Mascha Kaléko (geboren als Golda Malka Aufen; Chrzanów, 7 juni 1907 – Zürich, 21 januari 1975) was een Duitse dichteres, die wordt gerekend tot de Nieuwe Zakelijkheid.

Leven Golda Malka Aufen was het buitenechtelijk geboren kind van de Joods-Oostenrijkse Rozalia Chaja Reisel Aufen en de Joods-Russische koopman Fischel Engel. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 verhuisden aanvankelijk de moeder en haar dochters Mascha en Lea naar Duitsland, om het strijdgewoel te ontvluchten. In Frankfurt am Main bezocht Aufen de Volksschule. Haar vader werd daar op grond van zijn Russische staatsburgerschap als vijandige buitenlander geïnterneerd.

In 1916 trok de familie naar Marburg, ten slotte in 1918 naar Berlijn in stadwijk Spandauer Vorstadt (Grenadierstraße 17 – vandaag Almstadtstraße 19). Hier bracht Aufen haar school- en studietijd door. Hoewel zij een goede leerlinge was en graag later wilde gaan studeren, vond haar vader dat een studie niet noodzakelijk was voor een meisje. In 1922 trouwden haar ouders alsnog, zij werd nu erkend door haar vader en zij kreeg diens achternaam Engel.

Mascha Engel begon in 1925 aan een kantooropleiding aan de sociale dienst voor arbeiders van de joodse Organisationen Deutschlands in de Auguststraße 17. Daarnaast bezocht zij avondcursussen in filosofie en in psychologie, onder andere aan de Lessing-Hochschule in Berlijn en aan de Friedrich-Wilhelms-Universität.

Op 31 juli 1928 huwde zij de bijna 10 jaar oudere leraar Hebreeuws Saul Aaron Kaléko, die zij sinds 1926 had gekend. Aan het einde van de jaren ’20 kwam zij in contact met de kunstzinnige avant-garde van Berlijn, die als ontmoetingsplek het Romanische Café in Charlottenburg had. Hier leerde zij onder anderen de dichters Else Lasker-Schüler en Joachim Ringelnatz kennen.

Mascha Kaléko bracht haar eerste gedicht uit in Der Querschnitt, waarin zij in vrolijke, maar melancholische toon de belevingswereld van gewone mensen en de atmosfeer in het Berlijn van haar tijd weerspiegelde. Vanaf 1930 werkte zij bij de radio en bij het Künstlerkabarett (Küka). Edmund Nick en Günter Neumann zetten haar dichtwerk op muziek, en zij werden voorgedragen door vertolkers en toneelspeelsters als Rosa Valetti, Claire Waldoff en Annemarie Hase.

1933 werd haar Lyrische Stenogrammheft gepubliceerd, waarover de Duitse filosoof Martin Heidegger haar in 1959 schreef: “[…] Uw ‘Stenogrammheft’ zegt, dat u alles weet, wat stervelingen weten kunnen.” De nationale nationaal-socialistische boekenverbranding trof haar succesvolle werk niet. Het was verschenen in januari 1933, en de nazi’s wisten toen nog niet dat Mascha Kaléko een Jodin was. Das kleine Lesebuch für Große verscheen in 1934.

1933/1934 studeerde Kaléko aan de Reimann-Schule in Berlijn, onder andere in de klas voor wervings- en publiciteitsschrijven. In december 1936 werd haar zoon, Eviatar Alexander Michael, in Berlijn geboren. In ballingschap werd zijn naam later veranderd in Steven. De vader was de uit Warschau stammende dirigent en muziekwetenschapper Chemio Vinaver. Op 22 januari 1938 scheidden Saul en Mascha Kaléko zich. Zes dagen daarna huwde zij Chemjo Vinaver. Zij behield de naam Kaléko als schrijversnaam.

