Benjamin Baruch Ambrose (Warschau, 11 september 1896 – Leeds, 11 juni 1971), beter bekend als Bert Ambrose of kortweg Ambrose, was een Brits orkestleider en violist van Pools-Joodse afkomst. Hij stond aan het hoofd van Ambrose & His Orchestra, een van de toonaangevende Britse dansorkesten van de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw. Het orkest verwierf nationale faam door zijn residenties in het Embassy Club en het May Fair Hotel in Londen en door geregelde live-uitzendingen op de BBC.
Jeugd en eerste jaren in New York Ambrose werd geboren in Warschau in een joods gezin, in een periode dat de stad deel uitmaakte van Congres-Polen binnen het Russische Rijk. Zijn ouders, Lewis en Rebecca Ambrose, emigreerden tijdens zijn jeugd naar Londen, waar hij volgens de Engelse volkstelling van 1911 als Barnett Ambrose werd vermeld in de woning van zijn vader, een dealer in rags (lompenhandelaar).London Remembers, 'Bert Ambrose'.
Op zijn vijftiende reisde Ambrose met een tante naar New York, waar hij zijn eerste professionele engagementen kreeg als violist in het restaurantorkest van Emil Coleman in Reisenweber's, en daarna in de big band van het Palais Royal.Scott Yanow, 'Bert Ambrose', AllMusic.'Ambrose Orchestra', AllMusic, biografie. Vanaf 1917 leidde hij het orkest van Club de Vingt in New York, een functie die hij tot 1920 zou bekleden. Op 5 juni 1918 schreef hij zich in voor de Amerikaanse dienstplichtregistratie als Bert Ambrose, met als geboorteplaats Warschau en als nationaliteit Russisch.United States, Selective Service System, Draft Registration Cards, 5 juni 1918, Local Board Division 169, City of New York.
Embassy Club en May Fair Hotel In 1922 keerde Ambrose terug naar Londen, waar hij werd gevraagd een zevenkoppig orkest samen te stellen voor de Embassy Club. Een dispuut met zijn werkgever bracht hem in 1924 terug naar New York, waar hij een jaar lang het orkest leidde van Clover Gardens. Hij keerde naar eigen zeggen pas terug naar Londen na een telegram van de Prins van Wales (de latere Edward VIII), die hem schreef: The Embassy needs you. Come back. Edward.'Ambrose', biografie op Qobuz, geciteerd uit AllMusic.
Aan de Embassy Club bleef Ambrose tot 1927. Omdat de club uitzendingen op de radio weigerde — een aanzienlijk nadeel voor een ambitieus orkestleider — aanvaardde hij vervolgens een aanbod van het May Fair Hotel, waarvan het contract wél BBC-uitzendingen toeliet. Zijn jaarsalaris bedroeg in deze periode tienduizend pond sterling. Ambrose maakte vanuit het May Fair plaatopnamen voor Brunswick Records, His Master's Voice en Decca Records, en bouwde een vaste BBC-aanwezigheid op.Wyastone Estate Limited, hoesnotities bij Ambrose & His Orchestra: When Day Is Done. His 51 Finest 1928–1944 (Wyastone Leys, Monmouth).
In 1933 weigerde Ambrose een door het May Fair voorgestelde salarisverlaging en keerde terug naar de Embassy Club. Na een nationale tournee en het afwijzen van Amerikaanse aanbiedingen ging hij in 1936 weer naar het May Fair, ditmaal in compagnonschap met de Amerikaanse orkestleider Jack Harris. Samen kochten zij in 1937 Ciro's Club.
Het orkest Ambrose & His Orchestra werd door tijdgenoten en latere musicologen beschouwd als het enige Britse dansorkest dat zich kon meten met de toonaangevende Amerikaanse big bands van de jaren twintig en dertig.Wyastone Estate Limited, Ambrose & His Orchestra: When Day Is Done. Ambrose stond bekend om het werven van topmusici. Onder zijn vaste of tijdelijke medewerkers bevonden zich de Amerikaanse trompettist Sylvester Ahola en klarinettist Danny Polo, de Britse trombonist Ted Heath, de pianist Stanley Black, de saxofonist Joe Crossman, de trombonist George Chisholm, de trompettist Max Goldberg en de saxofonist Bert Amstell. De arrangementen werden voor een groot deel verzorgd door Sid Phillips, die in totaal negen door tijdgenoten hooggewaardeerde opnames voor het orkest schreef, waaronder Cotton Pickers' Congregation.
