Christiaan Antonij Ver Huell (Doetinchem, 7 april 1760 - Parijs, 14 maart 1832) was een Nederlandse marineofficier en bestuurder. Hij nam deel aan de Militaire Commissie naar Oost-Indië (1789-1793). In de Bataafse Republiek was hij lid van de Indische Commissie van het Staatsbewind. In het Koninkrijk Holland was hij president van de sectie Marine van de staatsraad en in 1807-1808 ambassadeur in Spanje. Na de inlijving van Nederland in het Eerste Franse Keizerrijk werd hij lid van het Corps législatif in Parijs, en bleef na de val van Napoleon in die stad wonen als ambteloos burger.
Afkomst Christiaan Ver Huell stamde uit de voorname regentenfamilie Ver Huell uit het Gelderse graafschap Zutphen. Zijn vader was de advocaat Quirijn Maurits Ver Huell, die naast zijn praktijk diverse bestuurlijke functies vervulde, waaronder burgemeester van Doetinchem. Zijn tweede vrouw, Judith Elsabeen Anna van Rouwenoort, was Christiaans moeder. Zij was een dochter van jonker Willem Hendrik van Rouwenoort, heer van Holthuysen, Hunderen en de Ulenpas, en ook burgemeester van Doetinchem. Ver Huell werd uitgesproken als Verheul. Het Ver in de naam is een samentrekking van ‘van der’. De naam was in een ver verleden Van der Huell en Van der Hoell.
Adelborst miniatuur|299x299px|Christiaan Ver Huell hielp Van Kinsbergen bij het uitgeven van zijn boeken ter verbetering van de zeedienst en de instelling van een school voor adelborsten. In de tweede helft van de 18e eeuw vond een uitbreiding en statusverhoging plaats van de jarenlang verwaarloosde marine. Dit naar aanleiding van de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) waarin de Republiek der Nederlanden haar neutraliteit nog had weten te behouden, maar die ook veel twijfels opriep over hoe lang dat nog mogelijk zou blijven. Veel zoons van vooraanstaande families in Gelderland, die vóór die tijd meestal in het leger dienden, kozen toen voor een carrière bij de marine. Christiaan werd door zijn vader op 11-jarige leeftijd aangemeld bij de Admiraliteit van Amsterdam en trad in dienst als adelborst.Zijn oudste zus Sophia Wynanda (1749-1794), een dochter uit het eerste huwelijk van zijn vader, trouwde met de marineofficier en equipagemeester aan de Kaap Damiaan Hugo Staring (1736-1783) en werd moeder van de dichter Antoni Christiaan Wynand Staring (1767-1840). Zijn oudste broer Everhard Alexander Ver Huell (1759-1829) ging in opvolging van zijn vader rechten studeren en had een bestuurlijke loopbaan in Doetinchem en Doesburg. Zijn jongere broer Maurits Anne Ver Huell (1761-1799) ging in dienst bij de genie. Als luitenant-ingenieur in Zutphen kreeg hij in 1783 een aanbod om in Russische dienst te gaan. Daar werd hij commandant van de haven van Riga, toen de grootste haven van Rusland. In 1797 had hij het tot generaal-majoor gebracht, maar twee jaar later werd hij ziek en overleed op 15 november 1799 in Libau. Joost Ver Huell (1762-1793) had een korte carrière bij de Admiraliteit van Rotterdam en was in 1784 luitenant-ter-zee. In 1790 verliet hij de zeedienst en werd schepen in Doetinchem, waar hij op 1 augustus 1793 overleed aan tuberculose. Carel Hendrik Ver Huell (1764-1845) begon als cadet bij de infanterie maar stapte in 1779 over naar de marine als adelborst op de Argo, waarop Christiaan luitenant was. Beide broers hielden daarna nauw contact en hadden vergelijkbare carrières. Opleiding bij de marine gebeurde destijds op zee. Hij kwam aan boord van de Thetis, een schip met 24 kanonnen en een bemanning van 150 dat onder bevel stond van Willem van Braam en vanaf april 1771 deelnam aan het konvooieren van koopvaardijschepen in het Kanaal en naar de Middellandse Zee. Op 8 december 1772 was de Thetis weer terug in Nederland. Begin 1776 voer hij uit in een eskader van Lodewijk graaf van Bylandt, op het schip Mars met kapitein Salomon Dedel de Jonge. Het eskader van vier schepen streed op de Middellandse Zee tegen galeien van de sultan van Marokko, waarmee de Republiek in oorlog was geraakt. Op 30 juni 1777 werd Marokko dankzij het eskader gedwongen de vrede weer te herstellen op basis van het verdrag van 1752.