Spoedig werden haar boeken als “schadelijke en ongewenste geschriften” door de nazi’s verboden. De kersverse familie emigreerde in september 1938 naar de Verenigde Staten. Beroepsmatig succes voor Vinaver bleef aldaar uit; Kaléko hield de familie met het schrijven van reclameteksten financieel boven water en schreef onder andere kindergedichten. In 1939 publiceerde zij teksten in de Duitstalige joodse Exil-tijdschrift Aufbau (“Opbouw”). In het jaar 1944 kreeg de familie het Amerikaanse staatsburgerschap. Op 6 december 1945 was Kaléko actief aanwezig toen de New Yorkse Progressive Literary Club, een door Heinrich Eduard Jacob opgericht initiatief voor de onderhoud van Duitse literatuur in ballingschap, gestorven dichters herdacht. Een Amerikaanse uitgever gaf in 1945 haar Verse für Zeitgenossen uit. Kaléko leefde tijdens haar verblijf in New York tussen 1942 en 1957 in Greenwich Village. Haar toenmalige adres Minette Street 1 te Manhattan is sinds 2007 voorzien van een gedenkbord.

Na de oorlog vond Kaléko in Duitsland weer een lezerspubliek. Het Lyrische Stenogrammheft werd in 1956 door Rowohlt met succes opnieuw uitgegeven, later ook Verse für Zeitgenossen. Beide werken behaalden de bestsellerlijsten. Daarna waagde Kaléko het naar West-Duitsland terug te keren. In 1960 zou zij de Fontane-Preis van de Akademie der Künste in West-Berlijn toevertrouwd krijgen. Toen zij echter merkte dat de vroegere Standartenführer Hans Egon Holthusen in de jury van de prijs zat, wees zij de nominatie af. De leider van de Akademie, Herbert von Buttlar, verontschuldigde het SS-lidmaatschap van de aan het einde van de oorlog 32-jarige Holthusen, door het een jeugdzonde te noemen. Anderzijds verweet hij Kaléko het verspreiden van valse geruchten en verklaarde dat als het “de emigrant niet bevalt, hoe wij de dingen hier hanteren,” zij weg moest blijven. Hetzelfde jaar emigreerde zij ter wille van haar man met hem naar Jeruzalem. Daar leed zij zeer onder de talige en culturele isolatie en leefde teleurgesteld en eenzaam.

In 1968 stierf na een zware ziekte haar muzikaal hoogbegaafde zoon in New York. In 1973 stierf ook haar man. In haar laatste levensjaar vond zij nog één keer de kracht haar pijn, verdriet en eenzaamheid in gedichten uit te drukken.

In de herfst van 1974 bezocht zij voor het laatst Berlijn en hield daar op 16 september in de Amerika-Gedenkbibliothek een voordracht. Mascha Kaléko was van plan, naast haar woonplaats in Jeruzalem, ook een kleine woning in Berlijn te betrekken, om te kunnen leven daar waar zij haar gelukkige jeugdherinneringen had. Op de weg terug naar Jeruzalem verslechterde haar gezondheid zich zozeer, dat zij een tussenstop moest houden in Zürich, daar naar het ziekenhuis moest en er worden geopereerd. Zij stierf daar op 21 januari 1975 aan maagkanker. Haar graf bevindt zich op het joodse begraafplaats Oberer Friesenberg in Zürich.

Over haar werk Karakteristiek voor Mascha Kaléko’s werk is de grotestadlyriek met ironisch-liefdevol-melancholische toon. Haar prominentste werken in ballingschap verhalen van haar vlucht voor het nationaal-socialistische regime en de daarmee verbonden gevoelens van politieke verdrijving, uitgaande van het antisemitische gedachtegoed van de NSDAP. Als enig bekend voorbeeld van een dichtende vrouw van de Nieuwe Zakelijkheid werd zij vaak met haar mannelijke collega’s vergeleken. Zo werd zij gekenmerkt als de “vrouwelijke Ringelnatz” en de “vrouwelijke Kästner”. Haar gedichten werden – als chansons op muziek gezet – door voordrachtskunstenaressen als Hanne Wieder gezongen of worden door zangers als Rainer Bielfeldt, Günter Gall en Rebekka Ziegler vandaag nog voorgedragen. De zangeres Dota Kehr wijdde drie albums met op muziek gezette werken toe aan Kaléko.

De beheerder van Kalékos literaire nalatenschap was Gisela Zoch-Westphal (1930-2023). Het bevindt zich vandaag de dag in het Deutschen Literaturarchiv Marbach.

Bronnen en referenties

Categorie:Duits schrijver