Sultan Hamid II (volledige naam: Syarif Abdul Hamid Alkadrie; ook wel Max Alkadrie; 12 juli 1913 – 30 maart 1978) was de 7e sultan van Pontianak, de enige president van de staat West‑Kalimantan (1946‑1950) en een van de vooraanstaande federalistische leiders tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Hij speelde een controversiële rol bij de mislukte APRA‑coup van Raymond Westerling en werd later veroordeeld wegens hoogverraad. Daarnaast is hij bekend als de ontwerper van het Indonesische nationale wapen, de Garuda Pancasila.

Levensloop Vroege leven en opleiding Hamid II werd geboren op 12 juli 1913 in Pontianak als oudste zoon van sultan Syarif Muhammad Alkadrie (sultan Pontianak VI) en diens derde vrouw Syecha Jamilah Syarwani. Zijn roepnaam was Max. Tot zijn twaalfde werd hij opgevoed door twee Britse pleegmoeders, Salome Catherine Fox en Edith Maud Curteis, wat hem een voor die tijd ongebruikelijke, westerse opvoeding gaf. Van 1933 tot 1936 volgde hij een KNIL‑opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda, Nederland. Hij doorliep de opleiding tot officier en bleef zijn leven lang verbonden met de Nederlandse militaire en koloniale wereld.

In 1938 trouwde hij in Malang met Dina (Didi) van Delden (1915–2010), een in Soerabaya geboren dochter van Nederlandse plantage-eigenaren. Het echtpaar had elkaar enkele jaren eerder ontmoet aan boord van het schip waarmee Hamid naar Nederland reisde voor zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Na zijn beëdiging tot tweede luitenant (1936) vestigde hij zich in Malang, de woonplaats van zijn verloofde. Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren: Edith (*1939) en Max jr. (*1942).

Militaire carrière en het sultanaat Na zijn terugkeer in Nederlands‑Indië diende hij als officier in het Koninklijk Nederlands‑Indisch Leger (KNIL) en klom op tot de rang van kolonel. Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog werd hij gestationeerd in Bandoeng, West-Java. Tijdens de Japanse annexatie van Nederlands-Indië (1942‑1945) werd een groot deel van zijn familie op Borneo, waaronder zijn vader de sultan, vermoord. Omdat Hamid op Java was, overleefde hij als enige directe erfgenaam deze zuivering. Na de Japanse overgave in 1945 werd hij door de geallieerde autoriteiten benoemd tot sultan van Pontianak. In 1946 kreeg hij de exclusieve eretitel Adjudant in buitengewone dienst van H.M. Koningin Wilhelmina, een titel die hij zijn leven lang bleef voeren.

Rol in de federalistische politiek Hamid II was een fel tegenstander van de door Soekarno voorgestane eenheidsstaat, die hij beschouwde als een vorm van Javaanse overheersing. Hij werd de leidende figuur van de federalisten en van 1946 tot de ontbinding in 1950 de enige president van de staat West‑Kalimantan.

Als voorzitter van de Bijeenkomst voor Federaal Overleg (BFO) nam hij deel aan alle belangrijke conferenties, waaronder de Malino‑conferentie, de Denpasar‑conferentie en de Rondetafelconferentie (RTC) in Den Haag (augustus‑november 1949). Na de RTC werd hij minister zonder portefeuille in het eerste kabinet van de Verenigde Staten van Indonesië (VSI).

In februari 1949, nog vóór de Rondetafelconferentie, voerde Hamid II als voorzitter van de Bijeenkomst voor Federaal Overleg (BFO) geheime besprekingen om de kloof tussen federalisten en republikeinen te dichten. Tegenover de Amerikaanse consul-generaal in Batavia verklaarde hij dat hij persoonlijk werkte aan een plan om beide partijen te verenigen. Hij uitte daarbij zijn frustratie dat Soekarno en Hatta weigerden formeel met de federalisten te overleggen.Foreign Relations of the United States (FRUS), 1949, Volume VII, Part 1: The Far East and Australasia''. Washington, D.C.: United States Government Printing Office, 1975. Telegram van consul‑generaal Livengood aan de Secretary of State, 22 februari 1949, Document 178, pp. 244‑246.

Betrokkenheid bij de APRA‑coup In de chaotische maanden na de soevereiniteitsoverdracht raakte hij verwikkeld in een complot met de Nederlandse oud‑KNIL‑kapitein Raymond Westerling. Volgens een memorandum van staatssecretaris van Oorlog W.H. Fockema Andreae d.d. 5 mei 1950 bood Westerling hem omstreeks 21 december 1949 het oppercommando over zijn troepen aan. Hamid weigerde aanvankelijk, maar riep Westerling op 6 januari 1950 naar Hotel Des Indes en aanvaardde het commando onder drie voorwaarden: "alleen Indonesiërs mochten tot de troepen behoren; alleen op mijn bevel mocht tot actie worden overgegaan; ik moest gegevens krijgen over sterkte, organisatie, dislocatie, bewapening en financiën (deze heb ik nooit gekregen); ik moest bewijzen krijgen, dat de troepen mij als leider accepteerden." De gewelddadige inname van Bandung op 23 januari 1950 door de paramilitaire eenheden van APRA bezette was volgens Hamid zonder zijn voorkennis gebeurd.

