Hans Posse (Dresden, 6 februari 1879 – Berlijn, 7 december 1942) was een Duitse kunsthistoricus, museumdirecteur en als 'speciaal vertegenwoordiger' verantwoordelijk voor de samenstelling van de kunstcollectie van het geplande Führermuseum in Linz.
Posse werd in 1910 aangesteld als museumdirecteur van de in Dresden, wat werd beschouwd als een van de meest prestigieuze posities in de Duitse museumwereld. Onder zijn leiding werd de museumcollectie uitgebreid met modernistische werken, wat in 1933 leidde tot een lastercampagne vanuit nationaalsocialistische kringen. In maart 1938 ging hij gedwongen met pensioen, maar werd enkele maanden later door Adolf Hitler persoonlijk gerehabiliteerd.
Posse werd in juni 1939 door Hitler aangesteld om de kunstcollectie van het geplande Führermuseum samen te stellen. De werken voor deze verzameling waren veelal illegaal verkregen, onder andere door inbeslagname van Joodse eigenaren. Daarnaast verwierf Posse kunstwerken voor bestaande Oostenrijkse musea. Hij ontwikkelde zich hiermee tot een van de hoofdrolspelers in de nazi-kunstroof. In totaal verzamelde Posse ongeveer 1200 schilderijen voor het Führermuseum en verdeelde hij ruim 5000 kunstwerken onder musea in Oostenrijk.
Posse overleed op 7 december 1942 in Berlijn en kreeg in Dresden een staatsbegrafenis. Hij ontving in 1943 postuum het ereburgerschap van de stad Linz.
Jeugd en opleiding Hans Posse werd geboren in Dresden op 6 februari 1879. Hij was de zoon van Otto Adalbert Posse en Selma Helene Tischer. Zijn vader was archivaris, genealoog, historicus en vanaf 1906 directeur van het Staatsarchief van Dresden. Posse groeide op in een conservatief, hoogopgeleid burgerlijk gezin met twee broers.
Van 1889 tot 1898 studeerde hij aan in Dresden en volgde daarnaast privélessen tekenen en schilderen. Direct na het afronden van het gymnasium voltooide hij zijn dienstjaar bij het vervangingsbataljon van het 1e Grenadier Regiment nr. 100. In mei 1899 begon hij met een studie Hilfswissenschaften zijn 'hulpvakken' voor historici, waaronder numismatiek, heraldiek, paleografie en zegelkunde. en Duits in Marburg an der Lahn, maar stopte in 1900 met deze opleiding zonder een diploma behaald te hebben. In oktober van dat jaar startte hij met een studie kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Wenen. Posse had aanvankelijk kunstschilder willen worden, maar realiseerde zich dat hij niet voldoende vaardigheden had. In 1903 behaalde hij zijn doctoraat met een proefschrift over Italiaanse schilder Andrea Sacchi (1599-1661).
Start loopbaan Na het behalen van zijn doctoraat werkte Posse als vrijwilliger in de Berlijnse Gemäldegalerie die werd geleid door kunsthistoricus en curator Wilhelm Bode. Na de opening van het in 1904 verhuisde een deel van de collectie van de Gemäldegalerie naar deze nieuwe locatie. Posse hielp als onderzoeksassistent bij de inventarisatie van de Nederlandse, Duitse en Engelse schilderijencollectie van het . De catalogisering van de collectie leidde tot bekendheid in de kunsthistorische wereld. In 1905 vertrok Posse voor een jaar naar de Italiaanse stad Florence waar hij als assistent aan het Duitse Instituut voor Kunstgeschiedenis verbonden was. Daarnaast deed hij in de Bibliotheca Hertziana in Rome onderzoek naar Romeinse plafondschilderingen van Pietro da Cortona, waarover hij een dissertatie schreef. Na zijn terugkeer werd Posse in april 1909 benoemd tot de assistent van Bode.miniatuur|De Hermitage in Sint-Petersburg met een wandvullende collectiepresentatie (1917) Museumdirecteur Mede dankzij Bode werd Posse in 1910 aangesteld als directeur van de in Dresden, wat werd beschouwd als een van de meest prestigieuze posities in de Duitse museumwereld. Onder Posses leiding werd de collectie tussen 1911 en 1914 sterk gereorganiseerd. Posse verving onder meer het wandvullende Petersburgse ophangsysteem (salonhang) voor een rustigere museumpresentatie. Hij breidde de collectie Duitse schilderijen van het museum uit met werken uit de negentiende eeuw. Zijn voorkeur ging met name uit naar romantische werken van kunstschilders uit Dresden.
