Onder de appelboom is een gedicht van de Nederlandse dichter Rutger Kopland (1934–2012). Het verscheen in 1966 in zijn debuutbundel Onder het vee, uitgegeven door G.A. van Oorschot te Amsterdam. Het wordt tot de bekendste gedichten van Kopland gerekend en is in vele bloemlezingen opgenomen.
Inhoud Het gedicht beschrijft een zomeravond waarop de spreker thuiskomt en op een tuinbank onder een appelboom plaatsneemt. Hij observeert de buurman die spit, het vallend licht in de boom, de geur van hooi, het lachen van kinderen in bad en het overvliegen van ganzen. Aan het eind komt een geliefde naast hem zitten, "zeldzaam zacht en dichtbij voor onze leeftijd". Het gedicht bestaat uit vier strofen in vrij vers, zonder rijm of vast metrum.
Plaats binnen het oeuvre Onder de appelboom is het vijfde gedicht in Onder het vee, de debuutbundel waarmee Kopland in 1966 doorbrak. De bundel beleefde twaalf drukken voordat hij in 2006 werd opgenomen in de Verzamelde gedichten. Het gedicht is door commentatoren beschreven als een sleutelwerk in Koplands poëtica van het alledaagse, waarin een ogenschijnlijk gewone scène kantelt naar een moment van vervoering — de regel "toen werd het langzaam weer te mooi om waar te zijn" wordt vaak aangehaald als typerend voor die werking.
Receptie Het gedicht is opgenomen in talrijke bloemlezingen van de Nederlandstalige poëzie. In de bundel Gedichten die mannen aan het huilen maken (Prometheus, 2015) koos acteur Jeroen Krabbé het gedicht als het vers dat hem het diepst raakt. Krabbé wijst daarbij op de "ijle lichtheid" van Koplands taal en op het vermogen van het gedicht om met sober taalgebruik een sterk gevoel van vergankelijkheid op te roepen.
Externe links
Bronnen
Categorie:Nederlandstalig gedicht