miniatuur|De schepen van de Militaire Commissie Zephyr en Havik en andere oorlogsschepen (Amazoon, Komeet en Scipio) bij de Kaap de Goede Hoop in 1792. De Militaire Commissie naar Oost-Indië werd in december 1786 op verzoek van de Heren XVII ingesteld door stadhouder Willem V en de Staten-Generaal, en voerde in de periode 1789-1793 met de schepen Zephyr en Havik een inspectie uit van de staat van verdediging van de VOC-bezittingen in Azië en deed voorstellen tot verbetering. De commissie bestond uit ingenieurs, zeeofficieren en landofficieren en stond onder leiding van kapitein-ter-zee Jan Olphert Vaillant.
Aanleiding miniatuur|283x283px|Jan Olphert Vaillant. Het ging de VOC op het eind van de 18e eeuw niet voor de wind. Vooral de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784) had het bedrijf veel schade toegebracht. De Britten hadden veel retourschepen gekaapt en op diverse locaties in Azië pakhuizen geplunderd en fortificaties verwoest. De Staten-Generaal zonden na afloop van de oorlog drie opeenvolgende marine-eskaders naar Indië om de reputatie van de VOC te helpen herstellen. Op 22 november 1785 vroegen de Heren XVII om bovendien een aantal capabele ingenieurs en militairen naar Azië te sturen om de staat van verdediging van de bezittingen van de VOC te beoordelen en om voorstellen tot verbetering te doen, vanwege ‘het gebrek aan vereiste kundigheid van de leden der Hoge Regering en de opperofficieren der Compagnie’. Op 4 december 1786 stemden de Staten-Generaal daarin toe. Op advies van de advocaat-fiscaal van de Admiraliteit van Amsterdam Joan van der Hoop werden voor deze Militaire Commissie twee Amsterdamse fregatten bestemd, de Zephyr en de Havik, en werd de leiding opgedragen aan de zeeofficieren Jan Olphert Vaillant en Christiaan Antonij Ver Huell.Christiaan Anthonij Ver Huell (1760-1832) was een oudere broer van Carel Hendrik Ver Huell. Hij vocht als luitenant-ter-zee in de Slag bij de Doggersbank en werd op zijn 23e kapitein-ter-zee. Na zijn tocht met Vaillant naar Oost-Indië werd hij adjudant van luitenant-admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen. Na de Bataafse Revolutie nam hij ontslag bij de marine en koos hij voor een bestuurlijke loopbaan die hem uiteindelijk naar Frankrijk bracht. Vaillant omdat hij ‘een van die weinige officieren is, die in het Groot denkt en werkt’, en Ver Huell omdat hij al eens in Indië was geweest en er een 'excellente memorie & observatie’ over had geschreven. Vaillant werd als oudste officier commandant van de commissie.Vaillant was toen 35. Ver Huell was 28. In oktober 1788, vlak voor het vertrek, werd nog een derde commissielid aangenomen als commandant van de landmilitairen: de 28-jarige infanterieofficier Johan Frederik Levinus Graevestein.Johan Frederik Levinus Graevestein (1760- voor 1800) werd in 1783 aangesteld in de Eerste Lijf Compagnie Grenadiers van Willem V in het garnizoen in Den Haag, in 1787 wachtmeester en majoor in het Regiment Gardes te Voet in de Infanterie. Onder de aangeworven luitenants en adelborsten waren verscheidene jonge zeelieden die het later ver zouden brengen, waaronder de viceadmiraals Arnold Buyskes, Anthony TwentAnthony Cornelis Twent (28 september 1771 – 3 januari 1851) werd in oktober 1788 luitenant-ter-zee. Hij ging na de Bataafse Revolutie in Britse dienst (1799-1800), in Russische dienst (1804-1808) en in Franse dienst (1810-1813). Op 1 juli 1814 kwam hij opnieuw in Nederlandse dienst als kapitein-ter-zee. Op 1 april 1830 werd hij schout-bij-nacht en op 1 juli 1839 viceadmiraal. Op 1 januari 1844 verliet hij de marine., Jan Daniël MusquetierJan Daniël Musquetier (Leiden, 31 augustus 1766 - Utrecht, 13 oktober 1831), werd in april 1781 luitenant-ter-zee bij de Admiraliteit van Amsterdam. Na de oprichting van de Bataafse Republiek werd hij op 27 februari 1795 net als alle marineofficieren ontslagen. Hij kwam in 1796 of 1797 weer in dienst als kapitein-ter-zee. In 1808 werd hij brigadier, en in december 1810, nadat het Koninkrijk Holland was ingelijfd in het Eerste Franse Keizerrijk, capitain de vaisseau eerste klasse. Op 1 juli 1814 werd hij