Maria Caterina Rosalbina Caradori-Allan (Milaan, 1800 - Surbiton, 15 oktober 1865) was een sopraan die het grootste deel van haar carrière in Engeland doorbracht. Ze zong in diverse opera's maar zou vooral bekend worden als zangeres in concerten en oratoria.

Levensloop Rosalbina werd in Milaan geboren als dochter van Baron Antoine de Munck, een edelman uit de Elzas die in het Franse leger had gediend. Ze kreeg muziekles van haar moeder Elizabeth Christina, die afkomstig was uit Italië of Sint-Petersburg.

Na het overlijden van haar vader kwam het gezin in geldproblemen, waardoor Rosalbina inkomsten moest gaan halen uit haar zangkunsten. Ze werkte in december 1819 in Parijs en was te horen in diverse salons. Ook gaf zij in deze stad in 1821 een aantal liederen uit.

Op 30 juli 1821 trad ze voor het eerst op in Londen. In 1822 debuteerde ze bij het King's Theatre in Londen met een rol in Le nozze di Figaro, waarbij ze voor het eerst gebruik maakte van de achternaam van haar moeder. Twee jaar later trouwde Rosalbina met Edward Thomas Allan, secretaris bij het King's Theatre. Het stel kreeg in 1824 een zoon Edward.

In 1825 was ze te horen in de negende symfonie van Beethoven, uitgevoerd door de London Philharmonic Society.

Rosalbina was in 1830 in Venetië waar ze de rol van Giulietta zong in de opera I Capuleti en i Montecchi van Vincenzo Bellini. Verder zong zij in Otello, Il barbiere di Siviglia en La sonnambula van Rossini.

Haar zangcarrière richtte zich grotendeels op concertuitvoeringen, waar haar stem beter tot zijn recht kwam. Zo was ze actief op diverse Engelse kerkfestivals, zoals in de Westminster Abbey in 1834. In 1836 was zij op het Manchester Festival, waar ze optrad met Maria Malibran.

In de jaren 1837-1839 maakte zij een succesvolle tournee door de Verenigde Staten.

Van 1843 tot 1847 was Rosalbina opnieuw actief in Engeland, waar ze concerten gaf en optrad in oratoria. In 1846 zong Rosalbina in Birmingham in de première van Mendelssohns Elijah.

In 1851 ging ze met pensioen. Haar echtgenoot overleed in 1862. Rosalbina stierf drie jaar later aan kanker.

Waardering Rosalbina werd beschouwd als een vriendelijke persoon met een hoog moreel besef. Ze sprak vier talen, waaronder Engels. Ze was in staat om nieuwe composities direct na te zingen, mede door het gemak waarmee ze noten kon lezen.

Over haar zangstem meldden critici dat deze een gering volume had, waardoor ze de grote operatheaters moeilijk zou kunnen bespelen. Ze had wat dat betreft haar tijd ook tegen: het publiek had destijds een voorkeur voor volumineuze stemmen en expressief acteerwerk, en Rosalbina paste daar niet echt in. Haar stem kwam dan ook beter tot zijn recht in de kleinere concertzalen, waar ze uitermate succesvol was met zowel opera's als oratoria.

Mendelssohn was niet onverdeeld gelukkig met haar uitvoering in Elijah: ze zong volgens hem elegant en plezierig, maar tegelijk zielloos, vlak en harteloos. Een muziekrecensent als Henry Chorley beschouwde Rosalbina als een eersteklas zangeres van de tweede categorie: ze kon weliswaar vlekkeloos zingen, maar het was zonder passie.

Rosalbina was ook actief als componiste en schreef enkele liederen, zoals La plus jolie, La sourire en La fileuse. Deze werden goed ontvangen.

Categorie:Brits zanger