. 1507: Eikenhouten wenteltrap naar het altaar boven het Heilig Graf in de Domkerk. De trap was versierd met knoestige takken, maaswerk en pinakels. Alleen de voet is nog aanwezig.Elizabeth den Hartog (2015) De bouwsculptuur van de Utrechtse Dom: Een andere kijk op de bouwgeschiedenis. Zwolle: W Books / Amersfoort: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, . 1509: "trium ymaginum" voor de Van Veenkapel in de Domkerk. ca. 1510-1520: Eikenhouten panelen voor de orgelkast van het kerkorgel in de Sint-Vituskerk in Naarden. De figuren dragen allen een wapenschild aan een riem. De panelen waren oorspronkelijk gepolychromeerd. Het orgel werd in 1862 ontmanteld, waarna de panelen werden verkocht. In 1881 werden ze aangekocht door het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, die ze in 1885 in langdurig bruikleen gaf aan het Rijksmuseum Amsterdam."Panelen van een orgelkast uit de Sint-Vituskerk in Naarden", Rijksmuseum Amsterdam. 1511: Werk voor de Domproostenkapel in de Domkerk 1512-1516: (Vermoedelijk) consoles met engelen voor de kapel van het Agnietenklooster (sinds 1921 onderdeel van het Centraal Museum). (Vermoedelijk) werk aan het altaar van de Mariakerk in Utrecht.Paul Williamson, "Roof bosses from Utrecht and Jan van Schayck, Beeldensnijder", Oud Holland, vol. 105 (1991), no. 2, p. 140-151.
Galerij
Categorie:Nederlands beeldhouwer