Posses loopbaan bij de in Dresden werd onderbroken door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914. Posse diende van augustus 1914 tot en met september 1918 aan het Westfront in Frankrijk en aan het Oostfront. Voor zijn inzet tijdens de oorlog kreeg hij het IJzeren Kruis eerste klasse en tweede klasse. Na afloop van de Eerste Wereldoorlog keerde hij terug naar Dresden waar hij zijn positie als museumdirecteur opnieuw opnam. miniatuur|Een versie van het werk (1907) van Edvard Munch werd in 1928 aangekocht en tentoongesteld in de .
Museumhervormingen Reeds voor de Eerste Wereldoorlog waren hervormingen gestart binnen het museale cultuurbeleid. Het Pruisische Ministerie van Cultuur ondersteunde een liberaal beleid waarbij musea steeds meer werden omgevormd tot openbare onderwijscentra, in plaats van enkel gericht te zijn op de elite. Het ministerie zorgde ervoor dat museumcollecties werden uitgebreid met modernistische kunst, met name expressionistische werken. Het beschouwde het expressionisme als het toonbeeld van de Duitse culturele identiteit en democratie.
In 1919 eisten onder meer kunstschilder Conrad Felixmüller en journalist Carl Puetzfeld het ontslag van Posse, omdat er nog geen expressionistische werken voor het museum waren verworven. Dit had echter niet te maken met de voorkeur van Posse, maar met de conservatieve aankoopcommissie van de . Posse voerde een conflictvermijdend acquisitiebeleid: door controversiële kunstwerken, met name abstracte of provocerende werken, in (permanente) bruikleen te nemen in plaats van ze aan te kopen, vermeed Posse de verantwoordelijkheid voor de verwerving ervan. De aankopen die Posse voor het museum deed waren vrij conservatief; hij kocht onder meer werken van kunstenaars als Caspar David Friedrich, Lovis Corinth en Ferdinand von Rayski.
Vanaf de zomer van 1919 werden meerdere expressionistische werken, van onder anderen Oskar Kokoschka, Edvard Munch en Emil Nolde, aan de collectie toegevoegd. Na de hervorming van de aankoopcommissie in 1920 kreeg Posse meer ruimte moderne kunst voor de collectie te verwerven. Hij ondersteunde onder meer het werk van Kokoschka, wiens werk in conservatieve kunstkringen als controversieel werd beschouwd. Posse had een persoonlijke connectie met Kokoschka, die huurder was van een van de panden die Posse bezat.miniatuur|Sekundogenitur aan de Brühlsche Terrasse, Dresden.|linksminiatuur|Sempergalerie gezien vanaf de Theaterplatz, Dresden.|linksVanwege zijn brede netwerk binnen het Europese museumlandschap en zijn uitgebreide ervaring als tentoonstellingsorganisator, werd Posse benoemd tot commissaris voor het Duitse paviljoen op de de Biënnale van Venetië in 1922 en 1930. Bij de Internationale Kunsttentoonstelling Dresden in 1926 was hij als voorzitter van de artistieke leiding betrokken. Posse presenteerde avant-garde kunst tijdens deze tentoonstellingen als toonaangevend voor de Duitse kunst. De stad Dresden kocht op aanwijzing van Posse tijdens de Internationale Kunsttentoonstelling meerdere werken aan voor de . Posses toewijding aan moderne kunst en steun aan kunstenaars als Kokoschka zorgde voor negatieve reacties van nationalistisch-conservatieve kunstenaars zoals Walther Gasch en Richard Müller. Naar aanloop van de Biënnale in 1930 werd Posse herhaaldelijk in de pers aangevallen.