in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden schout-bij-nacht, en in 1824 viceadmiraal. en de latere admiraal in Russische dienst Louis van HeidenLouis van Heiden was de tweede zoon van de landdrost van Drenthe en kamerheer van Willem V, de graaf van Heiden-Reinestein. Hij vergezelde Vaillant op de Scheveningse vissersboot waarmee Willem V tijdens de Bataafse Revolutie naar Engeland vluchtte. Met Vaillant week hij daarna uit naar Rusland en maakte daar carrière. Eerst op de Zwarte Zeevloot en daarna als bevelhebber van de vloot op de Oostzee. Daar versloeg hij in 1808 en 1809 drie keer een Zweeds eskader. In 1813 vocht hij in het beleg van Danzig. In 1827 was hij viceadmiraal in een Brits-Frans-Russische vloot die Griekenland bevrijdde uit Ottomaanse heerschappij. Hij bracht het tot admiraal en militair commandant van Tallinn, waar hij in 1850 stierf. In Athene werd een straat naar hem vernoemd en nog in 1927 werd in Griekenland een postzegel uitgegeven waarop hij afgebeeld staat.. Jan Frederik Reitz werd stamouer in Zuid-Afrika. Anderen overleefden de tocht niet.
Kaapkolonie miniatuur|267x267px|Christiaan Ver Huell. De Zephyr en de Havik vertrokken op 27 februari 1789. De Zephyr had een bemanning van 210 en was bewapend met 36 kanonnen. De Havik was een korvet, een klein type fregat met een bemanning van 90 en bewapend met 20 kanonnen. Het was 25 meter lang en had een diepgang van slechts 4 meter, wat het erg geschikt maakte als verkenningsvaartuig in ondiepe kustwateren. Op volle zee was het echter minder snel dan de Zephyr. Dat jaar vertrok ook het derde marine-eskader naar Azië onder leiding van Anthonie Hendrik Christiaan Staring. Het volgde op de eerdere eskaders van Jacob Pieter van Braam en Willem Silvester.Willem Silvester (ca. 1730-1786) diende als kapitein van de Valk op konvooien in de Middellandse Zee en West-Indië. Hij was in 1779 onder schout-bij-nacht Lodewijk van Bylandt betrokken bij het Treffen tussen Fielding en Van Bylandt bij het eiland Wight. Hij stierf tijdens de reis van zijn Indisch eskader in Malakka in 1788. miniatuur|249x249px|Johan Graevestein. Op 23 mei aangekomen in de Simonsbaai van de Kaapkolonie onderzocht de commissie daar de verdedigingswerken en stelde in samenspraak met de gouverneur Cornelis Jacob van de Graaff plannen ter verbetering op. Helaas bleken Van de Graaff en de commandant van het garnizoen Robert Jacob Gordon door onenigheid niet meer op voet van spreken te zijn, tot verdriet van Vaillant en Ver Huell, die voor beiden veel respect hadden. Tot 4 oktober verbleven ze aan de Kaap en zonden toen een uitgebreid rapport met voorstellen en bijbehorende kaarten en bouwtekeningen aan Willem V, getiteld Memorie betreffende den Militairen Staat des Gouvernements Cabo de Goede Hoop. Ze voorzagen dat de aanleg van de benodigde extra fortificaties lang zou duren omdat er aan de Kaap te weinig ingenieurs en werklieden waren. In privébrieven aan Van der Hoop klaagde Vaillant over de tegenvallende prestaties van de jonge ingenieurs Drenthenius van Lier en G.E. Schenk en over de weigering van de merendeels Pruisische militairen op de Zephyr om Nederlands te leren. Ook was hij erg kritisch over de Kaap in het algemeen. Van de Graaff was impopulair en de burgerbevolking was boos over de weigerachtigheid van de VOC om hen meer vrijheid van handelen toe te staan. Van der Hoop werd door Vaillants brieven over de Kaap bevestigd in zijn pessimisme over het bestuur van de VOC, dat volgens hem vooral gekenmerkt werd door een hang naar ‘monopolie en despotisme’. Verbetering zag hij niet zo snel gebeuren en zou beter ‘moeten worden toegebragt door een aardbeving - door een Banquerout - iegenswoordig ben ik bezig alle de materialen te verzamelen en de geesten allengskens op te leyden tot die operatie.’ Na het vertrek van de Militaire Commissie begon Van de Graaff direct met de aanleg van de benodigde fortificaties maar hij zou het werk vanwege geldgebrek van de noodlijdende VOC niet afmaken. In maart 1791 verscheen het rapport van de advocaat van de VOC Sebastiaan Nederburgh met voorstellen voor vergaande bezuinigingen. Van de Graaff moest toen terugkeren naar Nederland.
