De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten is een bloemlezing uit de Nederlandse poëzie, samengesteld door Gerrit Komrij en in 1979 uitgegeven door Bert Bakker. De omvangrijke verzameling, alfabetisch geordend op auteur, groeide binnen een paar jaar uit tot wat in de wandelgangen de bijbel van de Nederlandse poëzie werd genoemd en kreeg de status van canon mee.

De bloemlezing was de eerste in een reeks die Komrij in de decennia daarna zou voortzetten en uitbreiden, en vormde de aanleiding voor een geruchtmakend kort geding dat vier Vijftigers tegen de uitgever aanspanden.

Achtergrond miniatuur|Gerrit Komrij, 1981 Komrij gold in de jaren zeventig al als criticus en polemist, en had als dichter onder meer de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam gewonnen voor Alle vlees is als gras, of Het knekelhuis op de dodenakker (1970). De uitnodiging voor de bloemlezing kwam van zijn uitgever, die hem had gevraagd zijn eigen ideeën over de dichtkunst op een rij te zetten. Komrij verklaarde later dat het project oorspronkelijk was bedoeld om zijn eigen poëzie te verklaren, niet om een representatief overzicht van de Nederlandse dichtkunst te geven.

In de polemische bundel Heremijntijd (1978) had hij zich kort daarvoor uitgesproken tegen de gevestigde reputatie van de Vijftigers: "De fut is eruit, uit de Vijftigers, ze zijn gevestigd en tandeloos." Die positie zou in de selectie van de bloemlezing voelbaar worden.

Inhoud en selectie De bundel bevat ruim duizend gedichten, alfabetisch geordend op auteursnaam, met een maximum van tien gedichten per dichter. Komrij koos uitdrukkelijk op persoonlijke smaak en niet op grond van een literair-historische evenwichtigheid. Hij gaf de voorkeur aan anekdotische, ambachtelijke, vaak op klank en metrum gestoelde poëzie en onderwaardeerde de experimentele richting bewust.

In een (ironisch geformuleerde) inleiding stelde Komrij dat de gedichten zo gekozen waren dat ze "de geest scherpen" en de goede smaak bevorderen, "twee zaken die, ik weet het, zéér uit den boze zijn, ja uitgesproken… reactionair". Op aanraden van redacteur Marko Fondse werd aan de inleiding een noot van de uitgever toegevoegd waarin werd vermeld dat de dichters J. Bernlef, Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en Bert Schierbeek het niet eens waren met de gemaakte keuze.

Rel en kort geding De verschijning leidde tot heftige polemiek. Critici uit de kring van de Vijftigers meenden dat Komrij een hele stroming uit de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie de mond probeerde te snoeren. J. Bernlef formuleerde het in de Haagse Post van 19 januari 1980 als "een welbewuste poging om een van de belangrijkste stromingen in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie onder tafel te werken".

Op 22 januari 1980 spanden Remco Campert, Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek en Lucebert een kort geding aan tegen uitgeverij Bert Bakker. Hun argument was dat Komrij hun gedichten zonder toestemming had opgenomen; daarachter ging echter de bredere onvrede schuil over de positie die de Vijftigers in de bloemlezing kregen toebedeeld. De rechter wees de vordering af. De redenering, die juridisch hout sneed maar de feitelijke aard van het boek geen recht deed, was dat het ging om een schoolbloemlezing, waarvoor zonder toestemming van de auteur maximaal honderd regels mochten worden opgenomen. De bloemlezing hoefde niet uit de handel.

De rel deed de verkoop geen kwaad. Achteraf wordt vrij algemeen aangenomen dat juist de commotie ervoor heeft gezorgd dat de bundel de canonieke status verwierf waarmee zij nu wordt vereenzelvigd.

Latere edities en opvolgers Komrij breidde zijn bloemlezing in latere drukken uit en herzag de selectie. In 1996 werd het boek samen met De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in duizend en enige gedichten (1986) en De Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in duizend en enige gedichten (1994) gebundeld in een uitgave van ruim 4100 bladzijden, met een opnieuw herziene selectie van het moderne werk.

In 2004 verscheen, met Komrij inmiddels als Dichter der Nederlanden, een sterk uitgebreide editie onder de titel Gerrit Komrij's Nederlandse poëzie van de 19de t/m de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten. Daarin werden onder meer dichters opgenomen die eerder hadden ontbroken (zoals Annie M.G. Schmidt, van wie de erven nu wel toestemming gaven), naast een nieuwe generatie als Ingmar Heytze en Hagar Peeters. Gerard Reve ontbrak traditiegetrouw. De selectie was in deze versie genereuzer en representatiever; sommigen schreven dat toe aan Komrij's gevoel van verantwoordelijkheid voor de Nederlandstalige poëzie als geheel.

Na Komrij's overlijden in 2012 nam Ilja Leonard Pfeijffer de fakkel over met De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten (2016), waarin hij uitdrukkelijk zijn eigen, eveneens eigenzinnige koers voer.

Betekenis De bloemlezing wordt algemeen beschouwd als een van de invloedrijkste poëzie-uitgaven van na de oorlog. Zij verlegde de bakens van de canon, zette de gevestigde literatuurgeschiedschrijving onder druk en bracht honderdduizenden lezers voor het eerst in aanraking met de Nederlandse poëzie. Tegelijk gaf zij het bloemlezen in het Nederlandse taalgebied een nieuw, persoonlijk en polemisch karakter, waarin de samensteller niet de neutrale gids is maar de auteur van een eigenzinnige leeswijze.

Zie ook Gerrit Komrij Vijftigers Bloemlezing

Externe links Gerrit Komrij als bloemlezer, Koninklijke Bibliotheek Ad Zuiderent over het kort geding van 22 januari 1980, DBNL Komrij bepaalt de canon, Literatuurmuseum

Noten

Categorie:Nederlandstalig gedicht Categorie:Werk van Gerrit Komrij Categorie:Boek uit 1979