Het herkenningsnummer van het orkest was When Day Is Done, opgenomen in 1928. Andere geliefde opnamen waren Singapore Sorrows (1928), Out of Nowhere, A Bench in the Park en Leven-Thirty Saturday Night.
Zangers en zangeressen Ambrose huurde een reeks vooraanstaande zangers en zangeressen in, onder wie Sam Browne, die op zeventien tracks zou zingen en in zijn tijd na Al Bowlly gold als de populairste mannelijke Britse dansorkest-zanger, en daarnaast Elsie Carlisle, Evelyn Dall, Denny Dennis, Anne Shelton en de drummer-zanger Max Bacon.'Lynn, Vera (1917—)', in: Encyclopedia of Women's Biography, via Encyclopedia.com.
Zijn belangrijkste ontdekking in de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog was de zangeres Vera Lynn, die zich in 1937 bij het orkest voegde en daar tot 1940 zou blijven.Encyclopædia Britannica, 'Vera Lynn'. Lynn trad met het orkest op in de radioshow Life from Mayfair en zou later We'll Meet Again voor het eerst in het najaar van 1939 op tournee met het orkest zingen. In 1938 maakte zij met het Ambrose Orchestra een tournee door Nederland — haar tweede reis buiten het Verenigd Koninkrijk. In 1941 trad Lynn in het huwelijk met Harry Lewis, klarinettist en saxofonist in het orkest.
Latere jaren Na een korte terugkeer naar het May Fair Hotel trok Ambrose zich in 1940 terug als uitvoerend orkestleider, hoewel zijn orkest tot 1947 opnamen voor Decca bleef maken. Verschillende leden voegden zich tijdens de Tweede Wereldoorlog bij The Squadronaires, het officiële orkest van de Royal Air Force.
Vanaf 1938 leidde Ambrose naast het grote orkest ook een octet, waarmee hij in variététheaters en music halls speelde. In de jaren vijftig en zestig werkte hij als impresario en bracht hij artiesten onder zijn hoede, onder wie de zangeres Kathy Kirby, die hij ontdekte en in de jaren zestig naar succes leidde. Zijn laatste landelijke tournee in Groot-Brittannië vond plaats van mei tot september 1956.
Met de opkomst van de rock-'n-roll verslechterde zijn financiële positie in de jaren vijftig sterk; hij was genoodzaakt op te treden in kleine clubs met losse musici, ondanks een aantal MGM-opnames en optredens in het Londense West End.
Overlijden Op 11 juni 1971 zakte Ambrose tijdens de opname van een televisieshow met Kathy Kirby bij Yorkshire Television in Leeds in elkaar; hij overleed dezelfde nacht in het Leeds General Infirmary. Hij werd begraven op de joodse begraafplaats van Bushey in Hertfordshire.
In de lobby van het May Fair Hotel in Londen herinnert een English Heritage-plaquette aan zijn verblijf daar van 1927 tot 1940.
Selectieve discografie When Will I Know? (Columbia, 1923) — eerste plaatopname onder eigen leiding Singapore Sorrows (His Master's Voice, april 1928) When Day Is Done (1928) — herkenningsnummer Cotton Pickers' Congregation (Decca, jaren 30; arrangement Sid Phillips) The Sun Has Got His Hat On (Decca, jaren 30; zang Sam Browne) When That Man is Dead and Gone (1941; zang Anne Shelton)
Vele opnames zijn heruitgebracht in cd-compilaties, onder andere in de reeks Ambrose & His Orchestra: When Day Is Done. His 51 Finest 1928–1944 (Wyastone).
Noten
Externe links Biografie van Bert Ambrose op AllMusic Biografie van het Ambrose Orchestra op AllMusic Bert Ambrose op London Remembers Discografie Bert Ambrose, UCSB Discography of American Historical Recordings
Categorie:Brits orkestleider Categorie:Brits violist Categorie:Brits jazzmusicus