Voor de Eerste Wereldoorlog had Posse een ontwerp getekend voor een nieuw galerijgebouw voor negentiende en twintigste-eeuwse kunst. De bouw van dit complex startte in 1915, maar werd in 1916 vanwege de Eerste Wereldoorlog stilgelegd. In 1919 werd het project stopgezet. Acht jaar later, in 1927, probeerde Posse het project nieuw leven in te blazen, maar het Saksische parlement wilde de bouw niet financieel ondersteunen. In plaats daarvan opende Posse in 1931 de in de , een voormalig bibliotheekgebouw in Dresden. De collectie van de deze dependance bestond uit negentiende-eeuwse schilderijen. Een jaar later werd de met moderne kunst geopend in de oostvleugel van de Sempergalerie. Nationaalsocialisme miniatuur|, Dresden.Na de machtsovername van Hitler in januari 1933 was de weerstand tegen Posse gegroeid, en lokale nationaalsocialistische partijleden begonnen een lastercampagne tegen hem. Walther Gasch, voorzitter van de regionale nationaalsocialistische kunstenaarsvereniging, had in het voorjaar van 1933 de positie van Posse als museumdirecteur in de pers als ‘onhoudbaar’ bestempeld, maar Posse wist deze beschuldigingen in een memorandum te weerleggen en behield zijn functie. Onder leiding van Gasch probeerden lokale nationaalsocialisten op 12 april 1933 het museum te 'zuiveren' van moderne kunst. Posse bracht hierop belangrijke werken, waaronder een groot werk van Munch, in veiligheid door ze over te brengen naar opslagruimten van het .
Posse vroeg in april 1933 lidmaatschap aan van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP). Zijn voorlopige lidmaatschap werd in december van dat jaar erkend, maar tegenstanders binnen de partij hielden zijn definitieve toelating in 1934 tegen. Posse was geen overtuigd nationaalsocialist, maar steunde het idee van het waar een autoritaire leider alle macht heeft. Dit was gebaseerd op het 'genie'-concept uit de kunstgeschiedenis waar een uitzonderlijk individu boven anderen staat en gezag verdient. Zijn echtgenote Frieda Elise Käpernick, met wie hij op 17 juli 1933 trouwde, was wel partijlid: ze was sinds 1930 aan de NSDAP verbonden.
In 1933 gaf Posse een groot deel van de expressionistische werken die hij in bruikleen had genomen terug aan de rechtmatige eigenaren. Het werk (1920 - 1923) van Otto Dix werd beschouwd als 'cultureel bolsjewisme' en gezien als een symbool van degeneratie. Het was in 1928 verworven door de stad Dresden met financiële ondersteuning van de mecenasvereniging en werd in augustus 1933 door Posse aan de vereniging teruggegeven. Ondanks tegenstand bleef Posse controversiële kunstenaars tentoonstellen. Onder anderen Sterl, Kokoschka, Munch, Beckmann en Nolde behoorden tot zijn persoonlijke favorieten.miniatuur|Bezoek van Adolf Hitler aan de Gemäldegalerie, Dresden (18 juni 1938). Vooraan links: Hans Posse.Op 18 juli 1937 hield Hitler in München een toespraak over de ('Grote Duitse Kunsttentoonstelling') waarin hij moderne kunst als 'verderfelijk' en 'ontaard' bestempelde. De dag na deze toespraak verwijderde Posse werken van Dix, Hofer, Kokoschka en Nolde uit de tentoonstellingsruimte. Op 3 augustus 1937 verwijderde hij tevens de schilderijen van de joodse kunstschilder Max Liebermann voor wie Posse veel bewondering had. Hij bracht de werken vervolgens tevens onder in het .
Hitler gaf op 24 juli 1937 opdracht tot de confiscatie van alle 'ontaarde' werken uit museumcollecties, omdat ze als on-Duits en minderwaardig werden beschouwd. In augustus 1937 werden de Sempergalerie, en de depots van het doorzocht. Tegen december 1937 waren meer dan vijftig werken uit de Gemäldegalerie in beslag genomen. Op 7 maart 1938 werd Posse door Arthur Göpfert, waarnemend hoofd van het Saksische ministerie van Onderwijs, geadviseerd met pensioen te gaan. Posse werd formeel uit zijn functie ontheven, maar bleef zijn werkzaamheden als directeur uitvoeren.
Op 18 juni 1938 bezocht Hitler de Gemäldegalerie waar hij een rondleiding kreeg van Posse. Kort daarvoor had Posse een Duitse afdeling opgericht, waardoor het museum aansloot bij de nazi-ideologie. Mede door bemiddeling van kunsthandelaar Karl Haberstock, een vriend van Posse en vertrouweling van Hitler, werd Posse door Hitler persoonlijk gerehabiliteerd en kreeg hij zijn functie als directeur terug.
Sonderauftrag Linz