Josias Olmius (ca. 1655Het geboortejaar staat niet vast. De Mijn Gelderland-canon vermeldt 1649 te Gelselaar als geboortejaar; W. de Vries (1953) en in zijn voetspoor Dik Nas (2014) komen op grond van archiefonderzoek tot ca. 1655 te Lochem. In dit lemma is de laatste datering aangehouden. – Doetinchem, 1713) was een Nederlands koopman, fabrikant en ondernemer in de Republiek. Hij wordt in de literatuur over de Nederlandse ijzerindustrie aangewezen als stichter van de eerste hoogovengieterij op Nederlandse bodem: de Ysermoele aan de Bielheimerbeek tussen Doetinchem en Gaanderen, waarvoor hij in 1689 octrooi en pacht verwierf. Door regionale historici wordt hij wel beschreven als de eerste industriële ondernemer in de noordelijke Nederlanden.
Familie en jeugd Josias Olmius was de zoon van Johannes Ludovicus Olmius, predikant te Vreden en vanaf 1644 te Gelselaar, en van Margaretha Geverdinck, geboren te Borculo. In 1652 werd zijn vader beroepen tot predikant van de gereformeerde gemeente te Lochem. Het gezin telde zes zonen en twee dochters. Het geslacht Olmius werd door de zeventiende-eeuwse genealoog W. de Vries beschreven in een studie die in 1953 verscheen in De Nederlandsche Leeuw.W. de Vries, 'Olmius', in: De Nederlandsche Leeuw LXX (1953), p. 12-16.
Vóór 1689 zijn er geen sporen van Josias Olmius in Gelderland aangetroffen. Hij vestigde zich op jonge leeftijd in Rotterdam, waar hij als koopman en ondernemer fortuin maakte.
Rotterdamse jaren In Rotterdam was Olmius van 1675 tot 1690 luitenant der burgerij en van 1678 tot 1679 commissaris van het watergerecht. Eind 1674 huwde hij te Hillegersberg met Maria van Schoonhoven, telg uit een hugenotengeslacht. Door dit huwelijk en via de Waalse gemeente verkreeg hij uitgebreide handelscontacten in Frankrijk. Het echtpaar kreeg vier dochters en vijf zonen.
Samen met zijn compagnon Dominicus Roosmale beschikte Olmius over een privilege van de Staten van Holland voor de fabricage van harde witte of gemarmerde zeep, die in de zeventiende eeuw als Spaansche of Marseillaansche zeep bekend stond. In 1687 verkreeg hij van de Staten-Generaal een octrooi voor twintig jaar op een vinding inzake het manufacture van fyn Frans Spiegelglas, op de maniere van groote ronde schyven, ende andere. De voorwaarde dat de productie binnen één jaar moest aanvangen, lijkt niet te zijn nagekomen: in 1689 werd een soortgelijk octrooi aan een andere Rotterdamse koopman verleend. Volgens onderzoeker Dik Nas was Olmius vermoedelijk al te druk met de voorbereiding van het stichten van zijn ijzermolen om aan zijn glasfabrikageverplichting te voldoen.
De ijzermolen aan de Bielheimerbeek
Octrooi en stichting (1689) Op 5 augustus 1689 sloot Olmius een pachtovereenkomst met de magistraat van Doetinchem voor het delven van ijzeroer op stadsgrond en het gebruik van het water van de Bielheimerbeek. De jaarlijkse pachtsom bedroeg tweehonderd gulden voor de eerste zes jaar, met een verhoging na bewezen succes. Op 24 september 1689 verleenden de Staten van het Kwartier van Zutphen hem aanvullend het recht op water en mineraal. In de stedelijke akte werd hij aangeduid als de Hr. Josias Olmius koopman tot Rotterdam.
De ijzermolen, een onderslagmolen die de blaasbalgen van een hoogoven aandreef, kwam omstreeks 1691 in bedrijf. Het was het eerste hoogovenbedrijf op Nederlandse bodem dat met succes gietijzer produceerde. De Achterhoekse historicus J.C. Westermann had in zijn standaardwerk uit 1948 nog gesuggereerd dat eerder in de zeventiende eeuw ook elders in de Republiek met ijzer werd gegoten, maar nader onderzoek heeft uitgewezen dat het bij die eerdere gevallen om octrooien en plannen ging die niet tot uitvoering kwamen.J.C. Westermann, Geschiedenis van de ijzer- en staalgieterij in Nederland (Utrecht 1948).
Ondernemerschap en context De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was in de tweede helft van de zeventiende eeuw aangewezen op invoer van ijzeren oorlogsmaterieel uit het buitenland. Vooraanstaande wapenhandelaren als De Geer en Trip hadden grote belangen in Zweedse en Westfaalse hoogovens en hadden er weinig belang bij dat in eigen land ijzergieterijen ontstonden. Olmius doorbrak die status quo. De benodigde technische kennis vergaarde hij vermoedelijk in Frankrijk, maar in zijn Achterhoekse onderneming zette hij voornamelijk Duitse vaklieden in. De ijzermolen vervaardigde handgranaten, mortierbommen, kanonskogels, kachelplaten en huishoudelijk gietwerk.
Geschillen Het bedrijf werd vanaf het begin geplaagd door geschillen. Reeds in maart 1691 diende baron Frederik van Baer tot Slangenburgh een rekest in bij de Staten van Zutphen, waarin hij klaagde dat zijn landerijen door de opstuwing van de Bielheimerbeek ten gerieve van de nieuw geïnventeerde ijsermolen ernstige schade leden. De Landdag te Nijmegen bepaalde in 1695 dat het water niet hoger dan drie voet mocht worden opgestuwd en alleen tijdens werktijd. Met het delven van oer moest Olmius bovendien minimaal vijf- tot zeshonderd voet (circa 150 tot 180 meter) van de grachten van Slangenburg verwijderd blijven.