Luitenant In januari 1777 was Christiaan tot luitenant bevorderd. Van december tot juni 1779 voer hij nogmaals in een Middellandse Zee-eskader onder Jan Hendrik van Kinsbergen, ditmaal op de Argo, een schip met 40 kanonnen en een bemanning van 240. Het eskader deed veel aan vlagvertoon en oefende in schijngevechten. In september kwam ook zijn jongere broer Carel Hendrik Ver Huell als adelborst aan boord van de Argo. Van Kinsbergen kwam uit dezelfde streek als de Ver Huells (Doesburg) en beide broers zouden altijd tot zijn favoriete gunstelingen blijven behoren.
Slag bij de Doggersbank miniatuur|300x300px|Slag op Doggersbank. Onder de letter D is Van Kinsbergens schip Admiraal-Generaal. In de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784) vond op 5 augustus 1781 de Slag bij de Doggersbank plaats toen een Nederlands eskader onder schout-bij-nacht Johan Zoutman met meer dan 70 koopvaarders met bestemming Oostzee bij de Doggersbank een Brits eskader trof dat met koopvaarders op de weg terug naar Engeland was. Christiaan Ver Huell voer op Van Kinsbergens schip de Admiraal-Generaal. Het gevecht eindigde onbeslist, hoewel de Nederlandse koopvaarders terug moesten keren naar de haven. Omdat de Britse vloot als eerste het strijdveld verliet werd de zeeslag in de Republiek toch als een overwinning gevierd. Ver Huell raakte in het gevecht door een rondvliegende houtsplinter zwaar gewond aan zijn rechterbeen en zou daar zijn leven lang last van houden. Veel promoties en onderscheidingen door stadhouder Willem V volgden op de overwinning. Ver Huell kreeg de zilveren Doggersbank-medaille. Deze werd uitgereikt aan luitenants, adelborsten en onderofficieren wegens betoonde uitzonderlijke dapperheid.
Tocht naar Indië miniatuur|300x300px|Stadhuis van Batavia rond 1780. De VOC, handelsonderneming op Azië, was als gevolg van de oorlog in grote moeilijkheden geraakt. Veel rijk beladen retourschepen werden door de Britten gekaapt en Trincomalee in Ceylon en Nagapatnam in India werden veroverd, waarbij pakhuizen geplunderd en fortificaties verwoest werden. De VOC had sinds haar oprichting nog nooit om assistentie van de marine gevraagd, had in tegendeel vaak schepen geleverd, maar deed nu een beroep op de Staten-Generaal. In 1782 werd op verzoek van de Heren XVII besloten drie marine-eskaders naar Indië te sturen. Het eerste stond onder bevel van Jacob Pieter van Braam. Als lid van dit eskader, maar apart opererend, stelden Joan Cornelis van der Hoop en Van Kinsbergen Ver Huell aan om onderzoek te doen naar de staat van verdediging van de VOC-vestigingen, alsmede die van de Britten, ‘dog deze laatste met veel voorzigtigheid’. Vanwege het vertrouwelijke karakter van de missie wist zelfs Van Braam er in eerste instantie niets van. De oorlog met de Britten was inmiddels al weer afgelopen toen Ver Huell, geassisteerd door luitenant Jan Frederik Reitz, op 3 november 1783 met het fregat Waakzaamheid (kapitein A.C. Willinck) naar Indië vertrok. Hij werd naar aanleiding van de missie bevorderd tot extra-ordinaris kapitein-ter-zee.Extra-ordinaris wilde zeggen dat men niet in vaste dienst was maar op afroep beschikbaar moest zijn. Alleen dan ontving men salaris.
