Wilibald Ludwig Ferdinand Gurlitt (Dresden, 1 maart 1889 – Freiburg, 15 december 1963) was een Duitse musicoloog.
Jeugd en opleiding Wilibald Ludwig Ferdinand Gurlitt werd geboren op 1 maart 1889 in Dresden. Hij was de zoon van Cornelius Gurlitt en Marie Gerlach, en groeide op in een liberaal en goed opgeleid middenklasse gezin met drie kinderen. Zijn vader Cornelius was als kunst- en architectuurhistoricus gespecialiseerd in de gotiek en gaf les aan de van Dresden. Gurlitt had een jongere broer, Hildebrand, en een zusje genaamd Cornelia. Het gezin woonde vanaf 1896 in de in de welvarende buurt in Dresden.
De familie Gurlitt was een gerespecteerde en kunstzinnige familie. Onder de familieleden bevonden zich kunstenaars, musici, kunsthistorici, galeriehouders, theologen, onderwijzers en archeologen. Gurlitt was verwant aan onder anderen kunstschilder Louis Gurlitt, componist Cornelius Gurlitt en hervormingspedagoog Ludwig Gurlitt.
Na het afronden van het in 1908 studeerde Gurlitt aan de universiteit in Heidelberg en Leipzig. Naar eigen zeggen volgde hij aanvankelijk colleges in filosofie en beschavinggeschiedenis, maar richtte zich later vooral muziekwetenschap, in het bijzonder de muziekgeschiedenis van de zestiende en zeventiende eeuw.
Gurlitt schreef in zijn autobiografie (1914) dat hij tijdens zijn jeugd viool studeerde bij Erdmann Warwas, de latere concertmeester van de opera van Dresden. Zijn muziekstudie zette hij verder tijdens zijn studietijd. In Heidelberg werd hij onderwezen in muziektheorie door Clemens Braun, volgde hij contrapuntlessen bij Philipp Wolfrum en kreeg hij orgelles van Karl Straube, organist van de Thomaskirche in Leipzig.
In 1909 en 1910 vervulde Gurlitt zijn dienstplicht bij de in Dresden en volgde tegelijkertijd avondlessen aan de waar zijn vader les gaf. In juni 1914 behaalde hij een doctoraat met een proefschrift over het leven en werk van de Duitse componist Michael Praetorius.
Een maand na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog sloot Gurlitt zich als oorlogsvrijwilliger aan bij het aan het Westfront en klom op tot de rang van luitenant. Op 9 september 1914 raakte hij gewond nabij Sompouis. De volgende dag werd hij door militairen van het Franse leger in krijgsgevangenschap genomen. In juni 1918 werd hij overgebracht naar Zwitserland en aldaar geïnterneerd.
Start loopbaan In juli 1918 trouwde hij in Bern met zijn oud-studiegenote Gertrud Darmstaedter die hij in Leipzig had leren kennen. Samen kregen zij vier kinderen. In juli 1918 startte hij in Basel met het doceren van muziek en muziekgeschiedenis aan geïnterneerde leraren. Dit deed hij in opdracht van het het Badense ministerie van Cultuur in Karlsruhe. Zijn aanstelling in Basel leidde ertoe dat hij in oktober 1919 werd aangesteld als docent muziekgeschiedenis aan de Universiteit van Freiburg im Breisgau. Aan deze universiteit richtte hij in 1920 het studentenensemble op en begon met het opbouwen van een muziekinstrumentencollectie voor de universiteit. Datzelfde jaar werd hij aangesteld als buitengewoon hoogleraar, nadat de reglementen omtrent de benoeming van hoogleraren was versoepeld voor oorlogsveteranen. In 1929 werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar.
Gurlitt deed in deze periode onderzoek naar muziek in het Duitstalige gebied van de middeleeuwen tot de moderne tijd. In zijn onderzoek richtte hij zich met name op de studie van stijl- en klankgeschiedenis. Hoewel hij in de jaren twintig en dertig kritisch was op de Amerikaanse invloed op de Duitse muziek, waardeerde Gurlitt jazzmuziek.