Een raadsbesluit van 25 mei 1694 hield Olmius voor dat hij zijn pacht aan de stad Doetinchem niet had voldaan, terwijl hij dagelijcks verscheiden moeijelijckheden veroorzaakte. De stad gaf hem drie maanden om alsnog te leveren, op straffe van ontbinding van het contract. Het langslepende conflict met de heer van Wisch over de waterrechten werd pas in 1718, vijf jaar na zijn dood, door zijn erven definitief geregeld.
Burgerschap Doetinchem Vermoedelijk omstreeks 1691 vestigde Olmius zich te Doetinchem; in 1699 werd hij er burger.
Overlijden en nageslacht Olmius overleed in 1713 te Doetinchem. Zijn erven, onder wie verschillende kinderen, zetten het bedrijf voort. De feitelijke leiding kwam in handen van zijn zoon Gerhard Olmius (Rotterdam, 1688 – ca. 1744), die in Leiden en Harderwijk medicijnen had gestudeerd en in 1711 promoveerde tot doctor in de geneeskunde. Gerhard huwde met Cunegonde Helena Verhuell, met wie hij een zoon (1716) en een dochter (1718) kreeg. Hij was tussen 1719 en 1723 richter in het Ambt-Doetinchem en verkreeg in 1722 het burgerschap van de stad Doetinchem, waar hij van 1727 tot 1744 schepen was en in de jaren 1728, 1734, 1738 en 1743 het burgemeestersambt vervulde. In 1728 verwierf hij het landhuis Dijck bij Didam en later ook de nabijgelegen havezate De Haag.
Een kleinzoon van de stichter, eveneens Josias Olmius (Doetinchem, 1716 – Zutphen, 1797), nam na het overlijden van Gerhard Olmius (rond 1744) het bestuur van de ijzermolen over. Hij was onderluitenant in het cavalerieregiment Hop, schepen van Doetinchem in de jaren 1772-1773 en 1777-1779 en in 1783 burgemeester van Zutphen. Hij huwde in 1738 te Doesburg met Aletta Curtius en overleed kinderloos in 1797. Bij ontbreken van erfopvolging werd de ijzermolen in 1794 verkocht aan de pachters Geert Janssen en Willem de Haas, die het bedrijf verplaatsten naar Laag-Keppel, waar het zou voortbestaan als Keppelsche IJzergieterij.
Een dochter van Gerhard Olmius huwde met baron Zeno Diederik Walraad van Tengnagell, waardoor de familie Olmius zich aan de Achterhoekse adel verbond.
Betekenis Olmius wordt in de canon van Doetinchem en in publicaties van het Nederlands IJzermuseum aangewezen als de stamvader van de Nederlandse ijzerindustrie. Met zijn ijzermolen, die later bekend zou worden onder de aanduidingen Rekhemse IJzermolen of Gaanderense IJzermolen, begon volgens regionale historici aanvankelijk schoorvoetend, de industriële revolutie van Nederland. Zijn voorbeeld kreeg navolging: in 1729 werd in het naburige Duitse Liedern de Sankt-Michaëlis Hütte opgericht, in 1754 startte in Ulft de Olde Hut (de latere DRU), in 1756 de Deventer ijzergieterij van Hendrik Lindeman, later overgenomen door Nering Bögel, en in 1821 het latere Vulcaansoord op de grens van Terborg en Gaanderen.
Een aan Olmius toegeschreven gietijzeren ovenplaat met het motief Pro Patria bevindt zich in het Victoria and Albert Museum in Londen. Het museum dateert deze plaat omstreeks 1700; aangezien er destijds in Nederland geen andere ijzergieterij actief was, moet deze plaat dan wel in de ijzermolen aan de Bielheimerbeek zijn gegoten. Literatuur W. de Vries, 'Olmius', in: De Nederlandsche Leeuw LXX (1953), p. 12-16. J.C. Westermann, Geschiedenis van de ijzer- en staalgieterij in Nederland (Utrecht 1948). H. Hoppenbrouwers, 'Over de oorsprong van de oudste ijzergieterij in Nederland', in: Bijdragen en Mededelingen der Vereeniging "Gelre" 42 (1952), p. 121-122. J. Buitenweg, J. Mooij en J.B. Meijer, De Keppelsche IJzergieterij 1794-1964. Geschiedenis van Nederlands oudste ijzergieterij aan de hand van het bedrijfsarchief (Groningen 1979). M.N. ten Holt, IJzerindustrie in de Oude IJsselstreek of de geschiedenis van de Keppelsche IJzergieterij (Arnhem 1993). R. van Wezel en B. Sorgedrager, IJzer aan de Oude IJssel (Doetinchem 1988). H. de Beukelaar, Nijver in het groen. Twee eeuwen industriële ontwikkeling in Achterhoek en Liemers (Doetinchem 1990).
Externe links De Rekhemse ijzergieterij (canon van Doetinchem, Mijn Gelderland) De Gaanderense IJzermolen (Nederlands IJzermuseum) De Keppelsche IJzergieterij. Het eerstgeboorterecht (achtergrondstudie van Dik Nas, 2014; pdf)
Zie ook Rekhemse IJzermolen Keppelsche IJzergieterij
Categorie:Nederlands ondernemer Categorie:Geschiedenis van Doetinchem Categorie:Geschiedenis van Rotterdam Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 17e eeuw Categorie:Persoon in de Nederlanden in de 18e eeuw Categorie:Geschiedenis van de Achterhoek