Arrestatie en proces (1950‑1953) Op 5 april 1950 werd Hamid II gearresteerd, samen met zijn naaste medewerkers mr. L. Tielenius Kruythoff en dr. J. Kiers. De beschuldiging luidde: hoogverraad en betrokkenheid bij de APRA‑coup.

Tijdens het proces op 8 april 1953 werd een brief voorgelezen die Hamid op 4 maart 1950 aan koningin Juliana had geschreven. Daarin smeekte hij om persoonlijke bemiddeling en schetste hij een somber beeld van een Indonesië dat afgleed naar 'anarchie en communisme'. Hamid verklaarde voor de rechter dat hij een gedeelte over buitenlandse interventie had doorgestreept omdat hij dat ‘verraad tegenover het eigen land’ vond.

Het speciaal gerechtshof veroordeelde hem tot tien jaar gevangenisstraf wegens hoogverraad. Medegevangene H. Schmidt noteerde later dat Hamid in de Tjipinang‑gevangenis opvallende voorrechten genoot en door bewakers respectvol werd behandeld.

Hamid II onderhield een persoonlijke vriendschap met Paul Spies (1904–1963), een Nederlandse directeur van de Javasche Bank. Hun relatie ging terug tot de jaren dertig, toen Spies vanuit Nederland naar Nederlands-Indië vertrok om de Javasche Bank te werken. Spies werd in 1939 overgeplaatst naar de vestiging in Pontianak, in het westen van Borneo (Kalimantan). Tijdens deze ambtsperiode bouwde Spies een vriendschappelijke en zakelijke relatie met "Max", de erfgenaam van het islamitische sultanaat. Uit Hamids eigen verklaringen blijkt dat Spies hem in januari 1950 belde over een lening door de Javasche Bank aan Raymond Westerling. Na Hamids arrestatie en verhoor, werd ook Spies in november 1950 gearresteerd op verdenking van financiële bemiddeling tussen Hamid en APRA, maar kwam hij na enkele dagen vrij dankzij tussenkomst van sultan Hamengkubuwono IX.

Latere arrestatie en vrijlating (1962‑1966) In 1958 kwam Hamid vervroegd vrij. Op 16 januari 1962 werd hij opnieuw gearresteerd, na zijn aanwezigheid op een crematieceremonie (ngaben) in Gianyar (Bali). De beschuldiging luidde dat deze ceremonie als dekmantel was gebruikt door een groep samenzweerders die een moordaanslag op Soekarno aan het plannen waren. De groep, bestaande uit Indonesische prominenten als Soetan Sjahrir, Mohamad Roem en Anak Agung Gde Agung, zou hierbij samenwerken met ondergrondse organisaties als het ‘Vrijwillige Ondergrondsche Corps’ (VOC) en het 'Nederlandsch-Indische Guerrilla Organisatie' (NIGO). Vier jaar lang werden hij en zijn vermeende handlangers zonder proces vastgehouden in de militaire gevangenis van Madiun. Na de G30S‑beweging (Gerakan September Tiga Puluh) en de gefaseerde afzetting van president Soekarno kwam Hamid vrij in 1966 onder het bewind van generaal Soeharto.

Latere leven en overlijden Na Soeharto's machtsovername werd Hamid in 1967 benoemd tot directeur‑commissaris van Schreiner Airways, een Nederlands luchtvaartbedrijf dat actief was in Indonesië. De joint venture met PT Indonesia Air Transport verzorgde onder meer vluchten voor de oliemaatschappij Pertamina van generaal Ibn Sutowo. Hamid bekleedde die functie tot zijn dood.

Sultan Hamid II overleed op 30 maart 1978 in Jakarta en werd begraven op de koninklijke begraafplaats van de Kesultanan Qadariyyah in Pontianak.

Nalatenschap en eerbetoon Zijn nalatenschap blijft omstreden. Voorstanders zien hem als een principieel federalist en een man van eer, tegenstanders als een samenzweerder die niet terugdeinsde voor geweld. In 2015 werd een voorstel gedaan om hem vanwege zijn rol bij de totstandkoming van het nationale wapen te erkennen als Nationale Held van Indonesië (Pahlawan Nasional). Het verzoek is tot op heden niet gehonoreerd, onder meer vanwege zijn betrokkenheid bij de opstand tegen de republiek.

Ontwerper van het Indonesische wapen Naast zijn politieke en militaire rol is Hamid II vooral bekend als de ontwerper van het Indonesische nationale wapen, de Garuda Pancasila. Als minister van Staat RIS diende hij een ontwerp in dat na een prijsvraag werd gekozen. Op 8 februari 1950 werd het aan president Soekarno voorgelegd en op 11 februari 1950 officieel aangenomen.

Categorie:Sultan Categorie:Borneo Categorie:Indonesisch persoon