Leven onder het nationaalsocialisme In 1932 werd Gurlitt door Theodor Fritsch in zijn antisemitische boek ('Handboek van de Jodenkwestie') omschreven als 'van Joodse afkomst'. Daarnaast stelde Fritsch dat Gurlitt geen echte wetenschappelijke prestaties had. Vanaf 1933 werd Gurlitt beschouwd als : een persoon met Joodse verwantschappenGurlitt had een Joodse grootmoeder en zijn echtgenote was als kind gedoopt, maar afkomstig uit een Joodse familie..
Desondanks scheef Gurlitt in 1933 een stuk over de Duitse identiteit in de muziek waarin hij Adolf Hitler en diens ideeën prees. Mogelijk kwam zijn steun voor het nieuwe politieke regime voort uit zijn opvoeding: zijn vader was overtuigd dat het pangermanisme, waar alle Duitstalige volkeren in één Duitse staat worden verenigd, de toekomst was. Een andere mogelijkheid is dat hij beïnvloed werd door zijn collega Martin Heidegger, een nationaalsocialistische filosoof en rector van de universiteit. Daarnaast is het ook mogelijk dat Gurlitt zich aanpaste aan de tijdsgeest.
De uitlatingen van Fritsch hadden echter zware gevolgen voor Gurliit. In 1933 verloor hij bij twee verenigingen waar hij betrokken was zijn functie en in de zomer van dat jaar zegden meerdere studenten hun loyaliteit aan Gurlitt op. Op 1 oktober 1937 werd Gurlitt uit zijn functie ontslagen ('gedwongen pensionering').
Op 6 mei 1938 ontving Gurlitt een beurs van 1800 reichsmark van het ministerie van Cultuur en Onderwijs in Karlsruhe om onderzoek te doen naar muziek uit de zestiende eeuw. Daarnaast verdiende hij wat geld door in opdracht van orgelbouwer Oscar Walcker artikelen te schrijven over de bedrijfsgeschiedenis. Publicaties in landelijke dagbladen en aan de NSDAP verwante tijdschriften en organen waren aanvankelijk niet toegestaan. Vanaf eind 1941 werd dit opnieuw toegelaten.
Hoewel zijn kinderen evangelisch gedoopt waren, ondervonden met name zijn drie jongste kinderen grote moeilijkheden in hun dagelijkse leven. Zijn jongste zoon werd in 1941 als Joodse halfbloed uit het leger ontslagen en werd een opleiding aan de Technische Hogeschool in Karlsruhe niet toegestaan. Zijn twee dochters mochten in 1940, na jarenlange onderhandelingen met de rijksautoriteiten, lid worden van de , maar werden in 1942 opnieuw uitgesloten, omdat ze als half-Joden werden beschouwd. Zijn oudste dochter verliet na haar de schoolbanken, maar haar jongere zusje werd in 1942 vanwege anti-Joodse maatregelen van school gestuurd. Twee jaar later dreigen Gurlitt en zijn oudste zoon aangesteld te worden als dwangarbeiders in een bouw- of strafcompagnie. Dankzij bemiddeling door jurist Karl Asal kon dit voorkomen worden.
Gurlitt vertrok met zijn dochters naar Hinterzarten in Baden-Württemberg. Zijn echtgenote Getrud bleef in de eerste instantie achter, maar kwam in februari 1945 tevens naar Hinterzarten nadat ze door buren was gewaarschuwd dat ze opgepakt zou worden door de Gestapo.
Naoorlogse jaren Na het einde van de Tweede Wereldoorlog keerde Gurlitt terug naar de universiteit van Freiburg. Samen met fluitist Gustav Scheck en burgemeester en pianist Wolfgang Hoffmann richtte Gurlitt in 1946 de (Hogeschool voor Muziek Freiburg) op. In juli 1953 ontving hij een eredoctoraat van de theologische faculteit van de Karl-Marx-universiteit in Leipzig.
Gurlitt overleed in Freiburg op 15 december 1963. Hij werd 74 jaar oud.
Categorie:Duits musicoloog