India en Ceylon miniatuur|Kaart van C.F. Reimer met voorgestelde contregardes rond Fort Colombo. De Zephyr en de Havik staken de Indische Oceaan over en arriveerden op 13 december in Colombo, de hoofdstad van het VOC-gebied op het eiland Ceylon. Hier sloot de majoor-ingenieur Carel Frederik Reimer zich bij de Militaire Commissie aan.Geboren als Carl Friedrich Reimer in Koningsbergen in Oost-Pruisen en trad hij in 1767 in dienst van de VOC als chirurgijn en werd geplaatst in Colombo. Hij ontwikkelde zich daar als militair en specialiseerde zich in het ontwerpen van fortificaties en waterbouwkundige werken. Hij was voor dat doel door de Raad van Indië vanuit Batavia naar Colombo gezonden om de schepen daar op te wachten, hoewel de Heren XVII daar niet om hadden gevraagd. Naast zijn bijdrage aan het werk van de commissie moest Reimer gouverneur-generaal Willem Alting en zijn raad op de hoogte houden van de activiteiten van de commissie. De ingenieur Van Lier vroeg juist verlof om in Colombo achter te mogen blijven. Hij stierf korte tijd later, na volgens Vaillant ‘als een zwijn geleeft te hebben’. ‘Hij was meest dronken en was een regte leelikert’. miniatuur|De vestingwerken van Cochin met voorgestelde verbeteringen. Na een kort bezoek aan Cochin aan de Malabarkust van India, waar de radja van Cochin de commissie met een bezoek vereerde, keerden de schepen weer terug naar Ceylon, waar zij via Galle naar Trincomalee zeilden aan de oostkust van het eiland. Hier liep de Zephyr op 18 juni 1790 bij het binnenvaren van de baai op een onder de waterspiegel gelegen rots en raakte lek. Het kostte vanwege de afwezigheid van faciliteiten en de primitieve omstandigheden meer dan twee maanden om op het eilandje Dwars-in-de-Weg de kiel van het schip te repareren. Vanwege de hitte kon een groot deel van de dag niet gewerkt worden. De bemanning sliep op het eilandje in tenten die gemaakt waren van de zeilen, 'veel last leidende van allerlei lastig ongedierte, als schorpioenen, duizendbeenen, groote en vergiftige spinnen, slangen enz. enz. waartegen men aanhoudend wagt moest houden'. miniatuur|250x250px|Situatie en plan voor uitbreiding van Fort Frederick in Ceylon. Eind augustus zeilde men door naar de Coromandelkust van India. Hier deed men Tranquebar aan, waar men met ‘ongemeen veel beleefdheid behandeld’ werd, en vervolgens het Britse fort St. George in Madras. Daar constateerde Vaillant dat het met het bestuur van de Britse Oost-Indische Compagnie nog slechter gesteld was dan met dat van de VOC. Functies werden in Engeland verkocht aan jongere zonen van aristocraten, die in Madras vooral een goed leventje leidden in plaats van te werken. In het binnenland was het erg onrustig. Het Britse leger was in oorlog met Tippu Sahib. Vaillant besloot het Franse Pondicherry over te slaan vanwege berichten over revolutionair oproer. In Paliacatte werd wat langer halt gehouden. Hierna stak men de Golf van Bengalen over naar Malakka en arriveerde op 15 november in Batavia. De slechte indrukken die Vaillant aan de Kaap had opgedaan werden op de verdere reis niet herhaald. Vanuit Batavia schreef hij aan Van der Hoop: ‘Met dat al geloof ik, dat een onpartijdig onderzoek veel meer verwaarlozing in Nederland [bij het VOC-bestuur] zou vinden als in Indien, want behalven aan de Caap, hebben wij overal veel blijken van goede ordre en in agt neeming van de belangen van de OIC ontwaard’.
Oost-Indië miniatuur|Kaart van Malakka en het fort.