Jirahgorgon is een geslacht van uitgestorven therapsiden, behorend tot de Gorgonopsia. Het dier leefde in het Midden-Perm in zuidelijk Afrika.

Fossiele vondsten Julien Benoit vond in maart 2019 samen met Michael Oliver Day bij de Kofieklip op de Wilgerbos(chfontein)boerderij een schedel van een synapside. Het specimen, geprepareerd door Charles Dube, werd gescand door een synchrotron te Grenoble.

In 2026 werd de typesoort Jirahgorgon ceto benoemd en beschreven door Zanildo Macungo, Ricardo Araújo, Bruce S. Rubidge, Michael O. Day, Kathleen N. Dollman en Julien Benoit. De geslachtsnaam eert Sifelani Jirah, de conservator van de Karoocollecties van het Evolutionary Studies Institute, voor zijn enorme bijdrage aan het ontdekken en prepareren van de Therapsida van het Middelste Perm, en verbindt zijn naam met het achtervoegsel ~gorgon als verwijzing naar de Gorgonopsia.

Fossielen van Jirahgorgon zijn gevonden in de onderste subzone van de Tapinocephalus-faunazone in de Karoo in Zuid-Afrika. De fossiele vondsten dateren uit het vroegste Capitanien met een ouderdom van circa 265 miljoen jaar. Hiermee is Jirahgorgon samen met de nauw verwante Phorcys het oudste bekende taxon uit de Gorgonopsia. De soortaanduiding ceto verwijst hier ook naar: in de Griekse mythologie was de oergodin Ceto de moeder van de Gorgonen.

Van Jirahgorgon zijn een schedel en onderkaak gevonden, samen het holotype BP/1/8260 vormend.

Kenmerken Grootte De schedel heeft een lengte van 27 cm, vergelijkbaar met die van een leeuw. Dit weerspreekt de eerdere gedachte dat de gorgonopsiërs pas groter werden en een rol als toppredator kregen na het uitsterven van de carnivore dinocephaliërs en grote basale therocephaliërs na het Capitaniaanse extinctie. In bepaalde leefgemeenschappen van het Midden-Perm hadden de gorgonopsiërs met Phorcys en Jirahgorgon waarschijnlijk dus al een rol als toppredator.

Onderscheidende kenmerken In het benoemende artikel werd een aantal kenmerken aangegeven waarin Jirahgorgon zich onderscheidt. Drie ervan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen. Er bevindt zich een bult op het zijvlak van het os squamosum dat de trog naar het jukbeen in twee afzonderlijke helften deelt. De onderzijde van het basioccipitale heeft een lage dwarsrichel. Het bovenkaaksbeen eindigt achter de positie van de voorste rand van de oogkas.

Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. De snuit is langwerpig en smal. De oogkas en het slaapvenster zijn klein. De tanden zijn overdwars afgeplat. Er zijn vier postcanine tanden (achter de hoektand), wijd uit elkaar staand en verticaal gericht. Het pterygoïde heeft smalle dwarstakken, haaks op de hoofdas van de schedel gericht. Op het verhemeltebeen liggen V-vormige bulten die sterk naar voren steken, meer dan bij Eriphostoma. De septomaxilla dringt naar achteren alleen door het neusbeen, zonder uit te steken tussen het neusbeen en het bovenkaaksbeen. De vervangingstanden zijn gelegen aan de achterste binnenhoek van hun uitgekomen tand. Het jukbeen steekt verder naar achteren uit dan het middenpunt van het slaapvenster. Het basioccipitale en het supraoccipitale zijn uitgesloten van het foramen jugale. Het basioccipitale is uitgesloten van het achterhoofdsgat. Het exoccipitale is uitgesloten van de rand van het achterste slaapvenster.

Skelet Op het verhemelte van Jirahgorgon zaten meer dan veertig tanden, een primitief kenmerk dat bij latere gorgonopsiërs ontbreekt die meer gespecialiseerd waren in het toebrengen van een enkele dodelijke beet.

Fylogenie In 2026 werd Jirahgorgon binnen de Gorgonopsia in een nieuw benoemde familie Phorcyidae geplaatst, niet als klade gedefinieerd, als zustersoort van Phorcys.

Het volgende kladogram toont de daarbij gevonden stamboom.

Categorie:Gorgonopsia