Onderweg brachten Ver Huell en Reitz vanaf 4 februari drie maanden door in de Kaapkolonie, terwijl de Waakzaamheid verder zeilde naar Ceylon. Aan de Kaap ontmoette Ver Huell de 15-jarige Anna Jacoba Bosch, die op dezelfde dag met het VOC-retourschip Java vanuit Batavia daar aankwam, gewond door messteken. Zij was in november getrouwd met het naar Nederland terugkerende lid van de Raad van Indië en viceadmiraal van de retourvloot Jacob Radermacher,Admiraal van de retourvloot was Jacob Breton. maar die was met vijf anderen bij een oproer van Chinese matrozen op de Java om het leven gekomen.De Java had op de heenreis 185 van de 289 opvarenden aan scheurbuik en andere ziekten verloren en had daarom op de terugreis 25 Chinese en 25 Javaanse matrozen aan boord (op de 115 in totaal). Op de avond van 24 december overvielen met messen bewapende Chinezen de op het halfdek verpozende Radermacher en enkele officieren en passagiers. Zes doden en vijf gewonden waren het gevolg. De Chinezen hadden het gemunt op kapitein Jan Tromp en de luitenants Nanning de Jong en Pieter Gem. De anderen werden toevallig slachtoffer: naast De Jong en Gem waren dat Radermacher, Petronella Weppelman (de vrouw van de predikant Jacob Metzlar) en twee matrozen. Tromp overleefde. De Chinezen trokken zich na de aanslag snel terug in hun hangmatten maar werden later door de scheepsraad één voor één in een kajuit gebracht, geëxecuteerd en overboord gegooid. De Raad van Indië oordeelde later dat men zich niet aan de rechtsgang had gehouden en dat bovendien de oorzaak van de muiterij de officieren te verwijten was, met name omdat er in Batavia onvoldoende voedsel was ingenomen van ook nog eens slechte kwaliteit. De admiraal van de retourvloot Jacob Breton werd hiervoor verantwoordelijk gehouden. Ook Anna was daarbij gewond geraakt maar overleefde. Ze was een zeer vermogende weduwe, want ook haar overleden vader Cornelis Bosch had in Batavia een uiterst lucratieve functie vervuld als administrateur van de suikerpakhuizen op het eiland Onrust. Ook haar moeder was inmiddels overleden. Ver Huell trouwde met haar op 28 maart 1784, en zou in 1788 en ‘89 twee kinderen krijgen: Quirijn Maurits en Evert Christiaan.Quirijn Maurits overleed op 8-jarige leeftijd aan dysenterie in Krefeld, waar zijn vader na de Bataafse Revolutie een goed heenkomen had gezocht. Evert Christiaan groeide op in het gezin van Christiaans oudste broer Everhard Alexander in Doesburg en studeerde daarna rechten in Leiden. Hij trouwde in 1815 met de oudste dochter van zijn vaders zakenpartner Arnoud Wils, Henriëtta Johanna. Hij bracht het tot raadsheer in het Hoog Gerechtshof in Den Haag en had een huis aan de Lange Voorhout 9. Hij werd op zijn verzoek op 7 augustus 1840 door koning Willem I in de adelstand verheven met het predicaat van Jonkheer.
Ver Huell en Reitz reisden daarna op een VOC-schip door naar Batavia. Op 19 juli 1784 daar aangekomen voegden ze zich bij het eskader van Van Braam dat bij Malakka en Riouw lag. Reitz werd op het fregat Monnikendam geplaatst maar Ver Huell kreeg van Van Braam verlof om naar Nederland terug te keren. Drie weken later was hij al weer in Batavia, samen met Dirk van Hogendorp, die over de activiteiten van het eskader verslag moest uitbrengen aan de Raad van Indië. Ver Huell keerde met een door de VOC gehuurd particulier scheepje naar de Kaap terug, waar hij in maart 1785 herenigd werd met Anna. Ook de Waakzaamheid lag daar weer, en als tweede kapitein op dat schip keerde hij terug naar Nederland. De Waakzaamheid konvooieerde de retourvloot van de VOC, met onder andere de scheidende gouverneur van de Kaap Joachim van Plettenberg en Anna. Op 16 juli arriveerde de Waakzaamheid bij Texel, en de volgende dag al overhandigde Ver Huell aan viceadmiraal Van Kinsbergen een gedegen Memorie van den capitain ter zee Ver-Huell, met ‘s lands esquader in het jaar 1784/85 in Indie geweest zijnde. Het was een goed stuk, maar zoals de opvolger van Van Braam, de eskadercommandant Willem Silvester opmerkte: in een tijd van slechts vier maanden ‘kan het ook niet anders zijn, of daar resteeren nog een menigte van zaaken, die […] tot een meerdere opheldering van zijn Edeles gedagten […] zoude kunnen dienen. Later die maand keerde hij met Anna terug in Doetinchem. Daar bleek zijn moeder net overleden te zijn, en zijn zestienjarige zus Keetje volgde op de 31e.
Militaire Commissie miniatuur|384x384px|'Situatie plan der forten Trinkonomale en Oostenburg enz., volgens de geadopteerde projecten van de H.H. Vaillant, VerHuell en Graevesteyn, Commissarissen-Militair enz.', gemaakt door Carel Frederik Reimer.